Van de hak op de tak


Van het ene op het andere overspringen zonder een verband te leggen
Van het ene op het andere overspringen zonder een verband te leggen

Ten geleide

Na in de loop van de laatste 20 jaar mij vooral toegelegd te hebben op het schrijven van boeken met een sociaal historische inslag, heb ik het laatste jaar een inspanning geleverd op de geschiedenis van feiten en personen die zich vooral in onze naaste omgeving afgespeeld hebben en die anders gevaar lopen in de vergetelhoek te geraken. En dit zou erg spijtig zijn.

Ik volg het voorbeeld van Jules Frère en Henri Baillien uit Tongeren, Piet Bouveroux uit Hasselt, Piet Henkens uit Maaseik en zovele andere.

Gelukkig zijn er heel wat heemkundige kringen die de lokale geschiedenis uitgediept hebben en op deze wijze de zo boeiende folklore van enkele eeuwen van de ondergang gered hebben.

Tenslotte kan niet ingeschat worden de tijd die besteed wordt aan op het opstellen van de familiestambomen. Heel zeker een woord van dank aan deze pioniers.

De verschillende onderwerpen die aangesneden werden maken alleszins dit boekje aangenaam om te lezen.

Veel leesgenot

Mathieu Rutten

De Oostenrijkse periode De Franse Tijd 1792-1815 Het Verenigd Koninkrijk 1815-1830 België vanaf 1830

De familie Rutten onder het Oostenrijks bewind

Maria Cornelia Rutten, geboren te Kessenich op 22 juni 1731, dochter van Renier Rutten (burgemeester van Kessenich) en Cornelia Janssen, trouwde te Kessenich op 11 januari 1750 met Sibertus Mertens uit Heythuizen. Zij zijn de ouders van Philip Mertens, geboren te Heythuizen op 18 maart 1753 die later een der leiders werd van de Bokkenrijders.

Rond 1771 - op zeer jeugdige leeftijd - werd hij huurling in het Franse leger. Als lijfwacht van de Franse koningshuizen kwamen vooral buitenlanders in aanmerking. Zo maakte Philip Mertens in het Franse leger deel uit van de Zwitserse garde en dit gedurende een periode van vier jaar.

Hij huwde op 6 oktober 1778 met Maria Agnes Op het Eijnde uit Stokkem. Hij oefende verschillende beroepen uit: herbergier, winkelier, schoenmaker en handelaar in zaden. Bij zijn huwelijk ging hij wonen in Heythuizen maar verhuisde nadien naar Neeritter en Ophoven. In de streek van Maaseik en ook in Ophoven opereerden de Bokkenrijders. De leden ervan hadden als doel aan geld te geraken. Aan gegoede burgers schreven ze brandbrieven waarin ze bekend maakten het vereiste bedrag dat ze vroegen en de plaats waar het geld moest gelegd worden. In de Maasstraat van Ophoven (gemeente Kinrooi) staat nog de woning van de voormalige gemeentesecretaris Reynders die herinnert aan de tijd van de Bokkenrijders. In de voorgevel is er een korte tekst aangebracht: “Bis combusta, re-edificata” Tweemaal afgebrand en terug opgebouwd.

Philip legde volgende eed als bokkerijder af in de nacht van 12 op 13 januari 1785: “Ik zweer God af en de duivel aan en dat duivel mij de hals zal breken zo ik iemand zal verraden en zo ik gevangen zijnde in de pijnen van de tortuur iemand zou verraden, dat altijd zal herroepen”.

Toen hij voelde dat het hem te Ophoven te warm werd, vluchtte hij en nam dienst in het Pruisisch leger. Na een jaar deserteerde hij en vestigde zich met zijn vrouw en kinderen in 1790 op de Veemarkt te Antwerpen waar hij op 27 november 1791 werd aangehouden. Hij werd ervan verdacht het echtpaar Mathourné dat naast hem woonde, vermoord te hebben. Op 21 september 1793 werd hij ter dood veroordeeld en nog dezelfde dag op de Grote Markt te Antwerpen geradbraakt.

Frans Rutten, geboren te Kessenich op 23 augustus 1753 en gehuwd met Ludovica Janssens, was burgemeester van Kessenich van 9 november 1817 tot 16 oktober 1830. Bij zijn eedaflegging als burgemeester verklaarde hij:

Ik belove en zwere dat ik de functiën waartoe ik geroepen ben met ijver en getrouwheid zal vervullen, overeenkomstig de grondwet, alsmede de algemene landwetten alsmede hetgeen bij het Bestuur is voorgeschreven; en dat ik alles zal aanwenden wat in mijn vermogen is, tot het welzijn der gemeente en dat ik om tot mijn benoeming te komen, aan niemand enige giften en gaven beloofd of gegeven heb, beloven of zal geven alsmede dat ik om iets hoegenaamd in mijn ambtsbetrekking te doen, of te laten, van niemand enige beloften of geschenken zal aannemen of ontvangen, direktelijk of indirectelijk en zulks door het uit- spreken der woorden, zoo waarlijk helpe me God. (Uit het boek “de Geschiedenis van Kessenich” – Piet Henkens)

Martinus Rutten, geboren te Ophoven op 27 november 1756, was vanaf 1783 kapelaan te Sittard waar hij overleed op 16 april 1846.

Renier Rutten, geboren te Ophoven op 4 oktober 1758, was burgemeester van Ophoven rond 1791 (Oostenrijks bewind), van 1803 tot 1809 (Frans bewind) en van 1820 tot 1824 (Nederlands bewind). De straat waar hij zijn huis bouwde, draagt nog de naam Merrenhofstraat, de straat van de burgemeester.

Renier Rutten, geboren te Kessenich op 22 maart 1764 trouwde te Kessenich op 2 september 1787 met Sibilla Vangeneygen. Enige tijd zouden ze gewoond hebben te Kessenich en nadien verhuisd naar de boerderij Vinderhof te Neeritter waar twee belangrijke stamvoortzetters geboren zijn: Renier, geboren op 25 mei 1793 en Jan, geboren op 5 december 1799. Op 30 april 1802 koopt Renier Rutten de boerderij Vinderhof van de familie Eyckheuvels voor de prijs van 5.850 gulden. De oppervlakte van Vinderhof bedroeg 21 ha 88 a en 95 ca.

Renier Rutten verliet Vinderhof om pachter te worden van Hoezerhof te Geistingen en Jan Rutten was de pachter van Hoverhof te Ophoven.

Renier Rutten (links) , geboren te Neeritter op 25 mei 1793, pachter van Hoezerhof en Jan Rutten (rechts), geboren te Neeritter op 5 december 1799, pachter van Hoverhof
Renier Rutten (links) , geboren te Neeritter op 25 mei 1793, pachter van Hoezerhof en Jan Rutten (rechts), geboren te Neeritter op 5 december 1799, pachter van Hoverhof

De twee zonen Renier en Jan hebben drie nationaliteiten gehad: Fransman, Nederlander en Belg. De vroegere wetgeving hield in dat men de nationaliteit kreeg van het land waarin men geboren werd. Voor 1800 behoorde Neeritter tot Frankrijk en vanaf 1814, bij de samenvoeging met België, kregen ze de Nederlandse nationaliteit. In het Nederlands Limburgs Tijdschrift voor Genealogie (jaargang 20) schrijft Niek Bos uit Geleen dat Renier Rutten en zijn broer Jan Rutten in 1833 de Belgische nationaliteit aangevraagd hebben. Beiden woonden op dat ogenblik in Ophoven.

België onder het Frans Bewind

Het Franse leger versloeg de Oostenrijkers te Jemappe (gemeente in Henegouwen) op 6 november 1792. De Zuidelijke Nederlanden (inbegrepen België) kwamen in september 1795 onder Frans bewind. België omvatte 9 departementen: Beneden-Maas, Ourthe, Beide Neten, Samber en Maas, Schelde, Leie, Jemappes, Ardennes en Forets. Ons land werd door de Franse leiders en troepen niet goed behandeld.

  1. De conscriptie verplichtte onze jongens om in Frankrijk te dienen.

  2. De kerkelijke goederen werden verkocht en in ruil zou men de priesters een pensioen uitkeren dat nooit betaald werd (decreet van 11 oktober 1789).

  3. De priesters moesten haat aan het koningdom en getrouwheid aan de republiek zweren; dezen die weigerden werden verbannen naar Cayenne (Zuid-Amerika)

  4. De kloosterorden werden ontbonden en haar gebouwen en kerken bij opbod verkocht.

  5. Menige kerken, echte kunstwerken b.v. St.- Lambert te Luik, werden afgebroken.

  6. Het scheelde weinig of de prachtige O.-L.-Vrouwkerk te Antwerpen onderging hetzelfde lot.

  7. De universiteit van Leuven werd gesloten.

Onze priesters, opgejaagd als wild, bedienden in het geheim de H. sacramenten aan de zieken en lazen mis in schuur of stal, terwijl gewapende boerenzonen buiten de wacht hielden.

De godsdienstvervolging en de conscriptie deden de Boerenkrijg ontstaan; die heldhaftige strijd onzer boeren werd helaas in ’t bloed gesmoord.

Uit het boek “Geschiedenis van België door O. Broeckaert”. Uitgeverij Vanderpoorten – Gent - 1934

Over de Maaslandse familie Rutten tijdens de Franse tijd is ons niet veel bekend. Een aantal feiten hebben we gevonden:

Henri Rutten, capucijn, geboren te Kessenich op 17 september 1750. Hij trad in bij de capucijnen en had als kloosternaam pater Perpetuus. Achtereenvolgens verbleef hij in de kloosters te Gent, Oudenaarde, Lier, Mechelen en St.-Truiden. In dit laatste klooster was hij overste. Wanneer met de komst van de Franse Revolutionairen de kloosterlingen verdreven werden, kwam hij terug naar Kessenich waar hij overleed op 23 juni 1803.

Martinus Rutten, geboren te Ophoven op 27 september 1756, priester gewijd in 1781, was vanaf zijn wijding tot 1783 kapelaan te Kessenich en nadien rector in Sittard. Bij de aangifte van het overlijden van zijn vader Maarten Rutten te Ophoven op 1 januari 1799 (Franse revolutie) (dodenregister Ophoven II (1748-1813) fol. 148 nr 443) staat Martinus vermeld als “landbouwer”. Naar alle waarschijnlijkheid was hij moeten onderduiken omdat hij de Franse eed niet afgelegd had. Martinus overleed te Sittard op 16 april 1846.

Op 3 november 1796 tekende Jan Rutten als agent municipal van Kessenich protest aan tegen het decreet van 1 september 1796 waarbij de kloosters door de Franse overheid werden opgeheven; onmiddellijk erop volgde een sanctie. De agenten die protest hadden aangetekend, werden bij decreet van 17 november 1796 uit hun ambt ontheven.

Frans Rutten plaatste zijn handtekening onder het laatste blad van de volkstelling in 1796: Alle de geene die op desen leyst staen seyn alle pachters en arbeyders die met wercken dagh en nacht hunnen kost moeten winnen geenen uitgenomen. Kessenich 5 maart 1796. F. Rutten, agent municipal.

De Zuidelijke Nederlanden onder de Franse omwenteling (1794-1814)
De Zuidelijke Nederlanden onder de Franse omwenteling (1794-1814)

Verkoop te Roermond der verbeurd verklaarde eigendommen te Kinrooi

Affiche nr. 32

Verkoop 13 Nivôse jaar 6 (2 januari 1798)

Goederen van het Groot-Klooster Maaseik

Gemeente Ophoven.

Art. 4 (Sligtenhof zijnde woning voor de pachter, schuur, stal, schaapstal in leem en in vervallen toestand waaraan reparatie nodig is, tuin en weide dienende tot uitbating van ongeveer 12 bunders bouwland, weide en houtgewas verhuurd zonder schrift aan R. Eijven.

Buiten de eigendom palende aan de woning zijn in de nabijheid gelegen 8 bunders bouwland en 3 bunders moerassige weiden alles een perceel grenzende van twee kanten aan de grote weg aan de beek en aan de erfgenamen van Siler hof.

Drie boerderijen zijn in de familie Rutten zeer belangrijk geweest:

Vinderhof te Neeritter

Op 30 april 1802 koopt Renier Rutten, gehuwd met Sibilla Vangeneygen, de boerderij voor 5.800 gulden van zijn broer Frans, gehuwd met Ludovica Janssen. Na nog een korte tijd gewoond te hebben in Kessenich verhuist hij naar Vinderhof in Neeritter waar zes kinderen geboren worden.

Vinderhof
Vinderhof

De boerderij is gespreid over twee gemeenten: onder Neeritter 15 Ha 9 a en 50 ca en onder Hunsel 6 Ha 79 a en 45 ca.

Niet lang heeft Renier Rutten op Vinderhof gewoond want rond 1803 wordt hij pachter van Hoezerhof te Geistingen waar zijn gezin opgroeit.

Hoezerhof te Geistingen

De boerderij Hoezerhof is wellicht, samen met Voorderhof, de oudste boerderij uit Geistingen.

Na de Franse revolutie vinden we gravin de Geloes, geboren gravin de Borchgrave d’Altena, wonende te Elsloo, als eigenares.

Als pachters op Hoezerhof noteren we vooral de families Henckens en Rutten uit Geistingen. Deze laatste familie heeft een lange dienststaat als pachter. Niet minder dan vier families Rutten treffen we aan, telkens van vader op zoon.

Rond 1804 kwam het echtpaar Renier Rutten-Sibilla Vangeneygen van Vinderhof te Neeritter naar Hoezerhof te Geistingen. Zij bleven er wonen tot aan hun overlijden. Op 10 augustus 1926 koopt Renier Rutten-Schreurs de boerderij Hoezerhof Op dat ogenblik had de boerderij een oppervlakte van 46 ha 48 a en 50 ca.

In 1959 werd het echtpaar Jozef Veugelaars-Rutten eigenaar van Hoezerhof die er evenwel een andere bestemming aan gaven. In 1966 werd de boerderij omgevormd tot een industrieel bedrijf, genaamd Veru-Chemie N.V., gespecialiseerd in een reinigingsproduct.

Hoezerhof
Hoezerhof

Hoverhof te Ophoven

In zijn bijdrage Verkoop van Domeingoederen, verschenen in 1928, vermeldt J. Paquay dat Hoverhof of hoeve Terloo te Ophoven, sedert 1475 eigendom is van het groot klooster Ste Agnes der Reguliere Kanunnikessen van St. Augustinus te Maaseik met een oppervlakte van 42 bunder, op 22 januari 1798 (Franse tijd) verkocht werd aan Pierre Libotton uit Hasselt voor 110.000fr fr.

Hoverhof
Hoverhof

Twee stamgenoten vestigden zich als pachters op Hoverhof.

De eerste was Jan Rutten, geboren te Neeritter op 5 december 1799, gehuwd te Ophoven op 21 april 1827 met Elisa Henkens, dochter van Leonard Henkens en Sibilla Vangeneygen, landbouwers op de Nieuwenhof te Maaseik. Zes kinderen zijn in Ophoven geboren:

  • Sibilla 22.1.1828
    • gehuwd met Mathijs Steyvers
  • Renier 5.10.1829
    • tweemaal gehuwd: Elisa Henkens en Maria Cuypers
  • Cornelia 11.9.1831
    • gehuwd met Leonard Deben
  • Leonard 27.12.1832
    • tweemaal gehuwd: Maria Narinx en Maria Weekers
  • Lambert 17.9.1834
    • gehuwd met Gertrudis Verstraeten
  • Hubertina 30.10.1841
    • gehuwd met Lambert Dreessen

Naast het beroep van landbouwer was Jan Rutten ook actief in de plaatselijke samenleving. Hij oefende het ambt van schepen en gemeenteraadslid uit in de gemeente Ophoven en was van 1858 tot 1866 voorzitter van de kerkmeesters en tot 1870 schatbewaarder van de kerkfabriek. Hij overleed op 30 juni 1871.

Een tweede stamgenoot die zich vanaf 1881 op Hoverhof vestigde, was Jan Mathijs Rutten, geboren te Beegden op 11 februari 1847, gehuwd met Maria Hubertina Narinx, geboren te Eckelrade (Nederlands Limburg) op 11 september 1848. Hun eerste vier kinderen zijn geboren in Ittervoort op Schouwsmolen, een boerderij gelegen tussen Neeritter en Ittervoort. De laatste vijf kinderen allen in Ophoven: Jan (15.8.1881), Anna (3.11.1883), Leonard (19.11.1885) Joseph (24.11.1887) en Frank (11.6.1889).

Op 22 maart 1892 vertrok Jan Mathijs vanuit Hoverhof te Ophoven met heel zijn gezin naar Amerika waar zijn afstammelingen nu in verschillende staten van Amerika en provincies van Canada verspreid leven.

Op de dag van zijn vertrek werd er in de parochiekerk van Ophoven een mis opgedragen voor het wel lukken van de lange bootreis.

Jan Mathijs Rutten en Maria Hubertina Narinx
Jan Mathijs Rutten en Maria Hubertina Narinx

Het Verenigd Koninkrijk

Napoleon deed troonafstand op 11 april 1814. Door het Verdrag van Parijs op 30 mei 1814, bekrachtigd door het Congres van Wenen op 9 juni 1815, werden België en Nederland samengevoegd als het Verenigd Koninkrijk met als koning Willem I (1772-1843).

De provincie Limburg omvatte drie arrondissementen: Roermond, Maastricht en Hasselt. 60 provincieraadsleden bestuurden de provincie. Voor elk arrondissement was er een arrondissementscommissaris. Charles de Brouckère (1757-1850) was de eerste gouverneur’ van Limburg

De eerste raadszitting onder de Nederlandse tijd spreekt van “Municipalen Raad”. Ze dateert van 28 februari 1816.

In 1818 moest de commissaris van het kanton Maaseik advies geven over de kandidatures voor het ambt van burgemeester zowel voor Kessenich als voor Ophoven met als aanvangsdatum 14 april 1818.

Advies voor Kessenich:

Le monsieur Frans Rutten est le seul qui convient et que l’on puisse présenter; tous les renseignements lui sont favorables.

Advies voor Ophoven :

Le mair actuel demandant à être placé comme sécrétaire le monsieur René Rutten convient le moins mal.

Renier Rutten, geboren te Kessenich op 5 april 1792, huwde op 13 januari 1820 met Johanna Vandewinkel, geboren te Neeritter op 3 december 1796. Renier overleed te Heel op 22 juni 1848. Zijn vrouw Johanna overleed eveneens te Heel op 29 december 1847.

In de gemeente Ophoven baatte Lambert Rutten een steenbakkerij (veldoven) uit, wellicht op de plaats waar nu het teechelhuisje staat. Op 17 juli 1828 leverde hij de stenen die gebruikt werden aan de muur van de kerk van Kessenich.

Op 10 juli 1829 trouwde te Ittervoort Theodorus Rutten, geboren te Kessenich op 7 juni 1804, zoon van Frans en Ludovica Janssens met Anna Catharina Coolen, geboren te Ittervoort op 11 juni 1798, dochter van Hendrik en Maria Steyvers (Hij werd later door zijn dochter vermoord).

De samenwerking tussen Noord en Zuid is nooit denderend geweest. De godsdienstbelijdenis kon geen toenadering in de hand werken: het noorden was overwegend protestants en heel wat toleranter op godsdienstig gebied terwijl in het Zuiden de Rooms-katholieke kerk de machtspositie bekleedde.

Ook de sociaal-culturele achtergronden lagen helemaal anders. Het Noorden behoorden volledig tot de Germaanse wereld: het Nederlands was er zowel de omgangstaal als de officiële taal. Doorheen het zuiden liep de raaklijn tussen de Germaanse en de Latijnse cultuur. Deze laatste had er een duidelijk overwicht verworven. Het Frans was de taal van de leidende kringen (adel, geestelijkheid, burgerij), het rechtswezen, het hoger onderwijs, de kerk enz.

Koning Willem I
Koning Willem I

Koning Willem I voerde een persoonlijke politiek die volledig in de lijn lag van de staatsopvatting van het Verlicht Despotisme zodat alle macht in zijn persoon geconcentreerd lag: hij heerste en regeerde tegelijkertijd.

In februari 1824 werden de Rooms-katholieke lagere scholen die tevoren onder het autonoom beheer van de geestelijke overheid stonden, onderworpen aan de nationale onderwijswetgeving. Dit betekende dat de leerkrachten dienden in het bezit te zijn van het bekwaamsheidsbrevet dat enkel door de staat werd uitgereikt.

In juni 1825 werden ook de Rooms-katholieke middelbare scholen volledig onder toezicht van het rijk geplaatst.

Vanaf 1925 ging de katholieke opinie, aangevoerd door de geestelijkheid, in het verweer tegen Willem I.

Het bevolkingscijfer in het zuiden lag veel hoger dan in het noorden (in 1829 telde de Belgische provincies ongeveer 3.921.000 inwoners tegenover 2.314.000 in de Nederlandse).

In 1828 ontstond de Unie der opposities waarin de katholieke en liberale burgerij gezamenlijk haar grieven en verzuchtingen formuleerde: de invoering van een parlementair stelsel met rechtstreekse verkiezingen, de toekenning van de vrijheid van eredienst, van onderwijs, van vereniging, van taal, van drukpers.

De politieke agitatie vond een vruchtbare voedingsbodem in de sociale ontevredenheid. Sedert 1829 woedde een economische crisis. Vanaf maart 1830 kwam een aantal bedrijven in moeilijkheden. Talrijke gezinnen werden getroffen door werkloosheid en waren aangewezen op liefdadigheid. De ontevredenheid in alle lagen van de bevolking steeg met de dag.

Op 25 augustus 1830 waren te Brussel feestelijkheden gepland bij gelegenheid van de 58ste verjaardag van Willem I. Wegens de woelige sfeer werd het grootste deel van het programma uitgesteld. De opvoering van de “Stomme van Portici”, een opera van Auber, in de Muntschouwburg, bleef echter behouden.

