Brief van Martinus Rutten aan zijn broer Renier


Auteur: Martinus Hubertus Rutten

Brief van Martinus Rutten, seminarist aan het Groot Seminarie te Luik, gericht aan zijn broer Renier die pauselijk zouaaf was te Rome.

Luik den 2den januari 1865

Zeer lieve broeder,

Ik begin met u in naam van vader en moeder, van onze broeders en zusters en ook in mijn naam een gelukkig en zalig nieuwjaar te wensen. Lieve broeder, ik zal niet trachten u uit te drukken welke gvoelens mij bij het doen van dien wens, bezielen, zij zijn duizendmaal vuriger dan ik ze met woorden zou kunnen verklaren. Gij weet het genoegzaam, ook ga ik verder God biddende en smekende dat hij mijn wensen moge verwezelijken want dan zijn wij gelukkig in dit leven en vooral dan vinden we ons daar boven weer om er ons door alle eeuwen heen en zonder einde te beminnen en te verheugen. Nogmaals een gelukkig, een allergelukkigst en zalig nieuwjaar.

Nu gauw uigelegd waarom mijn brief niet de eerste januari is toegekomen. De hoofdreden is dat ik niet eerst wilde zijn en weten wat ik later zeggen zal en hetwelk ik hier maar stilzwijgend voorbij ga om geen tijd te verliezen. Ik spreek van geen tijd te verliezen; welnu het tijd ontbreken, kunt gij als tweede reden aannemen want het is heden congé, al mijn makkers zijn op het buitengoed een lekkere sigaar aan ’t roken en ik zit hier reeds van voor acht uren voor mijn werktafeltjes; het is nu 10 uren en voor uwe brief beeindigd te hebben zal middag dicht bij zijn. Doch vooruit.

Eerste nieuws: er is een verandering in vlaams gekomen par arrêté royal du 24 decembre 1864. Gij zult er in deze brief enige staaltjes van zien, gelieve daarom slechts te letten op de aa, au op de rij etc. Indien dit soms enig belang voor u heeft, dan zal ik u het ganse arrêté in mijn volgende brief bezorgen.

Tweede nieuws: Ik schrijf deze brief in het vlaams omdat ik u vooral over ons dierbaar Maasland te spreken heb. En van de moedergrond sprekende moet men dan ook niet de moedertaal gebruiken? Ja, ja moedertaal, taal onzer moeder, door onze moeder ons met hare liefdezoenen op de lippen gelegd; gij zijt ons dierbaar.

Derde nieuws: Verleden maandag1 bevond ik mij om 7 uren aan de statie van Longdoz: snel gelijk de wind vloog ik naar Maastricht doch waarom vraagt gij? wel, om naar het Maasland te gaan naar het lieve Geijstingen.

Van huis uit had men geschreven dat Sibille2 nog niet gans hersteld was en zeer naar mijn overkomst verlangde. De eerwaarde heer pastoor had er een woordje bijgevoegd om de zaak te bekrachtigen. Gewapend met twee brieven was ik naar onze president getrokken en deze in zijn goedheid had mij eens naar huis gaan laten zien voor een dag of vier en nu ben ik op weg. Te Maastricht aangekomen vond ik de Maas toegevrozen, dus gene gelegenheid naar Maaseik dan alleen de postwagen van Lanaken om 1 uur. Maar het was slechts half negen. Ik trok naar Kees Knapen (gij weet wel, daar hadden we samen nog een borreltje gedronken) en dronk daar een tas koffie. Toevallig was daar ook een man die naar Stocheim moest. Aanstonds waren we gereed voor de reis en we trokken dan te voet op. Het vroor onbarmachtig; de grond was een stenenvloer en de man die een baard aan de kin droeg, moest weldra het ijs uit de stoppelen wrijven. Wij gaan des te sneller. Mijn makker verlaat mij te Lanklaar en ik ben om half drie te Maaseik. Te half zes te huis. Ik zal u de vreugde bij de thuiskomst niet beschrijven; ik vond Sibille beter dan ik verwacht had en zelfs beter dan zij onder de vorige vacantie was. Kort na de vacantie was zij merkelijk verergerd en had zelfs enige vrees ingeboezemd ofschoon de doctoor het altijd voor ligt aangaf. Van dan af is zij beginnen te beteren en deze beternis ofschoon zeer langzaam bleef en blijft aanhouden. Hopen wij dat de lente al de sporen harer ziekte zal doen verdwijnen. Den dag mijner thuiskomst was het juist verkensfeest zodat ik tante Meghel, nonk Hannes3 en Paulissen4 te huis vond. De overige familie was reeds vertrokken. Later kwam nog Hover Naard en Hubertina (neef en nicht van Martinus). Men soupeerde en de avond met de twee volgende avonden werden in aangenamen en hartelijken kout5 doorgebracht. O, waart gij er toch bij geweest! Maar die wens is nu niet mogelijk maar de volgende winter zal hij verwezenlijkt worden indien zulks de wil van God is. Vader maakte het bijzonder goed; hij is nu volkomen met de wil van God tevreden. Hij is zelfs vrolijk en vertelt aanhoudend de grappen van voorheen. Ik zou u niet kunnen zeggen met hoeveel vreugde ik die gelukkige verandering in hem bespeurde en hoe innig ik God bedank voor die nieuwe weldaad. Soms wel komt het gedacht van uw afwezigheid zijn ziel bedroeven maar dan brengt de overtuiging dat zulks voor uw goed gebeurd is maar spoedig komen de kalmte en de tevredenheid terug. Moeder maakt het ook allerbest.