Tijdens de uitvoering van de aria “L’Amour sacré de la Patrie“ kwam de massa in beweging en was de opstand losgebroken. Deze zette zich in alle grote steden zoals in Vlaanderen als in Wallonië verder.

Op 27-28 augustus 1830 had de burgerij de toestand in de opstandige steden onder controle. Het zou aannemelijk geweest zijn indien ze de macht had overgedragen aan de gevestigde lichamen, in eerste instantie aan de regentieraden. Daartoe werden nergens aanstalten gemaakt. Het Nederlands legioen trad niet op. De burgerij bleef de macht in handen houden en zo was de Belgische staat geboren.

Het Voorlopig Staatsbestuur trad in werking op 30 september 1830.

Het eerste Belgische staatshoofd was baron Erasmus Louis de Surlet de Chokier uit Gingelom, geboren te Luik op 27 november 1769. Hij was de eerste regent van België van 25 februari 1831 tot 21 juli 1831 (nationale feestdag). Op deze dag legde Leopold van Saksen - Coburg de eed af als eerste koning van België.

Het koninkrijk van Willem
Het koninkrijk van Willem

Op het Congres te Londen op 9 juli 1831 (Tractaat der XVIII artikelen) werd door de grote mogendheden voorgesteld de provincie Limburg te splitsen in een Belgisch en Nederlands Limburg. Het heeft nog vele jaren geduurd om van alle landen de ondertekening van het tractaat van 9 juli 1831 te bekomen. Dit gebeurde uiteindelijk te Londen op 19 april 1839 (Tractaat der XXIV artikelen).

De geschiedenis heeft bewezen dat deze scheiding een vergissing is geweest. Een hereniging is uitgesloten.

Ontstaan en erkenning van de Belgische staat
Ontstaan en erkenning van de Belgische staat

De Ruttensingel te Maastricht

In ons boek “De Ruttenstam in het Maasland” verschenen in 1973, vermeldden we reeds dat de gemeenteraad van Maasticht bij raadsbesluit van 1 augustus 1927 de benaming “De Ruttensingel” gaf aan een straat in de omgeving van de Tongerse steenweg te Maastricht omwille van de uitzonderlijke verdiensten van drie Rutten-priesters. Het is de bedoeling een licht te werpen op de activiteiten van deze priesters. Twee van de drie priesters met name Martinus Rutten en Frans Xaverius Rutten behoren tot de Kessenich-Ophoven-Sittard tak, terwijl de derde priester en wellicht de meest verdienstelijke afstamt uit de Rutten-familie uit Maastricht.

Over de twee eerste priesters is reeds voldoende geschreven. Daarom beperken we ons tot Mgr. Ludovicus Hubertus Rutten, stichter van de Congregatie der Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.

De broeders van Maastricht

Op 8 december 1809 werd in het gezin van Nicolaas Rutten-Lousberchs, brouwer en brander in de Jodenstraat te Maastricht een zesde kind geboren. Bij het doopsel werden de namen Ludovicus Hubertus gegeven. De moeder in het gezin stierf vroeg zodat de opvoeding toevertrouwd werd aan de grootmoeder. Vader Nicolaas was een bemiddeld man.

Mgr. Louis Rutten
Mgr. Louis Rutten

Louis begon zijn priesterstudies te Rolduc, zette ze voort te Luik en beeindigde ze op het kasteeltje te Herlaer bij ’s-Hertogenbosch. Hij werd door Mgr. Van Wyckerslooth op 25 maart 1837, feest van Maria Boodschap, te Oegstgeest priester gewijd. Op 4 april 1837 droeg hij in de Maastrichtse Sint-Mathijskerk waar hij gedoopt was, zijn eremis op.

Hij stelde zijn priesterschap in het teken van hulp aan de armen en verlatenen met het hoofdaccent op het onderwijs voor deze doelgroepen.

In de “Omgang” van de St.-Servaaskerk te Maastricht begon hij kathechismus-onderwijs te geven. Met drie kinderen begonnen, groeide al spoedig het getal zo aan dat de groep moest gesplitst worden. In eigen huis gaf hij aan jeugdigen avondonderwijs. Toen begon hij met het oprichten van bewaarscholen; de eerste was de “Roode Leeuw” in de Bogaardenstraat. Een tweede “het Conventje” in de Ridderstraat. Een schoenmaker en zijn dochter “bestuurden” de “Roode Ridder” en een tweetal jongens van goede wil deden hetzelfde in de Ridderstraat. Verloning, kosten van onderhoud, alles werd betaald door Rutten. Hij zocht naar medewerkers en vooral kloosterlingen.

Hij klopte aan bij Moeder Elisabeth, de stichteres der Zusters “Onder de Bogen” maar zonder succes. Toen wendde hij zich tot pastoor Zwijsen in Tilburg die daar de Zusters van Liefde had gesticht. Ook op deze hulp kon niet gerekend worden. Op een gegeven ogenblik stapte hij te voet naar de Broeders van Liefde te St.-Truiden. Ook hier kreeg hij geen hulp.

Klooster van de Broeders van Maastricht

In St.-Truiden bleef hij overnachten bij de Paters Minderbroeders. Rutten gaf de moed niet op. Op de schrikkeldag van 1840 stuurde pastoor Zwijsen van Tilburg twee postulanten naar Maastricht. Beiden kwamen uit Noord-Brabant. Het waren Jacobus Adrianus Hoecken en Charles van Weert. Deze laatste zag af van zijn opdracht. Rutten en Hoecken werkten onverdroten verder. Hoecken kreeg de kloosternaam broeder Bernardus en schreef ook de regel voor om alzo in 1841 met een ontwerp van tekst klaar te komen. Intussen waren aspirant-broeders ingetreden en de congegratie was gestart onder de benaming Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, ook wel de Broeders van Maastricht of van de Beyart.

Het klooster van de Broeders van Maastricht
Het klooster van de Broeders van Maastricht

Reeds in 1837 was Rutten de drijfveer voor de oprichting van de Liefdezusters van de H. Carolus Borromeus, beter bekend als de zusters Onder de Bogen. In het zelfde jaar had hij voor jongens een catechismusuurtje ingericht in een lokaal ter zijde van de lange gang van St. Servaas. Een jaar later stichtte hij in de Capucijnenstraat een bewaarschool voor 150 jongens en meisjes tussen drie en zes jaar. Korte tijd nadien namen de Broeders van Maastricht de bewaarschool over.

Op 23 juli 1843 opende Rutten een bewaarschool voor meisjes in een huis in de Jodenstraat, gelegen tegenover zijn voormalig ouderlijk huis. De organisatie was in handen van zijn ongehuwde oudste zus Antoinette.

Heel hun leven heeft de familie Rutten uit Maastricht zich ingezet om hulp te bieden aan de armen.

Priester Rutten was vele jaren depressief en verbleef in een psychiatrische instelling in Tienen waar hij ook stierf op 16 december 1891.

Bidprentje van mgr. Louis Rutten
Bidprentje van mgr. Louis Rutten

Even blijven we stilstaan bij de twee priesters die tot de Kessenich-Ophoven-Sittardstam behoren:

Franciscus Xaverius Rutten

Franciscus Xaverius Rutten, geboren te Sittard op 30 januari 1822, priester gewijd op 27 augustus 1848, leraar aan het seminarie te Rolduc op 1 oktober 1848, professor theologie aan het groot Seminarie te Roermond op 30 september 1859, pastoor deken te Maastricht op 22 maart 1868, huisprelaat van de paus, kanunnik van de cathedraal van Roermond, stichter van de processies en ommegangen, de voorlopers van de kroningsfeesten. Hij overleed te Maastricht op 26 februari 1893.

Martinus Rutten

Martinus Rutten, geboren te Sittard op 12 september 1858, priester gewijd in 1883, kapelaan te Pey, St.-Servaas Maastricht en Munstergeleen, rector in het Weeshuis en gesticht “Nazareth” te Maastricht, pastoor te Limbricht en Venray (1919). Hij overleed te Limbricht op 31 december 1920.

Anne Rutten

Anne Rutten was geboren te Lanaken op 24 mei 1898, gehuwd met Fernand Dupéray. Haar vader Georges Rutten, was een geboren Maastrichtenaar maar hij verhuisde naar Hasselt. Hij sprak met zijn kinderen Maastrichts, de taal die Anne steeds is blijven spreken. Zij overleed te Waterschei op 21 maart 1981.

Kunstschilderes Anne Rutten behoort tot de Ruttenstam van Maastricht. Zij schilderde onder meer de portretten van de Belgische koninklijke familie.

Wij lezen in het familieblad “Marutgen” (Maastrichtse Ruttengenealogie van jaargang I –1966 (pagina 88) het volgende:

Kunstschilderes Anne Rutten heeft van 16 augustus tot 11 september 1966 in de galerij Verwee te Knokke-Zoute een groots-opgezette tentoonstelling gehouden van portretten, bloem- en genrestukken. Talrijke familieleden hebben er prijs opgesteld deze tentoonstelling te bezoeken en hun bewondering uit te spreken voor het grote talent van deze befaamde telg van ons geslacht.

Zij hebben kunnen vaststellen hoe het publiek zich verdrong in de stemmige zaal, en hoe druk Anne en Fernand Dupéray-Rutten het hadden om iedereen te woord te staan en uitleg te verstrekken. Dit heeft hen niet belet elk binnenkomend familielid hartelijk te verwelkomen en rond te leiden.

Anne Rutten
Anne Rutten

Hierna volgen twee uittreksels uit de Belgische pers over Anne Rutten:

Uit K.U.V. (orgaan van de Katholieke Universitaire Vrouwenvereniging)(1966):

“Bij Anne Rutten gelukken de portretten altijd, omdat zij klassiek blijft en niets aan het toeval overlaat; zij beheerst met koel verstand het gevoel en de inspiratie. Zij weet uit het complexe wezen dàt naar voren te brengen, wat het op zijn voordeligts doet voorkomen, de schoonste karaktertrek, het edelste gevoel en de sympathieke blik”

Uit “”Vrouw in middenstand en burgerij”, Maandblad, Brussel 1966):

“Bij Anne Rutten komt elk model op zijn best voor, niet stijf op zijn zondags, maar natuurlijk en levendig..———Deze kunstenares doorgrondt de zielen. Zij gelooft in het mooie en edele in elke mensenziel en weet dit op te wekken naar de oppervlakte te halen.—–Zij is een artiste met een vaste techniek die niets aan het toeval overlaat, maar zich zelf en de inspiratie beheerst.——Haar werk is klassiek, traditioneel maar zonder verwaandheid en heel mooi, totaal bevredigend.”

Tentoonstelling Anne Rutten

*Op zaterdag 9 oktober 1971 hield Anne Rutten een tentoonstelling van haar werken in galerij Baron René Steens aan de Louisalaan in Brussel.

Met recht mag gezegd worden dat in Brussel andermaal een familiereünie tot stand kwam, zij het dan in een meer kunstrijke sfeer. Ik ben geen kunstcriticus maar wat ik met mijn leken ogen heb mogen aanschouwen, was voor mij een openbaring. Niet minder dan 66 van Anne’s werken en studies waren verzameld in een omgeving die niet beter gekozen had kunnen zijn. Het zou ons te ver voeren om alle kunstwerken op te sommen, maar het geheel muntte uit door kleurenpracht en realiteit.*

Niet onvermeld mag blijven de prima geserveerde “drankjes” en de geraffineerd uitgekozen hapjes, die uiteraard de sfeer daadwerkelijk verhoogden en de kunstgewrochten een nog mooier aanzien gaven!

Een zo begaafde kunstenares moet een enorm plezier in haar werk hebben en derhalve een tevreden mens zijn. In een vertrouwelijk “tête” à tête” onthulde Ann mij dat ze “even” de zestig was gepasseerd en dat ze er toch zo langzamerhand begint te denken het wat rustiger aan te doen! Wij hopen nog vaker naar Brussel te mogen komen!

Anne, hartelijk dank voor het gebodene, het was in één woord: af.

Familieblad Rutten – Marutgen –Oktober 1966 en januari 1971 –

Bidprentje van Anne Rutten
Bidprentje van Anne Rutten

Geraadpleegde bronnen

  • Belgisch Instituut voor voorlichting en documentie, Montoyerstraat 3, Brussel
  • Priesters en religieuzen behorend tot de familie Rutten – 1999
  • In honderd jaren – Broeders van Maastricht – Broeder Hyacintus
  • De Ruttenstam in het Maasland
  • Marutgen – Maastrichtstse Rutten Genealogie

Viering Mgr. Rutten in 1927

De halve Limburger Pater Rutten

Gemeente Dendermonde – akte van geboorte

Ten jare duizend acht honderd vijf en zeventig, den elfsten van de maand augustus ten tien ure voormiddag voor ons Honéré Firmin Limpens, schepen, bij akte van des zes en twintigste september des verledenen jaars gedelegueerden ambtenaar van den burgelijken stand van de stad Dendermonde, provincie Oost-Vlaanderen is gekomen Joannes Cornelius Rutten, oud zes en dertig jaren, Stedelijken Secretaris, geboren te Bilzen/Limburg en hier ter stede gevestigd in de Zwarte Zustersstraat, dewelke ons vertoond heeft een kind van het mannelijk geslacht, geboren te Dendermonde op gisteren ten zes ure des voormiddags van hem verklaarder en van Maria Phillipina Horta, oud een en twintig jaren, particuliere, geboren te Gent zijn wettige huisvrouw, alhier met wonende en waaraan hij verklaard heeft te willen geven de voornamen Georges Albert Jan Marie.

Deze vertooning en verklaring gedaan in tegenwoordigheid van, Franciscus Demunck, oud twee en dertig jare, commissaris van politie Petrus Cornelius Van den branden, oud acht en zeventig, bureelhoofd ten stadhuize, beide alhier wonende.

En hebben de vader en de getuigen met ons, deze akte, na voorlezend ondertekend.

Getekend F. De Munck, Vandenbranden, Rutten J. Limpens

Georges voltooide zijn middelbare studies aan het college van Dendermonde. Voor het beëindigen van zijn humaniora, deelde hij zijn moeder mee dat hij van zins was in het klooster te treden. Zijn moeder vond deze beslissing wat vroegtijdig want hij was nog maar 16 jaar. Vaststaand feit was dat zij hem begeleidde in de richting van het priesterschap.

Er werd zelfs een kleine familieraad bijeengeroepen waarop de directeur van het College van Dendermonde eveneens aanwezig was en die zich borg stelde voor de ernst en de waarachtigheid van zijn roeping. Naar het einde van zijn humaniorastudies stelde zich de vraag tot welke orde zou hij zijn intrede doen. Om aan zijn twijfels een einde te stellen volgde hij een retraite in verschillende religieuze orden.

Uiteindelijk werd het op 20 november 1890 de orde der predikheren van de H. Dominicus op grond van de volgende motivering. De regel van Sint Benedictus verzoende het best de kloosterlijke strengheid met die graad van vrijheid die onmisbaar is voor de predikheren wier zending erin bestaat voort te zetten waarmee leerlingen van Chistus werden belast “Gaat en onderwijst alle volkeren” Ik voel de grote behoefte om het volk naderbij te leren kennen. Het spreekt van zelf dat, hoe meer ik ermee in aanmerking kom, hoe meer ik het ook kan dienen kan.

Hij koos als kloosternaam “pater Ceslas”.

Tijdens zijn theologiestudies volgde hij tegelijkertijd de pas gestichte School voor sociale en politieke weterschappen aan de universiteit te Leuven. Hij behaalde de titels van magister in de goedgeleerdheid en doctor in de sociale politieke wetenschappen. Deze laatste titel behaalde hij op het proefschrift ”Nos grèves houillères et l’action socialist”.

Op 23 februari 1898 werd hij priester gewijd. Bij deze gelegenheid gaf hij te kennen dat hij mijnwerker wilde worden. Zijn studies hadden hem ervan overtuigd dat onder de arbeiders de mijnwerkers het meest te beklagen waren. Vandaar zijn besluit om mijnwerker te worden. Zijn prior was er niet mee akkoord, evenmin als zijn provinciaal. Van de generaal in Rome kreeg hij het “ja” woord om naar de mijnen te trekken.

Gezien er in Limburg rond 1898 nog geen koolmijnen waren, trok hij naar de Borinage waar hij gedurende acht maanden als mijnwerker werkzaam was. Tijdens deze perioden braken er twee stakingen uit. De eerste staking had betrekking op het arbeidsreglement dat ingevoerd werd zonder dat de mijnwerkers enige inspraak hadden gekregen. De tweede staking had als inzet een loonsverhoging van 20 %.

Pater Rutten daalde als eerste priester-arbeider op regelmatige tijdstippen met de kolenhouwers in de schachten om mee te hakken. Zo kreeg hij ook de gelegenheid van de mijnwerkers zelf te vernemen in werkelijke omstandigheden zij hun brood moesten verdienen. Vooral op hygienisch gebied waren er veel klachten. Badinstallaties waren er niet. In 1904 stichtte hij te Gent het Algemeen sekretariaat der Christelijke Vakverenigingn waaruit nadien het Algemeen Christelijk Vakverbond (A.C.V.) en het Algemeen Christelijk Werkersverbond (A.C.W) ontstonden.

Eveneens in 1904 richtte hij de Sociale Weken op die de sociale en geestelijke vorming van militanten, vrijgestelden en sympathisanten der christelijke arbeiders nastreefden.

Bij het tienjarig bestaan van het Algemeen Sekretariaat (circa 10.000 leden in 1904, boven de 100.000 leden in 1914) schreef Frans Van Cauwelaert in “Ons Volk ontwaakt”:

Men kan zich licht voorstellen met hoeveel hindernissen Pater Rutten gedurende zijn tienjarige strijd te kampen heeft gehad. Het veel onlieve dat men hem openlijk of bedektelijk te vernemen gaf, zou meer dan eens bij velen de gal hebben doen keren. Hij bleef immer even geduldig, blijmoedig, maar ook beslist. Voor hem die een priester of een ordeling is, was het dubbel moeilijk om, tegelijk zijn onafhankelijkheid te verdedigen naar boven toe, en het vertrouwen te vestigen in hem naar beneden. Op dit ogenblik mag men getuigen dat het verenigingsrecht der arbeiders gewonnen spel heeft.

In de nacht van 4 op 5 augustus 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit.

In 1915 gaf kardinaal Mercier de opdracht aan Pater Rutten om naar Amerika te vertrekken en aldaar verslag uit te brengen over de panische toestand waarin België zich bevond. De opdracht was duidelijk: Amerika moest hulp bieden en zo vlug mogelijk.

Het probleem was om in Nederland te geraken. De elektrische draad belette dit en het was geen sinecure om er door te geraken.

De draad die aangelegd was van Vaals tot Zeeuws-Vlaanderen over een afstand van 180 km, had een spanning van ongeveer 2000 volt.

Een ganse week bespiedde pater Rutten van dichtbij de draad te Putte. Drie oudere Duitse wachters hebben hem uiteindelijk geholpen om kruipend onder de draad in Nederland te geraken.

Op deze wijze kwam hij terecht in Engeland waar hij zich bekommerde om de Belgische werklieden aldaar.

Toen de deportatie van Belgische werklieden naar Duitsland een aanvang nam, werd hij door kardinaal Mercier teruggeroepen. De Engelsen die weet hadden van de persoonlijkheid van Pater Rutten, zorgden voor zijn terugreis. Drie torpedojagers begeidden het schip dat hem naar de hoek van Holland voer.

In de zitting van 27 december 1921 werd Pater Rutten als gecoöpteerd senator gekozen en bleef dit tot februari 1946. Dat is 25 jaar lang. Hij werd 20 maal aangeduid als verslaggever en kwam tussen in verschillende besprekingen: 244 keren.

Van 1920 tot 1927 had Pater Rutten een leergang georganiseerd over sociale vraagstukken in het Groot-Seminarie te Mechelen.

Toen Paus Pius XI in 1931 zijn encycliek “Quadragesimo Anno” publiceerde, schreef Pater Rutten zijn meest gekend werk ”La doctrine de l’Eglise”.

Bij het ouder worden verminderde ook zijn intellectuele energie.

De laatste vijf jaar van zijn leven bewoog hij zich om gezondheidsredenen niet meer in het openbaar leven. Hij overleed te Brussel op 26 mei 1952.

Twee uitspraken over Pater Rutten:

Prof. Dr. C. Van Gestel, dominicaan, schreef over Pater Rutten in de Gids op Maatschappelijk Gebied van september 1952:

Wanneer God iemand tot een bijzondere taak en zending roept, rust hij die uitverkorene uit met alle vereiste gaven en talenten.

Pater Rutten was voorbestemd door Gods voorzienigheid om de emancipator te worden van de arbeidersstand in België bij middel van de christelijke arbeidersbeweging.

Daarvoor had God hem rijkelijk bedeeld met gaven van geest en hart, van natuur en bovennatuur.

Z.E.P. Mag. Dr C. G. Rutten O. P. (1875-1952)
Z.E.P. Mag. Dr C. G. Rutten O. P. (1875-1952)

J. Bastijn schreef in de Gids op Maatschappelijk Gebied van september 1952:

Nooit heeft Pater Rutten het overtuigingswerk om de burgerij tot betere sociale gevoelens te brengen, opgegeven. Hij liet aan anderen de verantwoordelijkheid voor de sociale en andere organisaties en behield voor zich het uitstralen van de sociale gedachten waaraan hij zich gewijd had, in middens die niet tot de arbeidersstand behoorden.

Geraadpleegde bronnen

  • De Gids op Maatschappelijk gebied—september 1952
  • Dagblad Het Volk 9 augustus 1975 – Fr. Hugaerts
  • De Encyclopedie van het Katholicisme

De familie Rutten te Clermont-sur-Berwinne

(Het land van Herve)

De familie Rutten uit het Maasland kende in de loop der tijden een grote verbondenheid met de kerk als instelling. De talrijke priesters, religieuzen en leden van de kerkfabriek in haar rangen zijn hiervan een levend bewijs. Toen de Kerkelijke Staat in de periode 1860 – 1870 in gevaar kwam en Paus Pius IX het leger van de pauselijke zouaven oprichtte, was de familie Rutten uit Geistingen present met Renier Cornelis Rutten, Jaak Rutten, Lambert Rutten, (mijn grootvader) Renier Henckens, Jan Henckens en Herman Vandevenne.

Renier (René) Rutten, zoon van Renier Rutten en Petronella Zegers, vertrok op 6 november 1863 samen met zijn neef Herman Vandevenne naar Rome om in dienst te treden van het pauselijk leger. (Hij was op dat ogenblik 23 jaar) Op 15 november 1865 liep zijn contract ten einde en keerde hij met eervol ontslag terug naar Geistingen.

Op 22 november 1866 onderschreef hij een nieuwe verbintenis. Als sergeant-majoor nam hij op 3 november 1867 deel aan de slag van Mentana. Op 14 december 1867 werd hij bevorderd tot onderluitenant

Na de overgave van het pauselijk leger in 1870 leerde hij zijn vrouw Elisa Joseff kennen met wie hij in 1872 te Clermont-sur-Berwinne in het huwelijk trad en zich aldaar vestigde.

Naast zijn beroep van landbouwer was hij in Clermont zeer actief in de plaatselijke samenleving en in de politiek. Hij werd burgemeester van Clermont gedurende 33 jaar, provinciaal raadslid voor het kanton Aubel gedurende 10 jaar volksvertegenwoordiger, voorzitter van het katholiek Schoolcomiteit, ondervoorzitter van de katholieke Bond van Verviers, officier in de Leopoldsorde, Ridder van de Sint-Sylvesterorde, vereerd met het Mentanakruis en de onderscheiding Bene Merenti, het Burgerlijk Kruis en de Herinneringsmedaille van Koning Leopold II.

Elisa Joseff - Renier Cornelis Rutten
Elisa Joseff - Renier Cornelis Rutten

Hij overleed te Clermont op 10 augustus 1918. Zijn vrouw Elisabeth Joseff stierf op 4 april 1926, eveneens te Clermont.

Het gezin telde 5 kinderen maar zoals we verder zullen zien, zijn er geen stamvoortzetters.

Jozef Rutten, geboren te Clermont op 18.10.1874, trad op 7 september 1894 toe tot de Congregatie van Scheut. Hij doceerde wijsbegeerte aan de jonge scheutisten in opleiding.

In 1901 vertrok hij als missionaris naar China, meer bepaald naar midden Mongolië dat hij op kaart zette. De zetel van de Scheutisten was gevestigd te Siwantze. Op het algemeen kapittel van juni 1920 werd Rutten verkozen tot algemeen overste van de Scheutisten. Onder zijn generalaat werd in de Congregatie heel wat verwezenlijkt.

Nieuwe gebouwen werden opgericht zowel in Scheut als in de missiegebieden. Hij redde het leven van heel wat jonge missionarissen in Mongolië door de bestrijding van de vlektyfus. Pater Rutten heeft van de vier dialecten de gemeenschappelijke stam opgezocht om deze in een nieuwe taal neer te schrijven namelijk de Romanisation Interdialectique.

Scheutist Jozef Rutten
Scheutist Jozef Rutten

Van 1937 tot 1945 was het vicariaat Siwantse bezet door de Japanners. De missionarissen werden vanaf 1943 geïnterneerd in het kamp van Weihien. Pater Rutten werd eveneens door de Japanners in verplichte residentie gehouden tot het einde van de bezetting.

Op het einde van 1946 werd Rutten zwaar ziek om in 1947 terug te keren naar België. Hij stierf te Pau in Frankrijk op 18 maart 1950 en ligt begraven op het kerkhof van Zuun (Scheut).

Martin Rutten, geboren te Clermont-sur-Berwinne op 12 juni 1876, behaalde met grote onderscheiding het diploma licentiaat rechten en was verbonden aan de balie van de rechtbank van Verviers. Op 22 juli 1901 begon hij als substituut bij de rechtbank van eerste aanleg te Boma (Belgisch Congo) en nadien in dezelfde hoedanigheid aan de rechtbank en de krijgsraad te Lomami en Lukafu. Bij besluit van 24 oktober 1904 werd hij benoemd tot procureur van de Staat.

Bij besluit van 7 november 1910 werd hij benoemd tot procureur-generaal bij het hof van beroep te Elisabethstad. Bij besluit van 29 oktober 1923 werd hij bevorderd tot gouverneur-generaal van Belgisch Congo. Hij huwde op 13 december 1923 met Yvonne Vanderheyden en op 25 april 1926 werd de dochter Martine geboren.

Martin Rutten
Martin Rutten

Martin overleed te Brussel op 31 december 1944.

René Rutten geboren te Clermont sur Berwinne op 18 september 1878 voltooide zijn humaniorastudies en zijn wijsbegeerte aan het Klein-Seminarie te Sint-Truiden. Op 24 augustus 1901 werd hij door bisschop Doutreloux priester gewijd.

René Rutten
René Rutten

Omwille van zijn intelligentie studeerde hij vier jaar aan het Belgisch college te Rome en in 1902 behaalde hij zijn doctoraat in de theologie. Aan de universiteit van Leuven studeerde hij sociologie. In 1904 werd hij professor in wijsbegeerte aan het seminarie te St. Truiden om drie jaar later directeur te worden van het college St.-Quirin te Hoei. Op 23 september 1912 stapte Rutten over naar de Jezuïeten en verbleef 20 jaar te Xhovémont met als grootste activiteit het prediken van missies en het houden van retraites.

In 1941 keerde hij terug naar het college St.-Servais te Luik. Van Mgr. Kerkhofs kreeg hij opdracht de verschijning te Banneux te bestuderen. Hij slaagde hierin cum laude met zijn boek “Histoire critique des apparitions de Banneux” dat 616 pagina’s telt.

René Rutten overleed te Luik op 30 juli 1948.

Hubert Rutten, geboren te Clermont op 20 december 1880, huwde met Maria Teller, geboren te Clermont op 17 november 1884. Hubert baatte te Clermont La fromagerie des Clairs Monts uit, een zeer bekende kaas in het land van Herve.

In hun gezin werden zes dochters geboren:

Het gezin Hubert Rutten-Teller
Het gezin Hubert Rutten-Teller

Marie Rutten, geboren te Clermont op 9 oktober 1908, huwde met Leon Pirenne

Marguerite, geboren te Clermont op 19 augustus 1910, trad in bij de Zusters van Liefde onder de kloosternaam soeur Elisabeth

Hélène, geboren te Clermont op 10 januari 1913, deed haar intrede bij de religieusen de l’Instruction Chrétienne onder de kloosternaam soeur Marie-Renée

Jeanne, geboren te Clermont op 18 augustus 1915, huwde met Camille Domken

Germaine, geboren te Clermont op 5 april 1920, verpleegster

Yvonne, geboren te Clermont op 16 september 1923, huwde met Auguste Pierre

Rutten Marie Hubertine Elisabeth, geboren te Clermont op 6 maart 1880, trad op 8 december 1907 in bij de zusters van Liefde. Op 1 augustus 1912 behaalde zij het diploma van onderwijzeres. Vele jaren stond zij in het onderwijs onder andere in de normaalschool van Borgloon. Op 19 oktober 1963 overleed zij te Borgloon.

De elektrische draad gedurende de Eerste Wereldoorlog

Ieder parochieherder was na de Eerste Wereldoorlog verplicht een verslag te maken over de gebeurtenissen in zijn parochie tijdens de oorlogsjaren.

Heel wat gegevens die hierna volgen, heb ik gehaald uit deze verslagen. Trouwens de Antwerpse professor Karel Verelst heeft deze verslagen gebundeld in een boek (twee delen) “Verslag Eerste Wereldoorlog” te raadplegen in de provinciale bibliotheek te Hasselt.

Op 4 augustus 1914 vielen de Duitsers via de Bres van Losheim, een vallei van 11 km ten Noorden van de Schnee-Eifel (grens Duitsland-België ) met veel wreedheden ons land binnen. Zo werden in Diest 600 huizen verwoest; 23 burgers werden terechtgesteld.

De opmars van de Duitsers verliep met veel tegenstand van het Belgisch leger. Aan de eerder kleine rivier de IJzer werd een heroïsche halt toegeroepen aan het machtige Duitse leger van Keizer Willlem II.

Nederland bleef neutraal. Vanaf het begin van de oorlog probeerden Belgische vrijwilligers via Nederland achter het front aan de IJzer te geraken. Smokkelen met Nederland vierde hoogtij en de spionage gebeurde eveneens via onze Noorderburen.

De elektrische draad
De elektrische draad

De Duitsers wilden aan dit drievoudig euvel een halt toeroepen en besloten vanaf 1915 op Belgisch grondgebied, dicht bij de Nederlandse grens, van Vaals tot Zeeuws-Vlaanderen over een afstand van 180 km, een draad aan te brengen met een spanning van ongeveer 2.000 volt. De versperring bestond uit een tiental stroomdraden boven elkaar en opgehangen aan porceleinen “potjes” die een diameter hadden van 4.5 cm. De potjes waren bevestigd aan telefoonpalen. De draden waren getrokken 20 cm van elkaar. Zij werden om beurten elektrisch geladen. De aanvang van deze lading gebeurde op 14 augustus 1916.

De Duitse schildwachten hadden opdracht op alles te schieten wat zich in de omgeving van de draad bewoog. Op regelmatige afstanden waren er houten poorten waardoor burgers en militairen met de toelating van de schildwachten de grens naar en van Nederland konden passeren. Heel wat grensfamilies uit Nederland en België kwamen op afgesproken tijdstippen naar de draad om het nieuws aan elkaar uit te wisselen.

Allerlei middelen werden uitgezocht om de elektrische draad te neutraliseren. Houten tonnen zonder bodem werden tussen de draden gespannen. Tunnels werden gegraven, ladders overstegen de draden. Met rubberhandschoenen en grote tangen werden de draden doorgeknipt. De meest efficiënte wijze om in Nederland te geraken was het omkopen van de Duitse schildwachten. Vooral smokkelaars waren daarin zeer gespecialiseerd.

In zeer veel gevallen liep het wel eens mis en vielen dodelijke slachtoffers. In Moelingen was de omgekochte Duitse soldaat wat al te behulpzaam en bleef zelf dood.

In Neerharen werd een Belg en een Duitser aan de draad gedood. Twee inwoners van Ophoven, zoon en dochter van Jozef Brouns vonden de dood aan de draad te Molenbeersel.

Pastoor Hamoir van Ophoven schreef op 17 april 1919:

In mei 1916 werd hier (Ophoven) langs de Maas een grensversperring aangelegd. Twee inwoners werden aan de grens van Molenbeersel geëlektrocuteerd: de zoon en de dochter van Jozef Brouns; deze dochter was gehuwd en woonachtig te Brussel doch kwam van tijd tot tijd voor spionage bij haar vader te Ophoven logeren.

Kessenich

Pastoor Geusens schreef:

De elektrische draad omsloot het grootste deel van de parochie. Ten Oosten, Noorden en N. Westen dreigde het oorlogsgevaar. Negen personen zijn aan den draad gebleven: drie Belgen, drie Hollanders, twee Duitsers en een Rus.

Vrouw Jan van den Inde werd, toen zij wilde vluchten, er door bedwelmd en zoo door de vervolgers opgenomen en gevangen.

Piet Henkens uit Maaseik (een geboren product van Kessenich) schreef in zijn boek “Geschiedenis van Kessenich” pag. 166 het volgende over de elektrische draad:

1917 -Theresia Dautzenberg, gehuwd met Jan Vandeninde uit de Hees, gehucht van Kessenich, verstrekte inlichtingen aan de geallieerden en hielp verscheidene personen door de elektrische draadversperring die overigens niet ver van haar woning in de Hees was aangebracht.

juli 1917

De 20-jarige zoon van veldwachter Tonnaer uit Thorn, die over de draad wilde springen is op slag dood gebleven. Hij werd hier op het kerkhof begraven.

De Duitsers hadden reeds geruime tijd geleden toegestaan dat de dorpelingen een tijdje mochten praten met hun Nederlandse buren aan de andere kant van de elektrische draadversperring.

Een van deze dagen lieten de Moffen zich van hun slechtste zijde zien. Zonder verwittiging werden plotseling alle personen die aan de draad te praten stonden opgepakt en meegevoerd. Na het betalen van een zware geldboete werden ze weer vrijgelaten. Het is goed te zien dat het de moffen alleen maar om geld te doen is. De pachter van Doolenhof (boerderij in de Hees van Kessenich) is moeten vertrekken omdat de moffen in de karrenschob (overdekte bergplaats) brieven gevonden hadden die bestemd waren voor onze dappere jongens aan het front.

november 1917

Zekere Luysmans sprak in de nabijheid van de draad met twee Duitse soldaten. Plotseling weerklonk een geweerschot en suisde er een kogel langs zijn oren. Daarna daagden twee Duitse gendarmen op en werd Luysmans en de tweee “Feldgrauen” in de kraag gevat. ”Gerade aus” ging het naar het pensionaat idem te Maaseik. Gelukkig is Luysmans met de schrik en 20 Mark vrijgekomen.

De bevolking heeft moed te koop en verwacht binnen niet al te lange tijd de eindzege. De Duitsers daarentegen zien het niet meer zitten. Vele soldaten zijn al via de draadversperring gevlucht.

Juni 1918

Naar het schijnt gaan de moffen de elektrische draad nog verhogen. Voorheen waren er drie rijen prikkeldraad van elk 1,50 m hoogte en elk 1,50 m van elkaar geplaatst. Daarna werd de versperring verhoogd tot 3 m. Nu zouden ze er nog 1 m bij willen doen. Niettegenstaande de draad en de strenge bewaking ontsnapten nog regelmatig bewoners uit ons dorp of omgeving.

Stokkem

Aan de draadversperring van Stokkem waren drie Duitse wachtposten: Molenveld, Boyen en Negenoord. Dit kan afgeleid worden uit het facturenboek van Theodoor Guffens-Porteners, pompenmaker te Stokkem. Dit facturenboek bevindt zich nu bij de kleinzoon Theo Guffens in Bree.

1 maart 1916
Pomp gemaakt aan het Maashuis bij de Duitse wacht, afgebroken en weer geplaatst - nieuwe zuiger en leer - nieuwe vleugels en gerepareerd 29,30 frank
Voor de Duitschers
11 januari 1916:
wacht Negenoord een lamp 1,55 frank
17 januari 1916:
2 kilo carbure voor de Duitschers 2,70 frank
24 januari 1916:
carbuurlamp gemaakt - wacht Boyen 0,50 frank
28 januari 1916:
een petrollamp
voor de wacht Molenveld 1,55 frank
22 september 1916:
een doorslag of zij 2,00 frank
16 oktober 1916:
kolenschup 0,55 frank
stoofijzer 1,25 frank
twee emmers 3,50 frank
koffieketel 7,75 frank
twee kommen 3,00 frank
potlepel 0,80 frank
schuimlepel 0,80 frank
27 december 1916
3 waschbakken 3,75 frank
totaal 29,70 frank
Voldaan 4 mei 1917
Voor Duitsche wachten
14 september 1918:
pomp aan wacht twee gemaakt
nieuw leer op slot 17,50 frank
27 maart 1918:
pomp bij Jennen in de Boeien wacht
nr. 1 afgebroken en gemaakt
nieuw loden buis en leer op slot 27,00 frank
44,50 frank
Voldaan 22.3.1918

Opitter

Mathieu Daemen uit Maaseik (afkomstig van Opitter?) heeft bij het opstellen van “De stam Daemen” een korte tekst overgenomen over een gebeurtenis in Opitter tijdens de Eerste Wereldoorlog:

In de nacht van 21 en 22 februari 1918 kwam een auto ronkend uit de richting van Bree en hield stil op ons dorpsplein. Twee burgers, geheime Duitsche spioenen, stapten uit, vergezeld van drie soldaten. Twee Duitsche gendarmen per velo stonden op de kruisweg Neerglabbeek-Tongerloo.

Dien nacht zijn met ruw geweld en onder de grofste mishandelingen aangehouden en weggebracht naar de gevangenis te Bree en van daar naar Hasselt:

Joseph Cornelissen met zijn twee zonen Jacques en Jean, Joseph Bauduin, veldwachter, Adriaan Fiten, Leon Lemaire, Pieter Jan Domen, molenaar, met een half dozijn vreemdelingen die over den draad wilden gaan.

Beschuldiging: spionage en overbrenging over den draad

In Hasselt in de gevangenis gezeten en in juni veroordeeld: Joseph Cornelissen ter dood en de anderen tot verschillende jaren gevangenis en dwangarbeid en dien ten einde naar Vilvoorde weggevoerd. Pieter Jan Domen heeft zijn straf kunnen uitdoen te Hasselt, drie maanden prison en 3.000 mark boete betaald. De doodstraf van Joseph Cornelissen is veranderd in dwangarbeid.

Opitter, 10 april 1919
J. Nijs, onderwijzer
W. J. Erkens, pastoor
Henri Ulenaers

Pieter Jan Domen zat in de gevangenis te Hasselt toen zijn jongste zoon Leo priester werd gewijd op Paasmaandag 1 april 1918.

Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin. Brussel

Bestuursafdeling Oorlogsgetroffenen nr. 33/A.T./L.S.VC/ 16531

Attestatie van wegvoering

Het blijkt uit een vonnis van 23.10.1922 van de Rechtbank voor Oorlogsschade van Tongeren dat de genaamde Domen Peter Jan, geboren te Gruitrode de 3de december 1847 en destijds wonende te Opitter, Dorpstraat 66, door de Duitsers werd aangehouden op 21 februari 1918 en weggevoerd naar Hasselt waar hij opgesloten bleef tot 29 augustus 1918.

Hij volbracht deze deportatie ten volle in de voorwaarden van artikel 7 van de bij Koninklijk Besluit van 19 augustus 1921 samengeordende wetten.

Er werd hem een vergoeding van 300 fr toegekend uit hoofde van zes maanden wegvoering.

Namens de minister

De bestuurssecretaris

R. Pluym

Vonden de dood aan de draad te

Molenbeersel

Burger Grave Dieu Donné 26 mei 1916
Burger – schilder 16 juni 1916
Pieter Mathijs Leeters 13 augustus 1916
Rus – soldaat 15 augustus 1916
Rus – soldaat? (in burger gekleed) 29 september 1916
Rus – soldaat (in burger gekleed) 8 juni 1917
Spoorwegbediende van Luik 13 juni 1917
Rus – soldaat (in burger gekleed) 11 juli 1917
Jan Engelen – Bree 24 juli 1917
Gelis Neeroeteren 7 september 1917

Lommel

13 Belgen en 2 Fransen

Achel

Het Geschied- en Heemkundig tijdschrift “De Achelse Kapetulie” schreef in nr.3 - December 1988 het volgende over de elektrische draad:

Wij hebben de eer gehad de eerste elektrische grensversperring van West-Europa bij ons te zien trekken. Ze liep langsheen de Nederlandse grens van Maastricht over de Maasover tot Maaseik en zo naar Zeeuws Vlaanderen, waar ze over de schorren werd getrokken. Ze maakte van België een groot concentratiekamp en doet denken aan het afschuwelijke IJzeren Gordijn dat Oost-Duitsland momenteel nog van West-Duitsland afgrendelt.

Waarom die “draad”?

Vanaf het einde van 1914 was een stellingenoorlog die 4 jaren zou duren. Slechts nu en dan maakte men terreinwinst en schoof het front enkele honderden meters, zelfs maar enkele meters op. De Duitse legerleiding dacht resultaten te kunnen boeken als ze het Belgisch gebied zou isoleren. Immers: in december 1914 waren er al 5000 vrijwilligers via Nederland naar het front getrokken en dagelijks kwamen er nog bij.

De spionage nam van dag tot dag uitbreiding; er ontstond een drukke berichtendienst tussen onze mensen en hun jongens aan de Ijzer, zodat troepenversterkingen reeds gemeld waren aan het front voordat ze halfweg waren.

En ook de Nederlandse kranten die bij ons binnen gebracht werden, waren zeer hinderlijk voor de Duitsers; ze gaven verslagen en foto’s die ze liever verborgen hielden.

In de maanden april-juni 1915 werd dan een radikaal plan uitgevoerd en kwam er de elektrische draadversperring die elk contact tussen België en Nederland zou verhinderen.

Bij ons werd ze getrokken door afdelingen soldaten; ze liep van Lozen langs de Hork naar de Quatre Bras aan het Liller station en zo over de Bien naar het Hageven.

Houten wachthuizen werden opgetrokken aan de Geuskens, de Bien en het Hageven, met generatoren voor de stroomlevering.

Aan de Quatre Bras kwam een poort met een wacht die slechts boeren doorliet die grond hadden aan de overkant van de draad. Uiteraard werden aldus Hamont en Achel van België afgesneden hetgeen de smokkel natuurlijk bevorderde. Men kon vrij gemakkelijk de Duitse patrouilles ontlopen aan de moerassige of beboste grens.

Bij de poorten en de openingen van rivieren en spoor was een permanente wacht opgesteld. Oudere soldaten,”Landsturmers” stapten heen en weer langs die versperring. Zij moesten er voor zorgden dat de omgeving van de draad zuiver bleef: zij maaiden geregeld het gras weg en trokken met haken de krengen weg van de dieren die een stroomdraad geraakt hadden. Katten en hazen lieten er vaak het leven en…brandden wel eens in twee stukken.