(Entre parenthèse). Ik sprak van verkensfeest, raad eens hoeveel het verkske woog: 485 half kiloos, de kop alleen woog 19 ½ kilo of 39 ½ half kiloos. Daar kan men nogal op feesten niet waar; konden wij u maar enige ribben, een el of twee braadworst ervan sturen. Gans Geystingen kwam het verken wanneer het geslacht was als een wonderheid beschouwen en het was klein van was en maar twee jaren oud.

De oude Joseph6 kwam de avond met ons slijten en vertelde van zijn reis naar Brabant. Hij met Jacques7 hebben de 14 december enige …… moeten opdrijven voor ene koopman die met onze vriend Charles Dufour te huis is geweest de 12de en de 13de december. Gij hebt vele groetenissen van deze laatste die het wel maakt. Met Pasen of met grote vacantie komen zijn twee oudste zoons ons bezoeken. Joseph en Jacques waren 10 dagen op reis gebleven en hadden Ninove en Brussel bezocht.

Donderdag 29ste keerde ik naar Luik terug waar ik mijn studies hernomen heb.

Vierde nieuws: Alle twist en tweedracht schijnen in Geystingen tot bedaren te zullen komen. De voornaamste oorzaak zal toekomende week verdwenen zijn door het huwelijk van Lambert Dreesens met onze nicht Hubertina Rutten hetwelk de 10de januari zal plaats hebben. Ziedaar een nieuws dat u zeker verwonderen zal; laat ons bidden dat het op het beste uitvalle. Hubertina trouwt in bij Cuypers zodat tante8 al haar dochters kwijt zal zijn.

Nu over Roggel. Deze pijnlijke zaak is nog niet uitgewezen. Men wacht te huis met u te schrijven tot na de uitwijzing die volgens het zeggen der mensen den 12 januari te Maastricht zal plaats grijpen. De beschuldigden zijn reeds naar deze stad overgebracht.

Wat de daadzaak betreft, het schijnt dat de beschuldigden maar al te plichtig zijn. In een Roermonds bladje heeft het verhoor gestaan en ziehier hoe volgens hun eigen bekentenis de zaak moet gebeurd zijn.

Des savonds van gemelde dag kwam de jongen naar het huis van Dorus Rutten om dien avond de moord te plegen. Hij klopte op de venster waar moeder en dochter sliepen en vroeg aan het meisje of zij die avond aan de zaak een einde wilde maken gelijk zij het reeds dikwijls hadden willen doen, dat hij anderzinds niet meer komen zou en alles tussen hen gedaan was. Het meisje vroeg aan haar moeder wat het doen moest; deze antwoordde: doe wat ge wilt. Alsdan misschien nog door enige wroeging geplaagd, zeide het meisje aan de jongen van het maar alleen te doen. Maar nu deze weigerde, is zij door het vensterraam uitgeklommen en beide zijn zich achter korenschoven gaan verbergen in afwachting dat Rutten komen zou. Deze vertoefde lang! Dan ging het ontaard kind het huis binnen en kwam weldra terug met het broodmes. De jongen was met een hout gewapend. Eindelijk kwam Dorus. Wanneer hij tot bij hen genaderd was, heeft hem de man met zijn hout geslagen. Het ongelukkig slachtoffer viel neer zonder enige schreeuw. Alsdan wierp de barbaarse dochter zich op hare vader en bracht hem verscheidene sneden en steken toe terwijl de jongen hem het hout op de keel drukte om het schreeuwen te beletten. Vermoeid gaf het meisje het mes aan de jongen zeggende: “steek gij nu nog eens, dan zal hij wel zeker dood zijn.” Dit deed de jongen waarna zij het lichaam bij ene hoop stenen sleepten. Zij deden enige stenen op het lijk nedervallen om te doen verstaan dat hij daaronder was doodgebleven. Vervolgens gingen zij weg en de dochter gaf aan de moeder het geld dat zij uit de zak van haar vader genomen had.