De eerste versperring werd dus van april tot augustus 1915 door de Duitse soldaten geplaatst.

Op 6 juni 1916 begon men de draad te verplaatsen naar de grens; op 14 augustus werd hij geladen.

Deze keer werden Belgische arbeiders geworven (aan 6 mark daags !!!). Zij werkten onder toezicht van Duitse soldaten.

De wachtposten verhuisden nu naar de Beverbekerheide en de achelse kluis.

Het was een akelig en geniepig ding, die dodendraad. En toch geraakte men er door…

Hoe?

  • Men knipte met een speciale tang gewoon de draad door; dit was niet zonder risico omdat de Duitsers, verwittigd door signaallampen, onmiddellijk het vuur openden.
  • Een veiliger methode was wollen dekens te wikkelen rond de stroomdraden; uiteraard met rubber handschoenen.
  • Soms werd een kleine tunnel gegraven en trok men de onderste draad omhoog.
  • Het meest praktische was nog een “bevriende Duitser” gewoon weg om te kopen en zich te laten doorgaan als smokkelaar. Een overbrenging kon wel 1000 mark kosten.

De draad heeft natuurlijk slachtoffers geëist.

  • Op 29.9.1917 verloor de zesentwintigjarige Eugène Cox het leven aan de draad te Achel bij het overbrengen van vluchtelingen. Een verrader had zich tussen hen kunnen mengen.
  • Hetzelfde jaar werd de Duitse soldaat Adrian Beckman het slachtoffer. Jaren lang lag hij op kerkhof van Achel begraven onder een vierkante steen met een plat Duits Bronzen kruis.
  • Een tragisch slachtoffer was de jonge ambtenaar Goemare uit Brussel, die om zijn zenuwachtigheid als laatste van een groep zou passeren en toch nog onhandig een draad vastnam.
  • Bijzonder tragisch was het geval van de jonge vrouw die samen met haar kind naar haar man aan het front wilde. Men had alle draden voor haar doorgeknipt, uitgezonderd de bovenste. Toen ze met haar kind door de versperring ging, pakte het kindje argeloos de bovenste draad vast, de stroomdraad.

Wanneer de Duitsers lucht kregen van de geslaagde overtocht, soms honderden tegelijk, werd onmiddellijk de gemeente gestraft met geldboeten en met het verbod na 20.00 uur nog op straat te komen.

Ook de correspondentie met frontsoldaten bleef haar verloop hebben. Vooraleer er de draad was, ging men gewoon naar Budel of naar de Schaft om daar te schrijven en brieven te verzenden. De frontsoldaat wist op welk adres hij moest terugschrijven. De briefschrijvers kregen op de Schaft een aparte kamer omdat er Duitse spionnen rondzwierven.

Om over de grens te gaan, kon men een “Schein” krijgen, vooral als men zich uitgaf als smokkelaar.

Toen de draad er was, stuurden bekenden van over de grens hun berichten langs de gewone post, maar in een soort geheimtaal: “Jozefien denkt binnenkort op vacantie te komen” betekende dan dat soldaat Jef dacht dat het einde van de oorlog nabij was!

Het smokkelen bleef ook een hoge vaart kennen. Trouwens Duitse soldaten en Nederlandse soldaat-kommiezen hielpen dapper mee. Gedurende het laatste kwartaal van 1916 vielen er bv. In Nederland 11.000 veroordelingen voor smokkel.

Het was een winstgevend bedrijf zodat vele bedrijven zonder werkkrachten vielen en Nederland het internationaal verwijt kreeg zich niet te houden aan zijn neutraliteit.

Wat werd er gesmokkeld?

Vooral eetwaren, bloem, suiker, boter…. maar ook zeep, petrol en karbuur voor de huisverlichting. Perioden van groter strengheid brachten dan weer drama’s….

Duitse soldaten schoten graag en ook de Nederlandse soldaat-kommiezen.

Zo verloor de jonge Harrie Janssen in 1916 in de Schafterheide het leven. Een Achelse dichter maakte er deze verzen op:

Wat is er weer in Nederland
Op die Achelse grenzen gebeurd!
Een jongeling van 18 jaren
Werd daar het leven verbeurd.
’t Was om wat geld te verdienen
Dat hij de grens was gepasseerd.
Het noodlot dat hem diende
Heeft zijn leven verinneweerd.

Refrein

O God, Hoe wreed zijn de wonden
In ’t ouderhart gedaan.
Uren ver in het ronde
In ieder moederhart
Staat deze daad geschreven
Als ene wreedheid,
Als ene schande voor eeuwig,
Voor altijd
Voor Nederland!

O moordenaar wat voelde gij
In uw hart
Als gij deze daad hebt gedaan?
Voelt gij dan niet de smarten
Van de oudren als ’t is telaat
Gedenk te zijn een vader,
Te hebben een zoon ja zo teer,
Omringd van de zorgen ener moeder
Reeds jaren van voorheen.

O Belgen wat hebt gij te lijden
Hoe wreed is thans uw lot!
Het bloed van uw dappere telgen
Die vallen ginds ver in de strijd!
Genoeg vrouwen en kinderen
Die treuren om hun echtgenoot
En zoon !
Onschuldig bloed moest vloeien
En een graf ja zonder kroon !

A. Claassen

Bronnen

  • Aantekeningen over het verleden van Molenbeersel - Henri Janssen-augustus 1938
  • Aantekeningen over het verleden van Kinrooi - Henri Janssen 1953
  • Groot Sint Truiden – Mathieu Rutten – 1998
  • Stamboom Daemen – Mathieu Daemen Maaseik
  • Verslag Eerste Wereldoorlog– Karel Verelst, Antwerpen
  • Het Belang van Limburg 17 april 1998
  • De Achelse Kapetulie – nr.3 – December 1988

De elektrische draad in Voeren

De gegevens om dit onderwerp te beschrijven komen uit het tijdschrift “Voersprokkels” uitgegeven door de Provinciale Middelbare school van Voeren:

Voersprokkels december 1947 nr. 10

De elektrische draadversperring scheidde gedurende een jaar Schophem, Ketten en Oetegraven van Voeren. De inwoners dier gehuchten moesten ter vervulling hunner christelijke plichten naar Sint-Maartensvoeren gaan. Twee hunner stierven en moesten aldaar begraven worden. De parochianen van Moelingen, wonende ter plaatse “Het Withuis” waren gedurende de draadversperring parochianen van ’s-Gravenvoeren.

Van grensbewaking gesproken, dient vermeld te worden dat in oktober 1915, door een Hollandse soldaat op wacht nabij Mesch, twee jonge dochters van ’s Gravenvoeren met name Lambertine Nahon en Josepha Willems-Teheux, van uit Holland zijn teruggekeerd, zijn doodgeschoten.

De eerste overleed te Maastricht (Calvarieberg) aan hare wonden, den dag na de verwonding, de andere ten huize harer ouders, een dag later. (Tot zo ver pastoor Kallen)

Voersprokkels Juni 1975 – Broers uit Montzen over de draadversperring

Op 9 april 1918 vond Guillaume Valleye, mijnwerker te Herstal, de dood aan de elektrische draad te ’s Graven. Hij werd er ook begraven.

Deze man (passeur d’hommes) had gedurende de voorbije jaren honderden personen voor het Belgisch leger door en over de draad gesmokkeld. Volgens inlichtingen van een zekere Laeremans uit Scherpenheuvel en ook passeur d’hommes (smokkelde in Teuven tientallen mensen door de draad) kroop Valleye tientallen keren door de draad om nuttige inlichtingen voor het Belgisch leger naar Nederland te brengen. Hij deed dit door een houten ton tussen de draden te steken. Ook Russische krijgsgevangenen die aan de grote spoorlijn werkten en uit hun kamp in Voeren gevlucht waren, verdwenen in Nederland via de draad.

In de gemeentelijke overlijdensakten van Sippenaken staan verscheidene slachtoffers van de draad genoteerd: o.a. een persoon uit Verviers, uit Micheroux, een uit Hoei en een Russische krijgsgevangene.

Volens de zegsman uit Remersdaal zou zich ten noorden van het kasteel van Opsinnich een elektrische centrale of stroomverdeler hebben bevonden en eveneens in de omgeving van Gieveld. Tot 1956 stonden er bij het gehucht de Plank (niet ver van het huidig restaurant “Rode Bos”, richting Aubel) grote paardestallen van het Belgische leger die in 1914-1918 door de Duitsers gebruikt werden. Ook daar zou zich een doorgang en een elektriciteitscentrale hebben bevonden.

Voersprokkels december 1982- Jos Beckers

De draad werd gespannen door de Duitsers in 1915 om te beletten dat jongelui van bezet België, vluchtten naar Nederland en verder naar Engeland en Frankrijk. Ook Ook om aan de Russische krijgsgevangenen, tewerkgesteld aan de nieuwe spoorweg Aken-Tongeren, de zin om weg te lopen te ontnemen.

De gevaarlijke afsluiting, beladen met 5 à 6000 volt, was langs beide kanten, op 1,5 meter afstand, afgezonderd door een normale draadafspanning. Aanvankelijk scheen de versperring nogal gemakkelijk te overbruggen. Bij middel van een lange stok wipten stoutmoedige mannen er overheen. Sommige vluchters gebruikten rubber handschoenen en isoleerband om twee gelijklopende draden van een te houden om zo door te glippen. Anderen kropen door een bodemloze houten ton in een kuiltje onder de laagste draad gerold.

Hoeveel mannen dodelijk werden geëlektrokuteerd is nooit meegedeeld.

Toen het Duitse leger zich in november 1918 terugtrok, werden hier en daar voorzichtige pogingen ondernomen om een verrassend bezoek te brengen aan de afgesneden dorpen achter de draad. Zo groepeerden zich op zekere avond in Remersdaaldorp, een tiental mannen op de weg van Opsinnich naar Sinnich, om door de draad te trekken. Veiligheidshalve pakten zij een karring van de dorpssmid mee, om die ijzeren band tegen de draad te laten rollen. Indien er vonken vlogen, dan was er gevaar. Doch toen de aarzelende groep de angstwekkende daad naderde, bemerkten zij opvallend, noch schildwacht, noch honden, alles scheen verlaten; draden bengelden kris kras over weg, het losgelaten karrad bleef rustig liggen tegen de middendraad zonder de minste vonkspettering. Dan maar door!

Meer schreeuwend dan zingend trok de bevrijde groep door Teuven tot aan de Kruisstraat. Op de hoek, bij Weerts, hadden de Duitsers hun kantien, het lokaal was stampvol, Duitse soldaten van zekere ouderdom mengden zich joviaal tussen de burgers. Een dikke Duitse herbergier (de wirt) draaide gedurig aan de bierkraan. “Heute alles vor nichts, der Kaiser bezahlt”. En dan was het van: “dag Jeuf, daag Maja, dag Pierre, daag Trientje wat ben je groot geworden; en hoe is het met Pa en der Jen?” Tot laat in de nacht werd er gevierd, wij waren vrij.

Twee monumenten werden opgericht

Om de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog te gedenken werd in 1920 een monument opgericht aan het Kruispunt van de weg naar Beusdal en de bosweg Lochet (Hombourg) en Eperhei van 225 meter boven de zeespiegel, precies waar Limburg en Luik hun provinciegrens hebben vastgesteld.

Tijdens de oorlog 1940-1945 heeft de Duitse legerleiding het monument ontmanteld en de plaats met de grond gelijk gemaakt.

In 1962 werd het delikaat verdwenen monument vervangen door een grove arduinblok bijna zo machtig als de overgrote blok in het naburige Hollands dorp Gulpen.

Het monument in 1962
Het monument in 1962

Het monument in 1920
Het monument in 1920

Neerpelt

Vanaf 1915 werd in Neerpelt een sluikblad uitgegeven onder de naam “Vrij Neerpelt”. In een extranummer van 15 juli 1916 lezen we:

Den draad des doods: Vorige maand is den draad naar het noorden verplaatst en kruist nu de dommel aan de Stenen Brug. Op 30 juni werd den stroom weer ingeschakeld. De laatste dagen zijn er weer verschillende vluchtelingen door den stroom gedood. Nabij Kessenich vond men Peter Brouns (Ophoven 1893) en in Molenbeersel stierf de Franschman genaamd Dieudonné Gravez (Boussois 1880). Op deze plaats is enkele dagen geleden ook den Brusselse schilder Augustin Dupont (1865) aan den stroom blijven hangen.

Maar ondanks alle moeite van den bezetter slagen velen erin om door den draad te geraken. Het schijnt dat de Pruischen nu ook zoeklichten willen plaatsen om ’s nachts den draad beter in de gaten te kunnen houden. Behulpzaam als wij zijn, hebben wij voor hen reeds een model getekend.

In het boek “Neerpelt in de Eerste Wereldoorlog” samengesteld door de Heemkundige kring van Neerpelt in 1998, vonden we nog een aantal gegevens over de draad in Neerpelt.

In de zomer van 1915 begonnen de werken aan deze Absperrung. De Duitsers eisten in augustus van de gemeente 2.500 ronde houten palen. Zij moesten 2,75 m lang zijn, een diameter hebben van 10 cm en aan een zijde aangescherpt zijn. Over een brede strook aan de grens werden drie rijen houten gecarboliende palen opgericht. De afstand tussen die rijen was bijna 2 m. Om de 500 m stond een wachthuisje. De soldaten verbleven in de school van de Grote Heide. Op regelmatige afstanden plaatsten men petroleumgeneratoren in een houten barak, een “Schalthaus” Tegen zo’n een Schalthaus stond een uitkijktorentje dat bijna 5 m hoog was. De wachthuisjes waren voorzien van een alarmsysteem met lampen die bij elk contact met de draad een signaal gaven.

Eind augustus 1916 liep het slecht af voor een aantal Neerpeltse jongens die het leger wilden vervoegen. Zij werden opgepakt en veroordeeld. Op 30 augustus volgde hun deportatie naar Duitse kampen. Ze kwamen pas enkele dagen na de wapenstilsad weer vrij. Het waren:

  • Alfons Coninkx, geb. te Elliom op 23 mei 1896
  • Jan Mathijs Cox, geb. te Overpelt op 27 augustus 1895
  • Leopold Deblier, geb. te Bocholt op 24 augustus 1895
  • Corneel Ludovicus Hermans, geb. te Neerpelt op 9 oktober 1897
  • Jacob Frans Ramaekers, geb. te Neerpelt op 10 februari 1896
  • Peter Jacob Schoemans, geb. te Neerpelt op 18 januari 1897
  • Mathijs Steensels, geb. te Overpelt op 11 juli 1895

Leo Vinken, geboren te Kessenich op 29 maart 1989 deed zijn studies in Maaseik en aan de normaalschool te St-Truiden. In 1911 werd hij onderwijzer aan de jongensschool in de J. Tassetstraat te Neerpelt. Bovendien was hij dirigent van het parochiale Sinte-Ceciliakoor.

Op 29 november 1915 geraakte hij door de elektrische draad en gaf zich aan als oorlogsvrijwilliger. Begin 1916 werd hij brigadier bij de 14de Linie, 3d L.A. Hij overleed als ere-schooldirecteur op 1 augustus 1978.

(Het Genkske – Heemkundige Kring nr. 2 –1996)

De kosten voor de aanleg van de draad en het onderhoud ervan vielen ten laste van de gemeenten. Voor het plaatsen van 1300 palen diende boswachter Oeyen uit Neerpelt een rekening in van 123 frank die de gemeente Neerpelt hem betaalde op 7 juli 1915.

(Het Belang van Limburg 17 april 1998)

Franse vluchtelingen in Bree anno 1918

In het heemkundig tijdschrift van Bree “Het Ezendröpke” nr 30 – november 1996, schreef Theo Guffens woonachtig te Bree maar een rasechte Maaslander uit Stokkem een artikel over de vele Franse vluchtelingen meestal uit de omgeving van de stad Douai in het noorden van Frankrijk die in het laatste oorlogsjaar 1918 in Bree verbleven. Het was hun bedoeling naar het vrije Nederland te vluchten maar de prikkeldraad versperring belette hen dat. Zij werden opgevangen in particuliere gezinnen of in het St.-Michielscollege. Het was een zware opgave voor de stad Bree en haar bevolking om de 1052 vluchtelingen die op 27 augustus 1918 toegekomen waren, eten en onderdak te verlenen. Tot overmaat van ramp was in die periode de Spaanse griep uitgebroken. Negen Franse vluchtelingen stierven te Bree in 1918.

De burgemeester van Bree ontving (datum onbekend) volgende dankbrief:

Heer Burgemeester van Bree

De vluchtelingen van de stad Douai zijn gelukkig om u hun dank uit te drukken voor het hartelijk onthaal dat ze van de bewoners van Bree ontvingen. Dank zij u, heer burgemeester, dank zij uw waarde medeburgers en de geestelijkheid, van wie de toewijding zo bewonderenswaardig was, hebben wij hier een kostbare hulp kunnen vinden in de moeilijke omstandigheden voor allen. De hele bevolking van Bree heeft ons haar ijver en gedienstigheid betoond. Dit bewijst dat de oude faam van de Vlaamse gastvrijheid bij u geen ijdel woord is.

Wees verzekerd van onze diepe erkentelijkheid.

Een bisdom voor Limburg

Het schepencollege van Tongeren: Erard de Schaetzen, burgemeester, Jean Vermeulen, eerste schepen, Jean Bastiaens, 2de schepen, Piet Wirix, 3de schepen en de drie gemeenteraadsleden van C.V.P.- strekking: Jean Jageneau, Theo Van Eesbeek en Camille Molenaars, richtten op 12 oktober 1961 volgend verzoekschrift tot monseigneur Kerkhofs, bisschop van Luik.

Excellentie,

Gedreven door onze liefde voor de Kerk en bezield met de meest oprechte bekommernis voor de godsdienstige belangen van het bisdom,

Leggen wij,

burgemeester, schepenen, raadsleden en gans de bevolking van onze stad, dit verzoekschrift aan uw vaderlijke aandacht voor.

Het is niet de bedoeling vooruit te lopen op de beslissingen van de Kerk welke deze ook mogen zijn. Altijd zullen zij onze kinderlijke onderdanigheid en volledige volgzaamheid wegdragen. Ook wil dit verzoekschrift geen druk uitoefenen op het wijs beleid van de Kerk.

Alleen de dragers van een groot verleden en tegelijk steunend op gegronde en degelijke argmenten, willen wij in deze, zo belangrijke aangelegenheid onze stem verheffen.

De omstandigheden waarin de Kerk van België zich bevindt, maken het wenselijk dat wordt overgegaan tot splitsing van onze bisdommen.

De grote toename van de bevolking, de verscheidenheid van de taalgebieden, de noden van de zielzorg, de immer groeiende gecompliceerdheid van vele problemen, hebben reeds iedereen overtuigd dat deze splitsing ook in ons bisdom wenselijk is. Het zal met een hart vol spijt zijn dat we afscheid nemen van onze Waalse geloofsbroeders, want die eeuwen van samengaan onder één kromstaf hebben ons zoveel nader tot elkaar gebracht.

Een nieuw bisdom vraagt een nieuwe bisschopszetel en een nieuwe bisschopsstad. Wij menen dat we zouden tekort komen aan onze plicht, moesten we hiervoor niet de kandidatuur van onze goede stad voordragen.

Spreekt niet veel meer nog dan elders in Gods kerk de traditie mee? Worden oude bisschopszetels van Noord-Afrika, nu meters diep onder het zand van de woestijn bedolven, toch niet als kostbare relieken bewaard en als titels geschonken aan de hulpbisschoppen?

Heel het verleden van de Kerk van België kringt rond Tongeren.

Eerste stad van het land maar veel meer nog: bakermat van het geloof in de Lage Landen bij de zee.

Het is toch een geschiedkundige waarheid dat Sint- Maternus in de vierde eeuw het geloof in Tongeren bracht en er zijn bisschopszetel vestigde. Mocht dan ook die zetel in de loop der eeuwen door verschuiving eerst naar Maastricht en later naar Luik overgebracht worden. Tongeren bleef toch bisschopsstad.

Ons werd verzekerd dat tot in de elfde eeuw de bisschoppen van Luik nog immers “episcopi tungrenses” genoemd worden in de oude archieven.

De laatste opgravingen onder de basiliek stieten op de grondvesten van een waarachtige romeimse basilica van vierde of vijfde eeuw; een bisschopskerk.

Zou in de Kerk, waar de overlevering zo heilig bewaard wordt, ook deze overlevering in de te nemen beslissing geen zwaar gewicht in de weegschaal betekenen?

Of zijn er misschien doorslaggevende argumenten van praktische aard die de kandidatuur van Tongeren doen afwijzen?

Is mogelijk de ligging minder geschikt?

Maar wat betekenen afstanden nog?

Sint-Truiden en het ganse zuiden liggen op slechts een twintig à dertig kilometer van Tongeren. Het noorden van de Kempen ligt op vijftig, zestig kilometer van onze stad (Bree 43 km, Hamont 56 km, Lommel 58 km, Overpelt 53 km). Gans de Maaskant ligt dichter bij Tongeren en is meer op Tongeren aangewezen dan op welke andere stad ook. (Maaseik 48 km,Mechelen aan-de-Maas 32 km)

Stelt zich mogelijk ook het probleem van de Voerstreek, dan zullen die verstoken gemeenten liefst van al naar Tongeren komen.

In een bisdom van vijftig kilometer van oost naar west en zeventig kilometer van noord tot zuid, kan het afstandsprobleem niet veel betekenen.

Moet alles misschien afgestemd worden op een steeds grotere concentratie in de provincie hoofdstad?

Is het een voordeel alles in één punt samen te trekken en niet veeleer een nadeel? Of spreekt men nu niet voortdurend van decentralisatie?

Zou dit ook voor de Kerk niet waar zijn?

Zou een stad, die als enige grootheid haar bisschopszetel heeft, niet veel meer het hart van een bisdom worden, dan een stad die het uitzicht krijgt van een opeenstapeling van diensten en instellingen, waarin de mens verloren loopt. Hebben we ten andere in eigen land geen bisdom waar Mons de provinciehoofdstad is en Doornik de bisschopsstad? En ligt er geen parallel tussen Tongeren en Doornik op vele gebieden?

Met onze moderne middelen van communicatie en administratie heeft het argument van concentratie veel van zijn waarde verloren.

Waarom zou van uit Tongeren geen echt hartelijke verhouding en samenwerking kunnen tot stand komen met elke provinciale dienst en lichaam?

Mocht daarbij niet overwogen worden dat op deze wijze Tongeren in een recht werd hersteld op geestelijk gebied, dat op andere gebieden zo dikwijls werd miskend in de loop van de laatste eeuw?

Het hart van een bisdom moet ook een kerk hebben, waardig voor die hoge dienst. Was er alleen nog maar dit argument, dan reeds zou de weegschaal naar Tongeren gaan overhellen.

Onze Basiliek, monument nummer één van Limburg, is vandaag nog klaar om kathedraal te worden.

Voor enkele weken bracht kardinaal Frings van Keulen een bezoek aan Kerk en Schatkamer. Zijn eerste woord bij het binnentreden van de kerk was: “Dasz ist eine Kathedrale!!”

Wij zouden graag aan zijn woorden een profetische inhoud willen geven. Men bouwt wel een parochiekerk; men kan zelfs een grote kerk bouwen voor een groeiende agglomeratie; maar men bouwt toch zo maar geen kathedraal! In Tongerens basiliek zou een kapittel van Kanunniken aanknopen met het koor van kanunniken dat negen honderd jaar lang de getijden zong tot aan de Franse revolutie.

Wij zelf als stadsbestuur geven de geestdriftige verzekering dat we niets onverlet zouden laten voor de inrichting van woonst en diensten van het nieuwe bisdom. Mogen we zelf beweren dat we nu reeds dachten aan een zeer prachtige oplossing voor dit probleem op korte tijd te verwezenlijken?

Excellentie,

Mogen we ook wijzen op de godsdienstige ijver voor onze stad. Men heeft Tongeren de invalspooort genoemd van het ongodsdienstige socialisme, dat van Tongeren uit Limburg moest overspoelen. Zijn de rollen haast niet omgekeerd? Nergens bloeien onze sociale werken zoals in stad en omgeving.

Het politiek uitzicht van onze stad werd definitief kristelijk; wij menen dat ook dit aspekt mag belicht worden. Onze parochies bloeien.

Onze stadsinstellingen werken samen met de parochies in de meest hartelijke verstandhouding.

Mogen we ook wijzen op onze Kroningsfeesten van verleden jaar?

In andere steden kan men praalstoeten inrichten maar wij menen dat nergens de harteklop van een volk zo duidelijk was als bij ons in de algehele hulde die Tongeren door zijn feesten bracht aan de Oorzaak onzer blijdschap. Een bisschop zou zich thuis voelen bij ons, bij onze goede mensen, in onze heerlijke kerk bij ons genadebeeld van Onze-Lieve-Vrouw.

Excellentie,

Wij meenden dat we dit verzoekschrift moesten voorleggen.

Nu blijven wij vertrouwend afwachten. Wij beloven ons te zullen schikken naar elke beslissing van de Kerk.

Maar voor onze stad zou het de hoogste eer zijn weer bisschopsstad te mogen worden voor ons dierbaar Limburg. Voor ons zelf zou het een bekroning zijn voor ons werk ten bate van de stad maar tevens een heilige opdracht Tongeren te maken tot een veilig tehuis voor gans het bisdom.

U laat toe, dat we dit verzoekschrift aan uw goedheid voorleggen maar ook in de geest gaan toevertrouwen aan de Schutsvrouw van Tongeren.

E. de Schaetzen J. Vermeulen J. Bastiaens P. Wirix
Burgemeester 1ste Schepen 2de Schepen 3de Schepen

J. Jageneau Th. Van Eesbeek C. Molenaers
Gemeenteraadslid Gemeenteraadslid Gemeenteraadslid

Evrard De Schaetzen
Evrard De Schaetzen

Jean Vermeulen
Jean Vermeulen

Jean Bastiaens
Jean Bastiaens

Piet Wirix
Piet Wirix

Theo Van Eesbeek
Theo Van Eesbeek

Jean Jageneau
Jean Jageneau

Camille Molenaers
Camille Molenaers

Een bisdom voor Limburg

Verantwoording

Het kan welllicht verwondering wekken dat een groep leken het initiatief neemt om de Kerkelijke Overheid te verzoeken haar aandacht te vestigen op de wenselijkheid voor Limburg een eigen bisdom op te richten. Over deze wenselijkheid wordt reeds sedert lange tijd gesproken in de meest verscheidene middens, vooral bij priesters en intellectuelen.

De reorganisatiegedachte dringt hoe langer hoe meer door. De gegrondheid der argumentatie lijkt aan stevigheid niet te wensen over te laten. Daarom meent een groep Limburgse leken dat de tijd gekomen is om op een eerbiedige wijze, maar tevens in de overtuiging van hun goed recht, de Kerkelijke Overheid hun suggesties terzake mee te delen.

Zij voelen zich daarbij gesteund door wat Pius XII zeide over de rol der publieke opinie in de Kerk: “Car l’Eglise est un corps vivant et il manquerait quelque chose à sa vie si l’opinion publique lui faisait défaut dont le blâme retomberait sur les pasteurs et sur les fidèles (1). In dit opzet vinden zij daarenboven nog de aanmoediging van het episcopaat (2) en van vooraanstaande vaktheologen. In dit perspectief van medeverantwoordelijkheid voor de H. Kerk, waartoe geestelijken en leken behoren, dient het aanhalen van de volgende motiveringen beschouwd te worden. Wellicht kunnen zij hun die een uiteindelijke beslissing moeten treffen tot nut zijn.

  1. De tekst werd in het Frans uitgesproken voor het internationaal perscongres van 18.2.1950 (A.A.S. 1950 blz.256)
  2. Zo bvb de verklaring der Nederlandse bisschoppen in hun gezamenlijk herderlijk schrijven van 1 mei 1954: “Enerzijds zullen onze priesters nog meer moeten gaan beseffen dat de leken er niet alleen zijn als voorwerp van zielzorg maar ook actief moeten deelnemen aan liturgie, apostolaat en Katholieke actie, gelijk zij dat alzo lang en zo goed op sociaal terrein hebben gedaan en dat zij als volwassen leden van de Heilige Kerk wensen mee te spreken bij de opbouw van het Mystieke Lichaam waartoe zij bewust willen behoren” (Katholiek Archief 18 juni 1954 kol. 498).

Inleiding

Uit een overzicht, opgesteld voor het eerste congres over de weerslag van de eenmaking van Europa voor de Kerk (“Ueber die Formkraft der Kirche in heutigen Europa”, Munchen, 1960) en gepubliceerd in een bijzonder nummer van de Herder-Korrespondenz, juli, 1960, blijkt vooreerst dat het gemiddeld aantal katholieken per diocees in Europa 310.000 personen betreft voor een totaal van 571 zetels). Verder blijkt dat België met gemiddeld 1.453.100 katholieken per zetel, niet alleen in Europa maar in geheel de wereld de hoogste gemiddelde verhouding heeft1.

Land Gemiddeld aantal katholieken per zetel
België 1. 453.100
Duitsland 1. 040.900
Oostenrijk 786.000
Nederland 633.300
Portugal 505.700
Frankrijk 436.500
Spanje 434.800
Zwitserland 344.900
Luxemburg 310.600
Engeland 283.300
Italië 175.700
Ierland 125.600
Schotland 97.500
U.S.A. 300.000
Canada 95.000

Een vergelijking van de huidige toestand van de bisdommenverdeling in België met de eigen toestand in het verleden is wellicht hier aangewezen. De steeds weerkerende argumenten voor de splitsing van de bisdommen werden samengevat in de voorbereidende werken op de oprichtingsbul der bisdommen van 12 mei 1959 en in die bul zelf. Zo schrijft M. Dierickx s.j.:

Soziografische Beilage, nr. 8

Het breken met de oude kaders en het scheppen van een totale nieuwe kerkelijke indeling der Zeventien Provinciën wordt aldus gemotiveerd: de bisdommen zijn te uitgestrekt dan dat één bisschop de nodige zorg aan zijn diocesanen zou kunnen besteden; ook zijn de bisschoppen van een ander taalgebied niet in staat hun Diets-sprekende gelovigen goed te besturen; tenslotte eist de dreigende ketterij, die wegens het drukke handelsverkeer noodzakelijk uit de naburige landen doorsijpelt, gebiedend de pastorale activiteit van een groter aantal bisschoppen2.

Wat Zuid-Limburg betreft resumeert dezelfde auteur de verdere evolutie als volgt: “Door het concordaat van Pius VI met Napoleon in 1801 werden ook de bisschopszetels van Roermond, Antwerpen, Brugge, Ieper en St.-Omaers (?) opgeheven. Aldus bleven er in het begin der 19de eeuw van de achttien bisdommen van 1559 nog slechts zeven over: Mechelen, Gent, Doornik, Namen, Kamerijk en Atrecht. Daar de twee laatste steden onder Lodelijk XIV bij Frankrijk waren ingelijfd, telde het Koninkrijk der Nederlanden van 1815-1830 slechts vier bisdommen, waarbij echter het eindelijk genaaste Luik moet gevoegd worden. Toen in 1834 de bisschopszetel van Brugge werd ingesteld, had het sinds 1830 onafhankelijke België zijn kerkelijke hiërarcische indeling van thans: de aartsbisschop van Mechelen die nog steeds de titel van “primas Belgii” draagt, heeft als suffraganen de bisschoppen van Gent, Brugge, Doornik, Namen en Luik”3.

De wenselijkheid van een eigen Limburg Bisdom

1. Taal- en cultuureenheid

De Kerk heeft immer rekening gehouden met de taal- en cultuureenheid van een volk, zoals nog onlangs bleek uit de inrichting der hiërachie in Kongo. Zij heeft in de loop van haar geschiedenis steeds getracht ook voor administratieve indeling de natuur als basis voor de bovennatuur te nemen. Zo hield bvb. de bisdommenverdeling van 1559 rekening met de taalgrens (behalve in het prinsbisdom). De moderne sociologie erkent trouwens de noodzakelijkheid van het aanpassen der administratieve superstructuur aan de homogene natuurlijke bevolkingsgroepen (wijk-, stads-, streekgehelen). In het groot erkent de Kerk zulks door het onderscheid tussen Latijnse-en Oosterse ritus-gebieden; in het klein door bvb. aan Monaco, het Groothertogdom Luxemburg, Danzig, de meeste Franse departementen en een aantal Belgische en Nederlandse provincies (met homogeen karakter) een eigen bisschop te geven, hoe klein het gebied of hoe gering het aantal katholieken er ook weze.

De verscheidenheid van de volksaard bij de Limburgers en de Luikenaars vergt geen betoog. De taal- en cultuureenheid van de provincie Limburg, zoals die van de provincie Luik, pleit voor een splitsing van het bisdom Luik.

Kan de liturgie bv. niet beter aan de volksaard aangepast worden, als men niet met de moeilijkheid van een tweetaligheid in het bisdom af te rekenen heeft? Is de tweetaligheid trouwens ook niet gedeeltelijk de reden, waarom in het ganse land de liturgische gezangen en gebeden in de volkstaal zo moeilijk in te voeren zijn.

2 Uitzonderlijk homogene godsdienstige toestand.

De provincie Limburg is gekenmerkt door een unieke religieuze situatie in België. De gegevens over de zondagspraktijk, de demografie en de politiek bewijzen dit overduidelijk. We vergelijken hieronder deze gegevens.

Tabel I geeft de gegevens over de zondagspraktijk volgens een studie van E. H. Collard, Prof. Te Leuven (verschenen in Lumen Vitae, 1952, pag. 644)

Zij slaan op de toestand van 1951. Om hiermee te kunnen vergelijken komen gegevens in aanmerking uit ongeveer dezelfde periode voor de politiek (verkiezingen) van 1950) en voor de demografie n.l. de indeling per streek naar het aantal in leven zijnde kinderen op 100 gezinnen (volgens de volkstelling van 1947).

De colleratie tussen de demografische tabel en deze van de praktijk is zeer hoog (cfr. (r = 0,84). Hieraan kan nog worden toegevoegd dat meer dan 99 % der inwoners van de provincie Limburg katholiek-gedoopt zijn.

Deze christelijke gerichte levenshouding komt eveneens tot uiting in het syndikeren van de meeste werknemers en, in een verhouding van 75 % , bij de verkiezingen. Het onderwijs is haast volledig in katholieke handen en de meeste K.A. groeperingen bloeien er, beter dan waar ook in ons land. Hieruit blijkt duidelijk dat ook moreel-religieus Limburg een scherp afgetekend eigen karakter bezit tegenover de andere provincies of bisdommen.

100 gezinnen

Provincies I (praktijk) II (C.V.P. 1950) III (Kinderen)
Antwerpen 51,5% 58% 196
Brabant 39,9% 41% 150
West-Vlaanderen 72,2% 61,8% 225
Oost-Vlaaderen 51,5% 57,9% 208
Henegouwen 25,5% 27,1% 142
Luik 45,5% 32,8% 150
Limburg 80% 77,9% 299
Luxemburg 75,6% 61,7% 217
Namen 62,9% 45,26% 174

Het eigen karakter van Limburg is juist opvallend onderscheiden van de zuidelijke provincie Luik zoals blijkt uit de ondelinge vergelijking der gegevens.

3. Expansiegebied.

De demografische betekenis van Limbug is bekend. Niettegenstaande Limburg slechts 563.645 inwoners telt, heeft het jaarlijks 14.326 geboorten en een geboortecijfer van 25,424, tegenover de provincie Luik met 1.010.611 inw. (1959) en 15.778 geboorten en een geboortecijfer van 15,61 (1959). Van de 300.455 inw. in 1920 groeide de bevolking tot 563.645 in 1959, wat een verdubbeling betekent in 40 jaar. Normaal zal Limburg dus rond het einde der eeuw ongeveer 1 miljoen inwoners tellen. Men mag niet te laat komen met het kerkelijk opvangen van deze enorme ontwikkeling; enkel een vlot werkende, op deze evolutie ingestelde kerkelijke administratie is hiertoe in staat.

Reeds van nu af aan schijnt de tweetaligheid der huidige diocesane werkelijkheid hier een ernstige hinderpaal te vormen. De dynamische provincie Limburg vergt een geheel verschillende administratieve instelling wanneer men haar vergelijkt met het verouderde Luik5. Luik en Limburg zijn twee gewesten met momenteel zulke diepe verschillende problemen op godsdienstig gebied dat hun oplossingen moeilijk nog onder één kerkelijk bestuur zijn te verenigen. In het zuiden moet men vooral terugwinnen

Of aan intern missionerend apostolaat doen; in het noorden gaat het om voorbehoeden, uitbloeien en naar buiten uitbrekende missionering. Met het oog op de demografische expansie zal vooral het onderwijs immer meer zorgen opeisen in Limburg. De huidige centrale administratie in Luik zal steeds moeilijker aan de nieuwe problemen het hoofd kunnen bieden, zoals de feiten reeds voldoende bewijzen.

De voortdurend terugkerende moeilijkheden betreffende een eigengeaarde organisatie van het schoolwezen in Limburg met autonome ontplooiingsmogelijkheden zijn welbekend. Overigens is het klimaat van de onderwijspolitiek in Limburg geheel anders dan in Luik; dit vergt o.m. met betrekking tot de scholen afhangend van de provinciale overheid een andere instelling vanwege de kerkelijke overheid tegenover Limburg dan tegenover Luik. Het feit dat de bevoegde autoriteiten vanuit Luik de Limburgse problematiek ter zake moeten beoordelen, verklaart grotendeels het eenzijdige perspectief van waaruit de bedoelde vraagstukken beschouwd worden. Uiteraard gaan deze vragen meer dan andere de leken ter harte, daar het toch gaat om hun kinderen en de gelden die zij voor hun scholen opbrengen.

4. Noodzakelijkheid van aanpassing van deze expansie

De verscheidene aangegeven elementen wijzen in één richting:

Limburg kent reeds nu nieuwe, totaal eigene, aan expansie verbonden problemen. Die problemen hebben hun directe weerslag op het sociaal-religieuse vlak en vergen nieuwe en oorspronkelijke oplossingen. Om die oplossingen te zoeken en tevinden zal een andere geestesinstelling nodig zijn dan het Zuiden. Men zal immers creatief te werk moeten gaan vanuit een bestaande, nog hoog traditionele kristenheid. Het is een feit, dat het verschil in mentaliteit tusssen de provincies Luik en Limburg, in plaats van te verminderen, eerder toeneemt. Hoe meer Limburg zich uitbreidt en zich cultureel ontwikkelt, hoe hogere eisen het ook zal stellen inzake aanpassing van pastoraal en predikatie aan zijn eigen noden en aan zijn eigen mentaliteit. Men benadert zeer belangrijke en sociale problemen. (Het gezinsvraagstuk, de kinderzegen, de opvoeding, de ontspanning het arbeidersprobleem, het organisatieleven enz.) gans anders in Limburg dan in Wallonië. Vanuit het Zuiden wordt het traditioneel familiale leven in Limburg aangetast, de culturele eenheid bedreigd, de sociale samenhorigheid ontwricht.

Vermits men elders praktisch enkel ervaring van creatief werk opgedaan heeft in een grotendeels ontkerstend milieu, kan men moeilijk deze oplossingen van elders gewoon naar Limburg overhevelen.

Houdt men rekening met de werkelijke omvang van het probleem dan kan enkel van een totaalkijk vanuit één bestuurscentrum de toestand lucide en oorspronkelijk oplossen6.

5. Psychologische motieven

Ook de psychologische factor heeft zijn betekenis. Bij de meest helderziende en dynamische geestelijken,waaronder velen die, als deken, een verantwoordelijke functie dragen op ruimer niveau, bestaat uit een uitsproken verlangen naar een eigen diocees. Zij hebben de indruk dat de administratie in Luik overrompeld wordt door het werk en weinig tijd kan maken voor rustige persoonlijke contacten. Ze weten dat het probleem van de afstanden hier een rol speelt: de grootste afstand in het bisdom Luik (Hamont-St. Vith) benadert 200 km. In uitgestrektheid moet trouwens het bisdom Luik het alleen afleggen voor het bisdom Namen doch dit laatste telt niet eens de helft van zijn bevolking. Dit probleem van de afstanden weerhoudt vele Limburgse priesters er van naar Luik te gaan om hun problemen te bespreken. Ze kunnen wel eens per week naar Hasselt komen doch in dringende gevallen biedt ook dit geen oplossing. Wegens de materiële en vooral wegens de psychologische afstand van Luik wordt ook de samenwerking (en de coördinatie) tussen de verschillende sociale organisaties, meer dan nodig is, bemoeilijkt. Hier kan tenslotte ook nog van uit een psychologische motivering, gewezen worden op het gemeenschappelijke verlangen van de bewuste geestelijken en van haast alle veraantwoordelijke intellectuele leken uit Limburg, een eigen bisdom te hebben. Om dit genoegzaam te ondervinden, moet men eens van hart tot hart met hen praten.

6. Aanpassing aan eigen noden en verlangens.

Overal, ook in Limburg, is er nood aan goede diocesane priesters. Het bekomen van betere roepingen is voor de toekomst zelfs van uitzonderlijk belang. De geestelijken zullen immers intellectueel en moraal van een hoog gehalte moeten zijn om in een moderne wereld, met groeiend comfort en toenemende democratisering van het onderwijs hun man te staan. Een eigen bisdom zou waarschijnlijk bijdragen tot het ontluiken van een groter aantal degelijke roepingen voor de diocesane geestelijkheid. De oprichting van een eigen bisdom zou immers duidelijker bewijzen dat de geestelijkheid en de bevolking van Limburg voortaan werkelijk verantwoordelijk zijn voor de eigen kerkgemeenschap. Momenteel gaan vele van de beste jonge geestelijken zonder voldoende taalkennis, na hun wijding, naar het Luikse en moeten, gewoonlijk onvoldoende voorbereid, reeds bij de aanvang van hun priesterleven, in een onaangepast milieu als missie-ziel-zorger optreden. Dit werkt remmend in op het ontluiken van sommige roepingen: niet iedereen is tegen een dergelijke “missionaris-roeping” opgewassen al zou hij een zeer goede diocesane werker kunnen zijn7.

Wanneer wij bedenken dat, voor het tijdperk 1891-1920, er in Limburg op 10.000 inwoners 15 priester wijdingen waren, tegen 12 voor de periode 1921-1950, zou men zich kunnen afvragen of deze daling bij de recrutering van de clerus ook niet te wijten is aan het feit dat sommige jongens na de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs er tegen opgezien hebben naar het seminarie te gaan, omdat zij dan veel kans maken benoemd te worden in het Luikse en ze, om familiale en persoonlijke redenen, oordelen hiertegen niet opgewassen te zijn8. (2)

Voor de vorming van de toekomstige clerus zou een groter contact met de Limburgse parochiale en pastorale werkelijkheid van belang zijn. Momenteel hebben de groot-seminaristen practisch alleen contact met toestanden van de Luikse parochies.

Het feit alleen dat vergelijkingen worden gemaakt over toestanden, methodes, oplossingen enz. en dat derhalve onvermijdelijke discussie volgt, is niet bevorderlijk voor de in de eerste plaats pastorale opdracht van het bisdom.