Ziedaar de geschiedenis van deze ongehoorde euveldaad. Ik heb ze u afgeschreven maar het hart walgt mij wanneer de hand zulke koelbloedige woorden nederschrijft. Vergeef mij, Renier, maar gij ook zult verlangen deze zaak te kennen die zo nauw met onze familie verbonden is. De brave en heilige pastoor van Elen is ontroostbaar. Hij kan het beeld van zijn ongelukkige broeder en de schande zijner familie die anders zo eervol is, niet vergeten. Men vreest voor zijn gezondheid die hij door die beklemde droefheid zeer krenken moet. Dorus was gelukkiglijk niet lang voor zijn ongelukkig einde te biechten geweest. Stellen wij onze hoop op de goddelijke barmhartigheid en bidden wij dat zij zijn ziel genadig zij.

Later dan zult gij de einduitslag dezer zaak vernemen. Vooralsnu keren wij ons gedacht ervan af.

In uw vroegere brieven, Renier, spreekt gij niet van de samenzwering die te Rome tegen het leven van de H. Vader moet hebben plaats gehad. Zou dit soms niet waar zijn, anders schrijf het in de volgende brief.

Gisteren heb ik een brief van huis ontvangen die de aankomst meldt van de uwe. Met blijdschap verneem ik dat onze neef Manus9 wederom met u verenigd is. Gelieft hem mijn innigste nieuwsjaarswensen aan te bieden.

Lieve broeder, vergeef dat ik eindig. Ik wil u niet langer meer doen wachten en dan, ik ben zo overstelpt van het werk. Ik heb voor de heer Daris10 het leven de heilige Odulphus moeten schrijven in het vlaams. Het zal zowat 12 à 16 bladzijden zijn; zo haast het gedrukt is en ik er enige boekjes van heb, zal ik er u een van sturen. Ik heb het zo eenvoudig mogelijk moeten maken dewijl het bestemd is om aan het volk van Borchloon te worden uitgedeeld.

Antwoord zo spoedig mogelijk, lieve broeder; bij een volgend schrijven kunt gij u op een langere brief van mij verwachten. Dan moet ik u ook nog bedanken voor uwe laatste brief. Hij heeft mij en aan de vrienden en te huis van onze lieve ouders zeer behaagd. Eventueel, lieve broeder, ik bid u van de volgende keer maar 12 of 14 bladzijden te nemen want deze brief heeft nog 2 franken gekost. Indien gij dan nog wat digter bijeenschrijft, zo het mogelijk is, dan zal ik er toch niet verliezen.

Middag nadert; Namiddag moet ik, willens of niet willens, naar het buitengoed. Deze brief dan maar op reis, anders wordt gij nog ongeduldig. Nog eens vaarwel, vaarwel, vaarwel. Neem mij toch mijn kortheid niet kwalijk of ik straf u door een brief van 20 bladzijden. Vaarwel, moed en betrouwen, moed en volharding, moed en liefde tot God en Maria! Vaarwel,vaarwel.

Uw gans verkleefde broeder

Martinus

Vele groetenissen van Cartuyvels etc.

De ouders en de ganse familie van Manus11 maken het ook zeer wel. Onze neef Jean12 die met Elisabeth Vangeneygen getrouwd is, lijdt sinds enige tijd aan een oogziekte maar hopen wij dat ze spoedig zal verdwijnen.

Bidden wij voor elkander. Vaarwel, vaarwel.


  1. 26 december 1864. ↩︎

  2. Zijn oudste zus. ↩︎

  3. Onbekend. ↩︎

  4. Onbekend. ↩︎

  5. Kouten is babbelen. ↩︎

  6. Onbekend. ↩︎

  7. Zijn broer. ↩︎

  8. Elisa Henkens. ↩︎

  9. Herman Van de Venne – pauselijk zouaaf sedert 12 november 1863, zoon van Adam Van de Venne en Anna Maria Rutten – stierf ongehuwd te Antwerpen op op 15 maart ↩︎

  10. Joseph Daris, kanunnik, professor aan het Luiks seminarie, befaamde geschiedschrijver van het Graafschap Loon en het Prinsbisdom, geboren te Borgloon op 18.9.1821 en er overleden op 11.9.1905. ↩︎

  11. Zoon van Adam Van de Venne en Anna Maria Rutten. ↩︎

  12. Andere zoon van Adam Vandevenne en Anna Maria Rutten. ↩︎