Wanneer men daarenboven bedenkt dat, benevens monseigneur de Bisschop, er slechts twee Limburgers op de overige zes leden, de provincie Limburg in de bisschoppelijke raad vertegenwoordigen, moet het niet verwonderen dat men bij de Limburgse priesters dikwijls de bedenking hoort dat men in Luik bijna niet op de hoogte kan zijn van de Limburgse noden inzake zielzorg, parochie-indeling en pastorale problemen.

Hoeveel gemakkelijker zou men zich een juist beeld van de toestanden problemen kunnen vormen, indien me ze van dichtbij kan volgen!

Trouwens de invloed van het milieu laat zich ook hier gelden.

Tenslotte mag men het symbool van een eigen bisschop voor priesters een volk niet onderschatten. Nu men zoveel inlandse missiebisschoppen het land ziet afreizen, vraagt de Limburger terecht wanneer zijn kerkgemeenschap die toch talrijke bisschoppen schonk aan de missies, ook voor eigen streek een bisschop hebben mag.

Zoals in alle sectoren van het burgerlijk bestuur, van af de hoogste instanties, mag ook op diocesaan plan het probleem an de representatie niet onderschat worden: hoe langer hoe meer verwacht en vraagt men dat de bisshop bij gebeurtenissen van enige betekenis zou aanwezig zijn. In een zo uitgestrekt en bevolkt bisdom als Luik, moet een dergelijke eis een bijna onmogelijke opgave worden.

7. Besluit

Uit de voorgaande argumenten schijnt voldoende aangetoond dat de motieven die voor de oprichting van nieuwe diocesen in Nederland werden gebruikt, in nog hogere mate voor Limburg gelden. Hier volgt ter illustratie een uittreksel uit de geautoriseerdee vertaling van de pauselijke bulle van 17 juli 1955 waarbij Pius de nieuwe Limburgse bisdommen oprichtte: Daar aan de H. Petrus en aan diens opvolgers van Godswege werd opgedragen de kudde der uitverkorenen te weiden en te besturen, ziet iedereen in, dat veranderen van diocesen, welke door de H. Stoel – de bezorgde Moeder van alle Kerken-, worden ten uitvoer gebracht of ook het verordenen van nieuwe kerkelijke gebiedsomschrijvingen, zo vaak er een goede en gerechtvaardige hoop is, dat dit tot gemak en tot nut van de christenen strekt met veelwijsheid gebeuren. Het Ons goed toe Onze belangstelling en onze zorgen voor het ogenblik aandachtig te richten op de belangen van Nederland. Dit land, dat onlangs het eeuwfeest van het herstel der Hiërarchie herdacht, is wat het aantal katholieken en de werken, die uit het geloof voortkomen, dusdanig uitgegroeid, dat het tot bescherming van de goddelijke waarheid, tot nut der gelovigen en tot bevordering van de sociale toestanden, nodig is, de krachten zo te verdelen dat zij overeenstemmen met de vele noden. Daarbij komt dat de Herders die thans aldaar het christenvolk voorgaan, de hun volgens canon 343 van de Codex van het Canonieke “Recht opgelegde plicht om zelf hun diocees te visiteren vanwege de uitgestrektheid der diocesane gebieden niet kunnen vervullen”, gelijk de decreten van het in 1924 gehouden Provinciale Concilie der Bisschoppen van Nederland getuigen. Daarom willen wij het heil van de Christenen en het belang van de Kerk bevorderen en hun meer hulpmiddelen geven.”

II Aangehaalde bezwaren

1. De geschiedkundige eenheid

Limburg en Luik zijn reeds eeuwen samen verbonden niettegenstaande de taal- en cultuurverschillen. De totaal gewijzigde demografische situatie ontneemt aan het historisch argument het grootste deel van zijn waarde. De werkelijke toestand primeert.

Op dit ogenblik telt Limburg reeds evenveel geboorten als Luik. Limburg zal Luik dus in de toekomst op geografisch gebied voorsteken. Anderzijds zal Limburg, in contact met het moderne leven, de kans lopen, niet meer het gezonde gewest te blijven dat het vroeger was. De bezorgheid nopens eventuele moeilijkheden o.m. de last met de regering om een nieuw bisdom goed te keuren, de financiele last van een te bouwen bischopspaleis en Groot-Seminarie, zelfs de vraag naar de plaats van de nieuwe bisschopszetel, - dit zijn echter onbelangrijke bezwaren in vergelijking met het voordeel van een nieuw bisdom, waarmede de bloei en de uitstraling van de godsdienst in Limburg verbonden is.

2. Onkosten voor een nieuw seminarie

Twee bisdommen zouden twee seminaries vergen. De ervaring leert dat zulks een grote intellectuele investering vereist en dus verplicht tot het wegtrekken van goede krachten uit de zielzorg. Juist door één seminarie te houden spaart men krachten uit.

De ervaring leert ook dat de nabijheid van een groot-seminarie het eigelijk theologisch apostolaat, het specifiek hoger godsdienstonderricht bij intellectuelen en religieus mondigen uit alle standen, helpt bevorderen9 (1)

In de andere Vlaamse provincies is de aanwezigheid van een groot-seminarie in het hart van het bisdom voor priesters en leken een steun en een stimulans in hun werking.

Van het groot-seminarie te Luik gaat veel invloed uit op Luik en omgeving doch in vergelijking weinig, tenzij langs persoonlijke contacten op onze Limburgse priesters en intellectuelen. Men gaat niet naar Luik; dat is te ver en men denkt er anders dan in Limburg.

Men kan trouwens krachten uitsparen door meer collegefuncties aan leken toe te vertrouwen en zo meer en meer, naar de wens van het eerste leken-congres te Leuven (1956) het eigenlijke priesterapostolaat aan de priesters voorbehouden.

3. De onvoldoende priestervoorziening in Luik

Zonder jaarlijkse hulp van Limburgse priesters kan Luik niet voldoende voorzien worden in de pastorale hulp.

Dit argument wordt veel aangehaald. Kan. F. Boulard, e. a. hebben voldoende aangetoond o.m. nog op het laatste Europees Congres voor Priesterroepingen, Wenen 10-12 oktober 1958, dat er in de meeste landen van West-Europa geen eigenlijk priestertekort is maar wel een inefficiënt aanwenden van de beschikbare krachten. Indien men in de colleges de geestelijken, daar waar zij niet werkelijk nodig zijn, vervangt door leken, en indien men voldoende beroep doet op de religieusen, dan is het probleem niet onoplosbaar. Zo heeft men bvb. in Nederland voor één roeping van diocesane priester, 3 roepingen van reguliere priesters (waarvan er twee naar de missies gaan); in Limburg heeft men gemiddeld één diocesane voor twee religieuse priesterroepingen.

Zelfs indien men deze oplossing niet zou baten, kan het beperkte probleem van de priestervoorziening van Luik het grotere probleem van een efficiënte zielzorg in Limburg zelf niet overschaduwen en dient het grote goed boven het mindere verkozen. Men zou trouwens nog steeds beroep kunnen doen op de hulp van diocesane en reguliere geestelijken uit Limburg, maar dan op vrijwilligers in een gezond gestructureerde organisatievorm. Daarbij zou dan ook gelet worden op het geestelijk heil van de vele uitgeweken Vlamingen en vreemdelingen. Dit vraagstuk heeft trouwens Europese dimensies: het inschakelen van Nederlanders in de Oostenrijkse zielzorg en van de Vlamingen in Duitsland, van Duitsers en van Engelsen in Zweden.

4. Luik financieel niet leefbaar zonder Limburg

Meermaals maakt de geestelijke overheid gewag van een feitelijke onmogelijkheid ener scheiding Limburg-Luik ter wille van de daaraan verbonden financiële gevolgen. Van Limburg afgesneden zou Luik voor grote geldelijke moeilijkheden komen te staan.

Zelfs in de veronderstelling dat dit argument waarheid bevat, toch kan men het geestelijk heil van Limburg niet doen afhangen van zulke motieven. Er zou trouwens geen enkel bezwaar tegen zijn dat het bisdom Limburg naast steun in personeel ook door vrijwillige aalmoezen Luik ondersteunt tot men er in staat is zich zelf te behelpen.

5. Vermenigvuldiging der bisdommen

Regelmatig argumenteert men ook vanuit de nadelen voortvloeiend uit een vermeerdering der bisdommen. Daardoor moeten talrijke diensten ontdubbeld worden met de daaraan verbonden krachtverspilling.

Dit argument vindt in België hoegenaamd geen toepassing, zoals de hoger geciteerde cijfers overtuigend aantonen. Daarenboven zijn talrijke diensten omwille der tweetaligheid toch reeds in de een of andere vorm ontdubbeld. De beide bisdommen zouden ook een voldoende bevolking bezitten. Zij zouden nog het bevolkingsaantal van verschillende bisdommen overtreffen. Men zou trouwens Landen en ook wellicht het Land van Overmaas in Limburg kunnen inschakelen.

I Aantal Rooms-katholieken per bisdom in Nederland10

Utrecht 680.000 Breda 390.000
Haarlem 570.000 Roermond 775.000
Rotterdam 625.000 Groningen 90.000
Den Bosch 1.035.000

II. Aantal Rooms-katholieken per bisdom in België (1958)

Mechelen 3.200.000 Doornik 1.200.000
Luik 1.500.000 Brugge 1.040.000
Gent 1.230.000 Namen 570.000

Weliswaar wordt een homogeen godsdienstig Limburg geconfronteerd met de weelderige overvloed der moderne waarden, zonder dat een ongunstig sociaal-economische verleden het christendom, zoals het elders veelal gebeurde, innerlijk ontwricht heeft. Deze godsdienstigheid dankt Limburg niet alleen aan bepaalde uitzonderlijke hoedanigheden van de Limburgse bevolking. Limburg is nog godsdienstig omdat het nog niet de laïciserende invloed van het moderne leven onderging. Tot voor een paar decennia leefde Limburg als een afgesloten gemeenschap, buiten de greep van de moderne wereld. Het kende wel een eerste industrialisatie, maar dank zij de gezonde toestand van de bevolking en de krachtige werking van de K.A.-groeperingen, kon deze industrialisatie in de nog afgesloten gemeenschap godsdienstig worden verwerkt.

Op dit ogenblik staat Limburg echter op een keerpunt.

Een tweede industrialisatie staat voor de deur en hiermee loopt de provincie gevaar onder de socialistische invloed te geraken. Bovendien speelt nu een andere meer belangrijke factor mee. Limburg komt steeds sneller in contact met de buitenwereld en met het moderne leven. De vroegere afgeslotenheid kan deze provincie dus niet langer meer tegen ontkerstening behoeden. Onder invloed van de welstand, die de sociaal-economische vooruitgang meebrengt, zullen de Limburgse arbeiders een grote kans lopen aangegrepen te worden door het materialisme.

De intellectuelen, langs hun kant, zullen zich wellicht laten doordrenken met de godsdienstige onverschilligheid, die onze beschaving kenmerkt. Daarom staat Limburg op een keerpunt. De gezonde bevolking van deze provincie maakt een gevaarlijke periode door en slechts een tijdige extra-inspanning zal de traditionele kristenheid in een moderne wereld kunnen integreren.

In verband met zulke inspanning dient in alle objectiviteit vooruitgezet dat een eigen bisdom voor Limburg ongetwijfeld de bloeiende Kerk in deze provincie kan bewaren en verdiepen. In Luik daarentegen zal men zich toeleggen op “heroveren”

De Limburgse bevolking zal gunstig en dankbaar een Limburgs Bisdom zien tot stand komen; zij zal geestdriftig hiertoe haar, desnoods ook financiële medewerking verlenen voor de gebouwen en voor de materiële inrichting door de nieuwe toestand geschapen.

Oprichting bisdom Hasselt goedgekeurd

Op 30 november 1966 werd door de minister van Justitie Wigny in de Kamer van Volksvertegers het wetsontwerp 300 ingediend dat er toe strekte

  1. de wijziging aan te brengen der gebiedsomschrijving van het bisdom Luik en van het aartsbisdom Mechelen-Brussel
  2. de oprichting van het bisdom Hasselt.

In de memorie van toelichting lezen we:

De Heilige Stoel heeft besloten het grondgebied dat nog toe deel uitmaakt van het bisdom Luik, te verdelen onder drie kerkelijke omschrijvingen

  1. het bisdom Luik, dat de provincie Luik omvat;
  2. het nieuwe bisdom Hasselt, dat de provincie Limburg omvat;
  3. het aartsbisdom Mechelen-Brussel, aan hetwelk het kanton Landen (provincie Brabant) wordt toegevoegd.

De Belgische Regering heeft akte genomen van die beslissing.

Het behoort aan de Wetgevende Kamers uitspraak te doen over de beschikkingen van bijgaand ontwerp van wet, die nodig zijn voor de toepassing van artkel 117 van de grondwet en voor de erkenning van de nieuwe indeling van het bisdom Luik dat erkend werd bij de artikelen 58 en 59 van de organieke wet van 18 germinal jaar X.(8 april 1802)

Vermits ingevolge verscheidene wetten, drie door de Staat bezoldigde bedieningen van vicaris-generaal verbonden werden aan elk van de bestaande bisdommen—waaronder het bisdom Namen, dat minder inwoners heeft dan het nieuwe bisdom Hasselt – dient het aantal vicarissen-generaal van dit laatste bisdom ook op drie te worden vastgesteld.

Aan Waalse zijde werd in het parlement aangedrongen op de aanhechting van de Voer-parochies bij het bisdom Luik doch dit verzoek werd afgewezen.

In de Kamer van Volksvertegenwoordiers werd het wetsontwerp op woensdag 22 maart 1967 goedgekeurd met 115 tegen 76 stemmen. Er waren twee onthoudingen.

In de Senaat werd het wetsontwerp op donderdag 25 mei 1967 goedgekeurd met 66 tegen 16 stemmen en 24 onthoudingen.

Op 24 juni 1967 werd Mgr. Heuschen door paus Paulus VI benoemd tot bisschop van het bisdom Hasselt.

Juffrouw Annie van Houben

In de landelijke gemeenten is het een traditie dat in de volksmond een bewoner meestal genoemd wordt met de voornaam, vervolgens de woning of localiteit waar hij of zij woont en dan de familienaam.

Dit is zeker het geval voor Annie of Anna Rutten. Zij was geboren op Heerenhuis/Houbenhof te Kessenich op 25 december 1913.

Belangrijk is alleszins even stil te staan bij de geschiedenis van het Heerenhuis (Houbenhof).

In het boek “De geschiedenis van Kessenich” geschreven door Piet Henkens, onderwijzer te Maaseik, lezen we op pagina 543:

Op een kaart uit 1709 (Henry Fricx) waarop de omgeving van Stevensweert, Maaseik, Aldeneik, Kessenich, Ophoven en Geistingen is uitgestippeld, komt op de linker Maasoever de naam ‘Heranthous’ voor. De tekenaar kan met ‘Heranthous’ niets anders bedoeld hebben dan het Heerenhuis.

Het Heerenhuis uit de 17de eeuw was een vooruitgeschoven en versterkte nederzetting die tijdens de bouw van de Spaanse vestingswerken van Stevensweert in 1633 werd aangelegd om de schipbrug, die over de Maas lag, te beveiligen. Via deze brug werd de verbinding onderhouden met de westelijke (linker) Maasoever. Van hieruit liep dwars door de Kempen een weg naar Brabant, waarlangs de Spanjaarden munitie en voorraden aanvoerden. Stevensweert met zijn sterke Spaanse vesting moest het de Hollanders onmogelijk maken de Maas als handelsweg voor hun schepen te gebruiken. Sinds jaar en dag lag het Heerenhuis binnen het grondgebied Kessenich.

Over de jeugd van Annie Rutten is niet veel bekend. Alleen weten we dat ze 4 jaar op kostschool geweest is in Luik, wellicht met de bedoeling om Frans te leren.

Sinds 1951 deed Annie twee soorten waarnemingen voor de KMI: ze mat de neerslag én de temperatuur. Voor de neerslag had ze een pluviometer. In de winter was dat een metalen koker, in de zomer een glazen fles. Naast de pluviometer had de KMI een vierpotig hutje geplant waarmee de temperatuur kon gemeten worden. In de hut stonden twee meters: één voor de maximumtemperatuur en ééntje voor de minima. Daarnaast een pen, een vergrootglas en enkele minutieus versneden velletjes.

Annie Rutten
Annie Rutten

Daarop noteerde zij de cijfers die ze achteraf overschreef in een speciale KMI-tabel.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het Heerenhuis (Houbenhof) afgebrand en verbleef Annie bij de familie op Hoezerhof te Geistingen.

Op 14 of 15 oktober 1944 ging Annie, samen met tante Anna en de hoeveknecht Arnold Vangeneygen, zich vergewissen wat er na de brand van Houbenhof was overgebleven. Zij werden door de Duitsers aangehouden en per boot overgebracht naar het dorp Ohé en Laak. Na ondervraging in Huize Geno waar het hoofdkwartier van de Duitsers was gevestigd, kregen zij een verplicht verblijf opgelegd bij de familie Cranssen in Ohé en Laak. Door een verzetsgroep uit het Maasland onder leiding van Joseph Rutten, broer van Annie en sectoroverste van B.N.B-Maaseik, werden ze bevrijd.

Houbenhof
Houbenhof

Annie van Houben had altijd een jachtgeweer in huis om zich te beschermen tegen personen die niet welkom waren. Bovendien was zij vele jaren een goede jaagster op haas en patrijs in de velden langs de Maas.

Zij behaalde een hoge leeftijd: 88 jaar. Zij overleed in het universitair ziekenhuis Gasthuisberg te Leuven op 21 februari 2002.

Haar begrafenis schreef nog kleine geschiedenis. Gezien de enige weg naar Houbenhof onder water stond, was het personeel van de begrafenisondernemer verplicht te voet het stoffelijk overschot een heel eind over de winterdijk te dragen.

De begrafenis van Annie Rutten
De begrafenis van Annie Rutten

Bronnen

  • Oorlog 40-45 tussen Maas en Kempen- Mathieu Rutten - 1990
  • Het Belang van Limburg –26 januari 2000 en 4 maart 2002
  • Het Handelsblad 4 maart 2002
  • De geschiedenis van Kessenich – Piet Henkens

De twee gebroers-priesters Segers

Simon Jan-Renier Segers, gehuwd met Cornelia Rutten, zuster van Martinus Hubertus Rutten, bisschop van Luik, woonde in Neeritter (Nederlands Limburg). Zij hadden drie zonen waarvan er twee priester werden.

1. Jozef Segers, geboren te Neeritter op 24 maart 1872, diaken-leraar benoemd aan het college te Bree augustus 1894, priester gewijd te Luik april 1895, kapelaan te Maaseik september 1897, pastoor te Aldeneik oktober 1906 en aldaar overleden op 29 december 1939.

Jozef Segers
Jozef Segers

2. Jan Segers, geboren te Neeritter op 22 januari 1882, priester gewijd op 11 juni 1906, kapelaan te Sint Truiden 1906-1923, pastoor te Gotem 1923-1928, pastoor te Neerharen 1928-1953.

Hij overleed te Maaseik op 23 december 1962.

Jan Segers
Jan Segers

Testament van Joannes Reinier Hubertus Segers

Op mijn verzoek heeft de zeer waarde Heer Hubert Doumen, pastoor te Aldeneik (Maaseik), welwillend aangenomen mijne laatste wilsbeschikking ten uitvoer te brengen.

Vooreerst verlang ik voor mij persoonlijk een lijkdienst en begrafenis om 11 ure, met 6 Gezongene Missen, erin begrepen de zeswekenmis.

Verder verlang ik te stichten in de parochiekerk van Aldeneik 2 eeuwiggezongen Jaargetijden (met een priester) op mijn fruitweide, groot 39 aren en 0,5 centiaren, gelegen onder Ophoven-Geistingen ter plaatse aan den steenpad Sectie A 1212. Deze H. Missen zullen opgedragen worden, ene voor onze ouders z.g. Simon Segers en echtgenote Cornelia Rutten, en de andere voor Z. Eerwaarde Heer Jozef Segers, oud pastoor en mijne overledene broeder.

Vervolgens te stichten in de parochiekerk van Geistingen – 6 (zes) eeuwigdurende jaargetijden (met een priester) op mijn onroerende goederen gelegen:

  1. te Kessenich: 76 are 30 c. aren bouwland ter plaatse ‘In de Kemp’, sectie A 408 / 33 are 60 c. aren in dezelfde plaats sectie 402
  2. te Ophoven Geistingen: 48 aren 26 c. aren bouwland ter plaatse “boterakker” sectie a 422

De H. Missen-jaargetijden zullen opgedragen worden:

  • den 1ste voor onze ouders Simon Segers en echtgenote Cornelia Rutten en naaste bloedverwanten

  • den 2de voor onze Heeroomen Mgr. Rutten en Hoog Eeerwaarde Heer Kanunik Hubert Rutten

  • den 3de tot zielerust voor mijn trouwe huishoudster z.g. Clara Maria Laumen

  • de 4de tot zielerust voor onze weldoeners

En de twee overigen voor de gebroeders E.H. Jozef en Jan en Renier Segers

Aan het kerkfabriek van Geistingen schenk ik tot onderhoud van de grafkapel onzer beide Hoog Eerw. Heeromen de weide gelegen te Ophoven-Geistingen ter plaatse “op den Pas” sectie A 353 groot 1 Hectare 22 aren en 90 c.aren.

Verder schenk ik aan Anna Rutten (dochter van mijn neef Jaak Rutten van Stockbroek-Kessenich ) voor bewezen diensten en aan Anna Rutten (dochter van Martinus Rutten-Houben) de meubels en huishoudelijke artikelen om onder hen in der minne te verdelen.

Effecten en geldwaarden schenk ik verder aan het Bisschoppelijk Schoolfonds van het Bisdom Luik.

Dit alles opgemaakt volgens het verlangen van mijn Broeder Renier z. g. overleden op 6 november 1954.

Eigenhandig testament opgemaakt te Maaseik, Hepperstraat 4.

Den februari 1960.

Jan Jozef Hubert Segers, Rustend Pastoor en zijne broeder

Een ongelukkige gebeurtenis in de familie Rutten

Theodoor Rutten, geboren te Kessenich op 17 augustus 1804, zoon van Frans Rutten en Ludovica Janssens, trad op 10 juli 1829 te Ittervoort in het huwelijk met Catharina C (K)oolen, geboren te Ittervoort op 11 juni 1798.

Het jonge gezin vestigde zich eerst te Ittervoort waar de zoon Cornelis Hubert op 23 februari 1830 geboren werd. Deze zoon overleed reeds op 4 maart 1830 (negen dagen oud).

Enkele tijd later was Theodoor pachter op een boerderij in ’t Gremelslo nr. 69 te Maaseik (Vennerhof of Ouden Hof). Hier werden vier kinderen geboren:

  • Maria op 3 februari 1831
  • Henri Renier op 28 februari 1834
  • Sibilla op 25 december 1835
  • Johanna op 15 december 1837

Op 29 april 1848 trok Theodoor met zijn gezin naar Nunhem om op 13 april 1863 te verhuizen naar een boerderij in Roggel, gelegen in de heide.

De jongste dochter dochter Johanna, 26 jaar oud, had een relatie met de voormalige knecht Pieter Janssen, geboren in Roggel en 39 jaar oud. Vader Theodoor was niet akkoord met deze relatie.

Het verliefd koppel was voornemens boer Rutten uit de weg te ruimen.

De vrouw van Theodoor, Catharina Koolen, die een slechte huwelijksrelatie had met haar man, was op de hoogte van de moordaanslag maar wenste zich niet met de aangelegenheid in te laten.

Toen vader Theodoor op 12 augustus 1864 rond middernacht huiswaarts keerde, werd hij opgewacht door zijn dochter Joanna en de minnaar Pieter Janssen. Deze laatste sloeg de boer met een zwaar stuk hout tegen de grond en de dochter stak hem met het keukenmes zo brutaal dat de dood onmiddellijk intrad.

Gemeente Roggel

Register van de Burgerlijke Stand van het jaar 1864.

In het jaar achttien honderd vier en zestig, den 13de augustus zijn voor ons ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente Roggel, Hertogdom Limburg, verschenen Peter Hendriks, van beroep dagloner, wonende te Roggel, oud zestig jaren, die zich heeft opgegeven te zijn nabuur van den overledene en Martinus Lemmen, van beroep dagloner, wonende te Roggel, oud zestig jaren, die zich heeft opgegeven te zijn nabuur van den overledene, welke ons verklaard hebben dat Theodoor Rutten, landbouwer, man van Catharina Koolen, zoon van Francis Rutten en van Ludovica Janssen, beiden overleden, oud zestig jaren, geboren te Kessenich (België) laatstelijk gewoond hebbende te Roggel, is overleden den twaalfden Augustus achttien honderd vier en zestig, te Roggel des nachts om twaalf ure.

De drie personen Catharina Koolen, Johanna Rutten en Pieter Janssen werden zwaar ondervraagd en bekenden de moord. Zij werden overgebracht naar de gevangenis, eerst te Roermond en later te Maastricht om voor het Provinciaal Gerechtshof terecht te staan.

De gebeurtenis van de moord maakte een diepe indruk op de familie Rutten. Dit was vooral het geval voor zijn broer Joannes Hendrikus, geboren te Kessenich op 1 april 1809. Deze werd priester gewijd in 1834, kapelaan te Lanaken van 22 maart 1934 tot 11 maart 1839, pastoor te Neerharen van 11 maart 1839 tot 1842 en pastoor te Elen vanaf juli 1842.

Testament van pastoor Rutten

1861

Den allerheiligsten Namen van Jezus Maria en Joseph moeten zijn gebenedijd van nu af tot in de eeuwigheid. Dewijl de Goddelijke Zaligmaker ons met zoo nadruk het Heilig Evangelie vermaant van altoos bereid te zijn tot den dood die ons elk oogenblik kan overkomen, daarom wil ik nu gezond en wel te pas zijnde over mijn tijdelijken goederen beschikken om in de laatste oogenblikken van mijn leven op dezelven niet behoeven te denken.

Na alvorens mijne ziel te hebben aanbevolen in de handen van mijnen Schepper om daar den voorspraak der Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, van den H. Joseph en van mijne H.H. Patronen Joannes en Henricus een genadig oordeel te verwerven, zoo beschik ik over mijne tijdelijke goederen als volgt:

  1. Ik geef aan de kerk van Eelen drie honderd franken met last van jaarlijksch op mijnen sterfdag een zingende jaargetijde te doen celebreren tot lafenis mijner ziel waavoor zal betaald worden aan den pastoor 3 fr, aan den koster l fr, aan den organist 1 fr en aan den orgeltrapper 50 cent.
  1. Ik wil dat mijn boeken verkocht worden en voor den prijs derzelven missen gedaan worden voor mijne ouders en broeders.
  1. Den wijn die na mijn begrafenis nog over is moet verdeeld worden aan de heren pastoors en kapelaans die op mijn begrafenis tegenwoordig zijn met last van der missen voor te lezen voor mij, mijne ouders en broeders.
  1. Ik geef aan den armen van Eelen duizend franken waarvan hun den intrest zal betaald worden de helft op den dag van mijn jaargetijden en de andere helft volgens goeddunken van den eerwaarden heer Pastoor aan de armen die mijn jaargetijden hebben bijgewoond.
  1. Ik geef daarenboven nog 50 franken om brooden uit te delen aan den armen op mijnen begrafenis.
  1. Ik geef aan de kerk voor de ornamenten die ik mee naar het graf neem honderd franken.
  1. Aan de meid die bij mij woont op mijn sterfdag geef ik het ledikant en bed met de gordijnen die zij gebruikt heeft, alsmede volle huur van het lopende jaar.
  1. Mijn landerijen en meubelen laat ik aan mijnen broeder, zusters en aan de kinderen van mijne afgestorvene broeders of zusters om dezelven onder hun volgens regt en billijkheid verdeelen.

Ik vergeef uit den grond mijns harten al die mij ooit iets mogten misdaan hebben en ik vraag ook vergiffenis aan allen die ik ooit iets zou kunnen misdaan hebben.

Eindelijk verzoek ik mijn bloedverwanten, vrienden en al mijn parochianen voor mij te bidden indien ik door Gods barmhartigheid in den Hemel kom zoo ik vastelijk betrouw zal ik ook voor hun bidden en zelf nu tijdens mijn leven zal ik hun in mijn gebeden aandachtig zijn.

Eelen, den 8 september 1861.

J. H. Rutten, pastoor

Seminarist Martinus Hubertus Rutten, de latere bisschop, schreef op 2 januari 1865 in een brief aan zijn broer Renier, pauselijk zouaaf te Rome, het verder verhaal over Dorus (Theodoor): Vergeef mij Renier maar u zult ook verlangen deze zaak te kennen die zo nauw verbonden is met onze familie. De brave en heilige pastoor van Eelen is ontroostbaar, hij kan het beeld van zijn ongelukkigen broeder en de schande zijner familie die anders zo eervol is niet vergeten. Men vreest voor zijne gezondheid die hij door die beklemde droefheid zeer krenken moet. Dorus was gelukkiglijk niet lang voor zijn ongelukkig einde te biechten geweest. Stellen wij onze hoop op de goddelijke barmhartigheid en bidden wij dat zij zijne ziel genadig zij. Later dan zult gij den einduitslag dezer zaak vernemen.

Op 13, 14 en 15 januari 1865 behandelde het Provinciaal Gerechtshof van Maastricht in openbare zitting het dossier Roggel. De gerechtszaal was volledig bezet door nieuwsgierige toehoorders.

Pieter Janssen, verdedigd door advokaat Brouwers, kreeg de doodstraf. Advokaat Cohen pleitte voor Catharina Koolen en de dochter Joanna Rutten. Eerstgenoemde werd vrijgesproken maar Joanna kon de doodsstraf niet ontlopen. Zij en Pieter Janssen zouden op de markt te Maastricht worden opgehangen doch bij Koninklijk Besluit van 21 juli 1865 werd hen gratie verleend en de opgelegde straf omgezet in 20 jaar tuchthuis.

grafsteen pastoor Rutten
grafsteen pastoor Rutten

Hoe het gevangenisleven van Pieter Janssen verlopen is hebben we niet kunnen achterhalen.

Catharina Koolen, weduwe Theodoor Rutten overleed te Nunhem op 6 december 1866.

Pastoor Rutten stierf te Elen op 9 oktober 1872. Of dit overlijden enig verband houdt met de moord van zijn broer is moeilijk te achterhalen. S. Drost, kruisheer te Maaseik, schreef in het tijdschrift De Maasgouw 1907 p. 63: Pastoor Rutten was een zeer bekwaam priester “qui horrende in familia ejus facinore confractus, ultimos vitae annos moestissime peregit”.

Johanna overleed in de gevangenis van Woerden op 16 maart 1869

Burgerlijke Stand Woerden- provincie Zuid-Holland, arrondissement Leijden.

Uittreksel uit het overlijdensregister der gemeente Woerden.

In het jaar een duizend acht honderd negen en zestig, den zestienden Maart, is in deze gemeente overleden in het huis nummer vier en veertig, staande op de Hoogt: Joanna Hubertina Rutten, arbeidster, oud eenendertig jaren, geboren te Maaseijk, laatst woonachtig in Roggel, ongehuwde dochter van Theodoris Rutten en Catharina Coolen, beide overleden.

Het moordkruis te Roggel

In het midden van de 19de eeuw was het, alleszins in Limburg, een traditie een kruis op te richten op de plaats waar een misdaad gepleegd werd. Dit was ook het geval in Roggel, hoek Heiweg-Koekevennerweg op de plaats waar Theodoor Rutten vermoord werd.

Meer dan 20 jaren geleden kreeg ik het bezoek van een aantal Amerikaanse stamgenoten waarvan de voorouders vanuit Nederlands Limburg uitgeweken waren. Zij wilden weten waar deze voorouders geleefd hadden. Omdat ik de familie Rutten genealogisch nogal bestudeerd heb, trok ik naar het kerkhof van Henri-Chapelle waar twee hunner stamgenoten Robert Rutten en Arnold Kleve (moeder Cecilia Rutten) begraven liggen.

Vervolgens ging de reis naar Roggel om een eerder kleine boerderij te bezichtigen waar, zo lang geleden, een Ruttenfamilie gewoond had. Ik stond naast een eikenboom en bewonderde het grote kruis dat er opgehangen was. Voor mij was alles duidelijk: ik stond op het perceel grond waar Theodoor Rutten vermoord was, maar ik hield mijn lippen op elkaar.

Het kruis is van eikenhout. Ieder jaar worden er door buurmeisjes bloemen neergelegd.

(Het kruis is eigendom van de familie Wagemans?)

Moordkruis te Roggel
Moordkruis te Roggel

Lied van de moord te Roggel

(wijze: van den molenaar)

Kom vrienden wilt dit lied aanhoren
hetgeen te Roggel is geschied.
dat zal gewis uw hart doorbooren
luister met aandacht naar mijn lied
hoe een vader door zijn kind
hier zoo gruwelijk werd verslind
met haar minnaar aan haar zij
raken tezamen in druk en lij.

Als zij haar vader sprak van trouwen
was hij hierover niet kontent
zij dacht en sprak het zal u rouwen
ik maak het aan mijn vriend bekend
de moeder op dien zelfden pas
dat hij maar van kant af was
dit was voor ons zeer plasant
duizend franken in uw hand.

Den twaalfden augustus wilt aanhooren
kwam haar minnaar bij haar aan
nu is het goed om hem te vermooren
zij is zelf toen opgestaan;
zij sprak toen eerst haar moeder aan
of zij ook wilde toestaan
dat haar vader wordt vermoord
die bij dat geval niet hoort

Een broodmes heeft zij meegenomen
en ook een hout in hare hand
langs den weg die haar vader moest komen
hebben zij hem aangerand
hij sloeg hem neder op den grond
met een mes hebben zij hem doorwond
O, wat is de wreedheid groot
zij steekt haar eigen vader dood.

Zij geeft het mes aan hare beminde
en sprak steek hem ook nog een keer
opdat de dood hem dan verslinde
en dan zien we hem niet meer;
zij hebben hem daar zoo wreed vermoord
dat hij lag in zijn bloed gesmoord
zij hebben hem onder de stenen gedaan
en zijn naar huis gegaan.

Zij heeft het geld hem afgenoomen
stopten de moeder het in de hand
vader zal niet meer thuis komen
hij is al gemaakt van kant;
hij ligt daar in zijn bloed vermoord
onder brikken zoo als het behoort
nu kan j. worden mijn man
van den moord weet niemand van.

De buren hebben het lijk gevonden
en kenbaar gemaakt aan de wet
hij lag daar in zijn bloed verslonden
en zijn hoofd was heel verplet;
het geregt is naar zijn vrouw gegaan
maar die trekt zich dat niet aan
en de dochter die betwist
dat zij van den moord iets wist.

Zij wierden alle drie gebonden
en naar Roermond getransporteerd
verder naar Maastricht gezonden
daar wierd de zaak gereguleerd;
de regters die hadden het ras verstaan
dat zij de moord hadden gedaan
J. en zijn beminde er bij
maar de moeder die komt vrij.

De regter heeft haar aangesproken
weet gij wat gij hebt gedaan
gij hebt uw vaders hart doorstoken
gij zult zelf de dood doorstaan;
en gij moeder weet er ook van
van den dood van uwen man
maar al spreekt de wet u vrij
God die draagt het altijd bij.

Dus jonkheid ik zeg u voor het laatst
al die zijn nog niet getrouwd
ik raad u voor het allerbeste
als dat gij u maar goed inhoudt;
vraagt aan vader en moeder consent
of zij hiermede zijn kontent
maar doet toch nooit een moord
weet dat God alles ziet en hoort

Het lied van de moord verscheen in het tijdschrift “Rondom het Leudal” nr 21- 1981.

Jan Rutten, ouderdomsdeken van Kessenich, vertelde mij voor 25 jaar dat bij gelegenheid van de kermis te Kessenich alle exemplaren van de tekst van het moordlied dat publiekelijk te koop aangeboden werd, door de familie Rutten opgekocht werden zodat een verspreiding in Kessenich (geboortedorp van Theodoor) niet meer mogelijk was.

1867 - 1902

Wat men opdischt

op ’t feestmaal

Zijne Doorluchtige Hoogheid Mgr. Rutten

op zijn dubbel jubelfeest aangeboden

te Geystingen, 7 juni 1927

Soep met bolletjes

Zwezerikken met Kampernoeliën

Tarbot met Hollandsche saus en aardappelen

Asperges met eieren

Kalfsvleesch met omhulde groenten

Pudding - Fruit

Nagerecht

De kerk van Elen

Gemeente Leudal

De gemeenten Roggel, Heythuizen, Nunhem, Halen-Buggenum, Gratem, Baexem en Neer zijn sedert 1 januari 2007 samengevoegd tot één gemeente onder de benaming Leudal en telt thans 36.745 inwoners.

De stamgenoot Theodoor Rutten, geboren te Kessenich op 7 augustus 1804, trok de grens over om te Ittervoort te trouwen met Catharina Koolen. Op 29 april 1848 vestigde hij zich als landbouwer in Nunhem en later te Roggel. Twee molens in Leudal zijn belangrijk om er aandacht aan te schenken: de watermolen Ste-Ursula, (Leumolen) ‘t Leu te Nunhem en de windmolen Nijken te Roggel.

Ste Ursulamolen ‘t Leu Nunhem

Op 17 maart 1881 vertrok Henri Renier Rutten °28.2.1834, (zoon van Theodoor) met zijn vrouw Johanna Coenen en zijn gezin naar Amerika behalve de oudste zoon Jan (geboren te Nunhem op 17.10.1860) die zijn legerdienst.

Toen hij zijn vaderlandse plicht vervuld had, volgde hij zijn familie niet in Amerika; Hij trad in het huwelijk met Anna Vestjens ° 8.9.1865 de dochter van de molenaar Ste Ursula trouwde. Zij kregen 8 kinderen:

  1. Rutten Hendrik Renier ° 13.5.1890 + 21.7.1915 ongehuwd
  2. Rutten Peter Johannes ° 26.5.1891 + 13.4.1918 ongehuwd
  3. Rutten Theodoor ° 10.6.1892 + 2.6.1918, ongehuwd
  4. Rutten Anna Marie ° 1.8.1893 gehuwd met Simon Vandeknaap
  5. Rutten Jacobus Hubertus ° 2.8.1894 + 30.7.1963, ongehuwd.
  6. Rutten Willem Henri, °5.4.1897 + 30.7.1961 ongehuwd
  7. Rutten Gertrude Hubertine ° 11.1.1896 woonde te Roggel –+ Horn 23 maart 1881, ongehuwd
  8. Rutten Marie Magdalena ° 1.4.1903 + 6 4.1919 ongehuwd

De watermolen die gebouwd werd rond 1770 werkte tot in 1902.

Watermolen te Nunhem
Watermolen te Nunhem

De windmolen

Rond 1900 bouwde Jan Rutten-Vestjens in Roggel langs de weg Horn-Meyl in het buurschap Niken de bekende beltkorenmolen (Volgens Vandaele: Molen zonder balie(galerij) met een vrij hoog onderstuk dat verzonken is in een kunsmatig heuveltje).

De molen van Nijken zou later overgenomen zijn door de gemeente Roggel en nadien door monumentenzorg.

Wie was de molenaar?

Wie de onderwijzer

De windmolen te Roggel
De windmolen te Roggel

Jacob Rutten (1894 – 1963)
Jacob Rutten (1894 – 1963)

Bezoek aan het oorlogskerkhof te Passendale op 12 juli 2007

Reeds enige tijd leefde ik met de gedachte eens naar de militaire kerkhoven in de Westhoek te trekken om de oorlogsgraven uit de Eerste Wereldoorlog te bezoeken, en meer bepaald de graven van de vier Geistingenaren die daar begraven liggen. Uiteraard zou ik de gesneuvelden van Ophoven ook er bij nemen want Ophoven-Geistingen is altijd maar één gemeente geweest.

Toevallig las ik in de kranten van juni 2007 dat de Britse koningin Elisabeth met haar echtgenoot prins Philip, hertog van Edinburg, op 12 juli 2007 naar Passendale zou komen voor de herdenking van “90 jaar Slag van Passendale en 80 jaar Menenpoort”

De Dienst van Toerisme van Ieper stuurde mij een VIP uitnodiging zodat ik het ganse gebeuren van dichtbij kon bijwonen.

Het programma op donderdag 12 juli bestond uit volgende onderdelen:

  • Vanaf 12 u tot 14u30 van bij de Menenpoort met pendelbussen naar Tyne Cot Cemetery in Passendaele
  • 15u30 oecumenische, burgerlijke en militaire plechtigheid op Tyne Cot Cemetery
  • 18 u Speciale Last Post aan de Menenpoort te Ieper

De slag van Passendale

Op 31 juli 1917 werd onder het bevel van de Britse generaal Douglas Haig een groot offensief ingezet. Vanaf de stad Ieper vertrokken meer dan 100.000 Britse manschappen richting de kleine dorpen Pilkern, Zonnebeke, Geluveld, Langemark, Poelkapellen naar Passendale dat op 10 november 1917 veroverd werd. Het hele offensief had de geallieerden een strook voorwaarts over een afstand van 10 km opgeleverd. Het aantal doden was indrukwekkend: 300.000 jonge Britse soldaten en 275.000 Duitsers.

Heel het gebied rond Passendale was totaal vernield. Het landschap bleef lange tijd verlaten. In 1920 telde Passendale slechts 32 inwoners.

Known unto God
Known unto God

Tyne Cot Cemetery

Het gaat hier over de grootste begraafplaats van het Gemenebest. Niet minder dan 12.000 graven. Er zijn 35.000 namen van vermisten. Er is ook een graf van een Belg die naar Canada geëmigreerd was, opgeroepen werd in het Canadese leger en in Passendale sneuvelde. Vier Duitsers liggen er begraven met op hun graf de tekst “lm Tode vereint”.

De Engelse koningin gaat de bloemen neerleggen
De Engelse koningin gaat de bloemen neerleggen

De naam “Tyne Cot” zou volgens majoor Swift de ver-Engelsing zijn van het West-Vlaamse hennenkot (kippenhok). De uitvinders van deze benaming zijn de manschappen van de 50° Divisie.

Op de graven van de vele onbekende gesneuvelden staat het opschrift: “A soldier of the Great War, known unto God” (Een soldaat uit de Grote Oorlog, aan God alleen bekend). Deze tekst komt van de beroemde Engelse schrijver Rudyard Kipling (1865-1936) wiens zoon tijdens de Eerste Wereldoorlog was vermist en nooit werd teruggevonden.

De Engelse militairen met het hoofd naar beneden ten teken van rouw. De jeugd staat klaar om de bloemen aan de personaliteiten aan te bieden
De Engelse militairen met het hoofd naar beneden ten teken van rouw. De jeugd staat klaar om de bloemen aan de personaliteiten aan te bieden

De komst van de Engelse koningin naar het kerkhof van Passendale, omringd door vele personaliteiten, zorgde toch nog voor een verrassing. Aan de hoofdingang van het kerkhof was de erehaag van militairen gevormd. Iedereen dacht dat de koningin via deze ingang het kerkhof zou binnenkomen. Wat zagen we echter: de koningin en de personaliteiten stapten langs de achterzijde het kerkhof binnen.

Op het einde van de plechtigheid legde de koningin bloemen neer aan het offerkruis (The Cross of Sacrifice).

Boven op de top van dit kruis stonden drie Engelse militairen (vertegenwoordigend land- zee- en luchtmacht) met hun geweer in de hand en het hoofd diep naar beneden gebogen ten teken van rouw. Gezien de grote massa bezoekers, duurde het geruime tijd vooraleer ik het kerkhof kon verlaten en met de pendelbus terugkeren naar Ieper. Na een rustige nacht doorgebracht te hebben in Diksmuide, begon ik op vrijdag 13 juli 2007 aan mijn tweede zoekdag.

Het Belgisch militair kerkhof te Adinkerke

Om 9u stapte ik uit het station van De Panne-Adinkerke. Te voet met een zware boekentas naar het militaire kerkhof11. Ik vond in het wachthuisje bij de ingang geen inventarisboek met de rangschikking van de honderden graven. Zo begon ik rij na rij te zoeken naar de graven van twee Geistingenaren en drie Ophovenaren. Met mijn zomerschoenen en de niet zo kort gemaaide gazon had ik vlug natte kousen maar mijn zoektocht ging onverdroten verder.

Het kerkhof van Adinkerke
Het kerkhof van Adinkerke

Het graf van Leonard Hendrikx uit Ophoven
Het graf van Leonard Hendrikx uit Ophoven

Het graf van Mathijs Bartels
Het graf van Mathijs Bartels

Het graf van Arnold Poukens uit Geistingen
Het graf van Arnold Poukens uit Geistingen

Het graf van Pieter Lamberigt uit Ophoven
Het graf van Pieter Lamberigt uit Ophoven

Zo vond ik als eerste graf dit van Pieter Lamberigts, geboren te Ophoven op 12 december 1890, zoon van Petrus en Anna Maria Henckens, soldaat 2° granaatwerpers, gesneuveld te Diksmuide op 1 juli 1916 (graf 1228).

Nadien volgden:

  1. Bartels Mathijs, geboren te Ophoven op 8 augustus 1893, zoon van Gerard en Ida Schummers, soldaat 11° Linie, overleden te Adinkerke op 12 juni 1915.
  2. Hendrikx Leonard, geboren te Ophoven op 29 september 1888, soldaat 8° Linie, gesneuveld in de omgeving van Diksmuide op 8 januari 1916.
  3. Poukens Arnold, geboren te Ophoven-Geistingen op 24 mei 1888, korporaal van het 8° Linieregiment, gesneuveld te Diksmuide op 8 mei
  4. Bij het uitbreken van de oorlog was hij douanier met standplaats Bocholt. Aldaar prijkt zijn naam op het standbeeld van de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog.

Op het einde van mijn zoektocht te Adinkerke was ik lichtjes ontgoocheld omdat ik er niet het graf gevonden had van de Geistingenaar Renier Dirkx, geboren te Ophoven-Geistingen op 13 juni 1881, zoon van Peter Dirkx en Elisabeth Verstraeten, wachtmeester-gendarme, overleden te Adinkerke op 15 november 1916. Later vernam ik van Thieu Wieërs dat hij in Adinkerke begraven ligt (graf 101012).

Ik verliet het kerkhof en pendelde met de trein en de belbus naar Vladslo.

Het Duits militair kerkhof te Vladslo

Dit kerkhof is gelegen op een afstand van ongeveer 12 km van Diksmuide. Het kerkhof is niet zo goed onderhouden als de Britse en Belgische kerkhoven. Toch maakte het op mij een diepe indruk. Hier zijn het geen graven met een kruis maar vierkante tegels vakkundig op de grond geplaatst met op ieder tegel de naam, voornaam en geboortedatum van de gesneuvelde Duitse soldaten. In totaal staan er 25.600 namen vermeld.

Merkwaardig op dit kerkhof is het monument van de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz dat het treurend ouderpaar uitbeeldt neerblikkend naar het graf van hun zoon Peter die in 1914 sneuvelde.

Op het kerkhof liep een aantal Duitse militairen rond in het uniform van de Eerste Wereldoorlog. Het viel me op dat niet bij iedereen op de koppelriem de tekst vermeld stond “Gott mit uns”. Ik vroeg hierover uitleg en kreeg als antwoord dat iedere deelstaat van Duitsland in 1914-1918 zijn eigen vermelding had: Beieren: “In treue Fest”, in Baden- Wurtemberg “Furchtlos und Treu”, in Saksen: “Providentiae Memor”

Het Duits militair kerkhof te Vladslo
Het Duits militair kerkhof te Vladslo

De plattegrond van het kerkhof met de tegels te Vladslo
De plattegrond van het kerkhof met de tegels te Vladslo

Het monument van Käthe Kollwitz
Het monument van Käthe Kollwitz

Voornaam, familienaam en geboortedatum van de Duitse soldaat
Voornaam, familienaam en geboortedatum van de Duitse soldaat

Het Belgisch militair kerkhof te Keiem

Het laatste kerkhof dat ik bezocht was dit van Keiem, gelegen in de omgeving van Diksmuide. Het is niet al te groot maar goed verzorgd. In het kleine wachthuisje bij de ingang bevindt zich de lijst met 650 namen van gesneuvelde Belgische militairen. Opvallend waren er evenveel graven van onbekenden met het opschrift: “Onbekend militair. Stierf voor België”. In de uiterst rechtse hoek van het kerkhof vond ik het graf van de Geistingenaar Mathieu Wetsels, geboren te Ophoven-Geistingen op 26 augustus 1890, zoon van Willem en Gertrudis Janssen, korporaal van het 8° Linieregiment, gesneuveld op 18 oktober 1914.

Het Belgisch militair kerkhof te Keiem
Het Belgisch militair kerkhof te Keiem

Na het bezoek van dit kerkhof sloot ik mijn zoektocht aan de Westhoek af. Met de trein Oostende, Brugge keerde ik naar Tongeren terug. Hoewel vermoeid door de vele kilometers te voet, was ik over mijn tweedaagse reis zeer tevreden.

Het graf van Mathieu Wetsels
Het graf van Mathieu Wetsels

Drie Ophovenaren en een vierde Geistingenaar sneuvelden eveneens tijdens de Eerste Wereldoorlog en liggen op volgende kerkhoven begraven:

  • Hoedemaekers Hubert, geboren te Ophoven op 18 februari 1883, soldaat van het 110 Linieregiment sneuvelde te Herstal op 5 augustus 1914 (eerste dag van de oorlog)
  • Latinne Isidoor, geboren te Ophoven op 19 mei 1893, soldaat van het 110 Linieregiment, sneuvelde te Queue -du-Bois op 6 augustus 1914.
  • Claessens Jan, geboren te Ophoven op 16 februari 1892, zoon Joannes en Sibilla KooIen, soldaat 30 Jagers te voet, sneuvelde te Eppegem op 28 augustus 1914.
  • Gelissen Mathijs, geboren te Ophoven op 31 augustus 1893 of op 20 september 1893, zoon van Renier en Catharina Bosmans, soldaat 10 Artillerie sneuvelde te Rampskapellen of te Pervijse op 30 oktober 1917 en ligt begraven te Veume.
  • Verlaak Jozef, geboren te Kaldenhausen bij Duisburg (Duitsland) op 2 augustus 1896, zoon van Hendrik Verlaak en Helena Doensen,. Zijn ouders die tot de parochie Geistingen, Heidestraat 21 behoorden, waren wellicht werkzaam aan de brikkenovens in Duitsland. Jozef Verlaak, soldaat van het 23° Linieregiment, sneuvelde te Zomergem bij Gent op 31 oktober 1918.

Bron

  • “Ophoven en Geistingen door de eeuwen heen” Donaat Snijders, kruisheer en Jan Geerkens -1966.
  • Persoonlijk bezoek aan de kerkhoven in West- Vlaanderen

Een moedige koningin

Het Belgisch leger capituleerde op 28 mei 1940 in de grootste wanorde. Op 14 juni 1940 meldde de Nieuwe Rotterdamse Courant dat de Belgische koningin Elisabeth in Maastricht was om een bezoek te brengen aan de gewonde Belgische krijgsgevangenen die er verpleegd werden.

Koningin Elisabeth
Koningin Elisabeth

10 mei 1940 te Veldwezelt

Door haar ligging was de gemeente Veldwezelt het eerste doelwit voor de Duitse invasie. Het begon met een zwaar bombardement op de burgers en militairen. Vele tientallen Belgische soldaten sneuvelden. Het waren meest carabiniers. Ook waren er Limburgse soldaten die sneuvelden: Pierre Vanhees uit Kleine-Spouwen, Jan Thomassen uit Opgrimbie en J. Vermeulen uit Paal.

De Duitsers hebben de bunker C te Veldwezelt omsingeld (foto Bundesarchiv 86/83/16)
De Duitsers hebben de bunker C te Veldwezelt omsingeld (foto Bundesarchiv 86/83/16)

Twee dagen na de Duitse inval – 12 mei 1940 – was het Pinksteren en grote kermis in Veldwezelt. De foorkramers hadden hun attracties al opgesteld. De weduwe Vandevenne en haar dochter uit Tongeren die er met hun kermiswagen stonden, werden door de bommen gedood.

Uiteraard werden vele Belgische militairen krijgsgevangen genomen en moesten te voet naar Duitsland marcheren. Onder hen bevond zich de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon. Over deze droevige dagen heeft hij een verhaal geschreven

De rantsoenering der eetwaren

Besluit van 2 oktober 1940

Met ingang van 9 oktober 1940 zal de rantsoenering der eetwaren geregeld worden volgens onderstaande opgave en hoeveelheden. Alleen de lichtbruin-kleurige zegels zijn geldig

Dagelijks rantsoen Totaal voor 30 dagen Hoeveelheid per zegel Aantal zegels voor 1 tijdp.
Keukenbrood 225 gr 6.k.750 225 gr
Tarwemeel 170 gr 5.k.100 170 gr
Deegwaren 150 gr. 4 k.100 150 gr
Beschuiten 125 gr. 3.k 750 125 gr
Dieet 175 gr. 5.k 250 175 gr
Ongebrande koffie 12 gr. 375 gr 125 gr
Gebrande koffie 10 gr 300 gr 100 gr
Surogaten koffie 13 gr. 390 gr 130 gr
Margarine 25 gr. 750 gr 375 gr
Boter 3,3 gr. 100 gr 50 gr
Ossenvet 50 gr 25 gr
Havergort 20 gr 600 gr 200 gr
Zout 40 gr 1.k 200gr 400 gr
Suiker 30 gr 2.00 gr 430 gr
Confituur 15 gr 450 gr 450 gr
Aardappelen 500 gr 15 gr 2.k 500
Huishoudzeep 3,3 gr 100 gr 100 gr
Zeep in poeder 8,3 gr 250 gr 250 gr
Chocolade 3,3 gr 100 gr 33,3 gr
Vlees 75 gr 1 k 250 gr 75 gr

Schrikkelijk ongeval in de mijn Limburg Maas te Eisden

Zeven mijnwerkers kwamen om het leven

Zaterdagavond 18 oktober 1942 werd de ganse Maasvallei in opschudding gebracht. Er had zich in de mijn van Eisden een ongeval had voorgedaan met zeven dodelijke slachtoffers.

Omstreeks 9 u. was de kabel der oplaadbakken van put 2 plotseling doorgebroken met het ongelukkig gevolg dat de bakken te pletter vielen op de bodem van mijn 7. Mijnwerders die juist hun dagelijkse taak beëindigd hadden en naar boven terugkeerden, kwamen alzo jammerlijk om het leven.

De mijn van Eisden
De mijn van Eisden

Drie van de slachtoffers zijn van Neeroeteren met name de gebroeders Jan (ongehuwd) en Jos Stinkens (drie kinderen) en Michel Baudouin (drie kinderen); de vier overige verongelukten woonden in Eisden: Frans Kerpak (ongehuwd), Henri Geihart (ongehuwd), Charles Kravitzek (ongehuwd) en Frans Kropiszik (twee kinderen).

Onmiddellijk stelden verscheidene reddingsploegen alles in het werk om de lijken van de verongelukte mijnwerkers te kunnen bergen.

Treffend is het feit dat alle mijnwerkers spontaan een collecte organiseerden voor de weduwen, de wezen en de naastbestaanden van hun wermakkers.

KONINKRIJK BELGIË

9 JANUARI 1943

AAN DE BEVOLKING

De aanslagen van allerlei aard vermenigvuldigen zich in België.

Landgenoten, behorende tot de meest verschillende middens, zijn er het slachtoffer van geworden. Ook worden er aanslagen gepleegd op leden van het bezettingsleger. Deze handelingen brengen represaillemaatregelen mede waarvan sommige bijzonder tragische uitzichten hebben. Sommige families zijn er door in rouw gedompeld, of leven in een telkens vernieuwde angst.

Dergelijke aanslagen kunnen geen ander gevolg hebben dan het leven en de vrijheid van onze landgenoten in gevaar brengen. Zij veroorzaken een schadelijke agitatie bij de bevolking waarop reeds de gevaarlijke gevolgen van de oorlog drukken. Zij zijn het gevolg van een misdadige geestesverwarring welke veroordeeld wordt door al de burgers die de eisen van de huidige toestand beseffen.

Moesten de aanslagen voortgezet worden, dan zullen al de inspanningen die de Belgische overheden zich bestendig getroosten om de medeburgers de verergering te besparen van de maatregelen die reeds het land bedreigen, volkomen nutteloos geweest zijn.

Het is derhalve een plicht voor de ganse bevolking krachtdadig te ijveren, samen met de bevoegde overheden om de noodlottige actie te keer te gaan van diegenen die, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van hun daden, het land willen brengen onder een regime van verschrikking en bloedvergieten.

De secretarissen-generaal zijn zich de zware plicht bewust die op hun schouders weegt. Alles moet in het werk gesteld opdat dadelijk een einde gesteld wordt aan een openbare wanorde die van zulke aard is dat zij op gevaarlijke wijze de levensbelangen van het land in het gedrang brengen.

De secretarissen-generaal van de ministeries

Kabinet van de heer gouverneur

L/S BES -2561 Hasselt, 2 juli 1942

Aan de heren burgemeesters van Limburg

Mijnheer de burgemeester,

De Feldkommandantur 681 te Hasselt verzoekt mij nogmaals bij u aan te dringen voor naleving der onderrichtingen betreffende de vreemde vliegers die op het grondgebied der provincie neerkomen, zich trachten te verschuilen bij de inwoners en zich verder overleveren aan sabotage daden.

Vele inwoners weten niet of weinig welke zware gevolgen deze handelingen kunnen medeslepen en dat het voor de veiligheid en de rust der gemeenten beter is, dat de aanwezigheid dezer vliegers die na korte tijd toch steeds gevonden worden, onmiddellijk aan de Feldkommandantur kenbaar gemaakt wordt. Een beloning wordt hun daar zelfs voor het aanbrengen van een vlieger uitgekeerd.

De burgemeesters moeten overigens onmiddellijk de val van een vliegtuig telefonisch melden aan de Feldkommandantur; zij beschikken daarvoor over nachtverbinding; daarbij zullen zij zich onmiddellijk in verbinding stellen met de bewakers van het gevallen toestel en bij afwezigheid van vliegers, overgaan tot opsporingen. Zij zullen zich daartoe in verbinding stellen met de burgemeesters der naburige gemeenten die eveneens deze maatregelen te nemen hebben.

Zij gelieven ons omtrent de door hen getroffen maatregelen een kort verslag te zenden. Op deze wijze zult u aan uw medeburgers die zich uit lichtzinnigheid, onwetendheid of zelfs om reden van caritatieve aard aan zeer erge straffen blootstellen, zware gevolgen van dergelijke handelingen helpen besparen.

Hoogachtend

De gouverneur a.i.

J. Lysens

Vertaling Duitse brief

Feldkommandantur Hasselt, 21 8.1943

Aan de heer Gouverneur van Limburg
te Hasselt

Naar aanleiding van talrijke neergeschoten Amerikaans-Engelse bommenwerpers op 17 8.43 (bombardement op de kogellagerfabriek te Schweinfurt) moest spijtig genoeg worden vastgesteld dat de bevolking van de provincie Limburg ten dele een houding aan de dag gelegd heeft, die niet langer kan geduld worden. Ondermeer is vastgesteld:

  1. De met valscherm neergekomen vliegers werd de mogelijkheid gegeven te ontvluchten. Vliegers werden opgenomen en voorzien van burgerlijke kledij en van levensmiddelen. Dergelijke handelingen worden gestraft met in hechtenisneming en in zwaardere gevallen met de dood. De betrokken personen werden aangehouden en zullen veroordeeld worden.
  1. De vliegtuigen en neergevallen vliegers werden geplunderd. Het is vanzelfsprekend dat ook een dergelijk handelen ten strengste verboden is en nadrukkelijk gestraft wordt.
  1. Daarenboven een Duitse vlieger, die een noodlanding deed en die gewond was, met inbegrip van zijn vliegtuig, uitgeplunderd geworden. De gemeente waar zich deze misdaad voordeed, heeft schadevergoeding te schaffen en wordt daarenboven aanzienlijk gestraft.

Op grond van bovenstaande feiten wordt nogmaals met de meeste nadruk gewezen op de bestaande onderrichtingen.

A/ De burgemeesters zijn verplicht zorg te dragen voor het onverwijld versperren van de plaatsen der landingen. De beschikbare politiekrachten moeten onverwijld naar deze plaatsen gezonden worden. Al de vliegtuigen naderende burgerlijke personen moeten weggestuurd worden, desgevallend ook door het gebruik der wapens en in geval van weigering aangehouden worden. De bevolking dient hierop door openbare bekendmaking gewezen te worden en dient andermaals op de voorziene straffen attent gemaakt.

B/ Noodlandingen en neerschietingen dienen onverwijld d.w.z. binnen de eerste minuten na het bekend worden, telefonisch gemeld aan de Feldkommandantur.

In de toekomst zal tegen elke burgemeester die deze vanzelfsprekende plicht verzuimt, strafrechtelijk opgetreden worden.

C/ De bevolking dient nogmaals gewezen te worden op de bestaande verordeningen omtrent het herbergen en ondersteunen van gelande Engelse en Amerikaanse vliegers.

Er wordt verzocht deze schikking aan de betrokken burgemeesters ook in Vlaamse vertaling bekend te maken.

w. g. Helwig
OBERST

Voor Robert Clarke was het water van de Maas niet te diep

Het lijkt me nuttig in een kort verhaal te vertellen van de Engelse Stirling EE873 van het 90ste Squadron in een formatie van 300 bommenwerpers die in de nacht van 13 op 14 juli 1943 een raid uitvoerden op de stad Aken. De bommenwerper was opgestegen op het vliegveld West Wicham in Engeland om 22u30. Er waren acht bemanningsleden aan boord:

  • Piloot 144181 F/lt. C. E. Cooms
  • Piloot 1377068 FR/Sgt. E. Candy
  • Navigator 127306 F/O P D Swallow
  • Bommenrichter 1501161 Sgt. Dawson
  • Radiotelefonist 1332091 Sgt. C A Long
  • Werktuigkundige 1474536 Sgt. J O Bradshaw
  • Boordschutter 1002829 Sgt. Robert Clarke
  • Staartschutter 1585887 Sgt. E B Potter

Aanvang van de reisroute
Aanvang van de reisroute

In de omgeving van Aken werd de bommenwerper aangeschoten door een Duitse jager en vatte vuur. Het brandend vliegtuig verloor hoogte en plofte in de morgen van 14 juli 1943 neer te Rotem “Op de Leem”. Heel zeker zal de piloot aan zijn bemanningsleden het bevel gegeven hebben “bail out” (“spring uit”). Slechts één bemanningslid gaf hieraan gevolg met name de boordschutter Robert Clarke die in de omgeving van Roermond zijn parachute gebruikte en met een lichte verwonding aan zijn voet aan de grond kwam. De zeven andere bemanningsleden stierven in het brandend vliegtuig. Zij liggen begraven op het Engels kerkhof te Heverlee.

Robert Clarke, geboren op 5 februari 1918, in dienst van de RAF sedert 5 juni 1940, geraakte terug in Engeland en gaf op 12 september 1943 zijn wedervaren.

In de veronderstelling dat hij in de omgeving van Roermond aan de grond kwam, is het duidelijk dat hij over drie bruggen moest geraken: deze van het Julianakanaal, van de Maas en het Albertkanaal. Ik vat zijn verslag samen:

In de omgeving van Aken werd ons toestel beschoten door een Duitse jager en vatte vuur. Ik slaagde erin met mijn parachute de bommenwerper te verlaten. Ik kwam in de omgeving van Roermond in een tarweveld aan de grond. Het was 1 u in de morgen, 14 juli. Mijn rechter enkel was bezeerd zodat ik het moeilijk had om te lopen. Ik besloot daarom wat te rusten. Mijn voedsel bestond uit Horlictabletten en chocolade.

In de nacht van 16 juli ging ik op pad. De zware botten had ik achtergelaten zodat ik op mijn sokken en later blootvoets verder marcheerde, steeds in Zuid-Westelijke richting. Overdag zocht ik dekking achter een haag.

De volgende dag zette ik mijn reis verder en bereikte het Julianakanaal in de omgeving van Papenhoven (Nergens is vermeld hoe hij over de brug van het Julianakanaal geraakt is). Tijdens de dag van 17 juli verstopte ik mij in het struikgewas maar werd toch opgemerkt door een boer die mij eten en drinken gaf. (Willem Reynen in Grevenbicht)

Rond het middaguur van 21 juli kwam ik in Maastricht toe waar ik een wegwijzer zag met de vermelding “Tongeren”.

Ik verliet de grote weg om te gaan rusten in een tarweveld. Rond middernacht hernam ik mijn voettocht in de richting van de grens met België waar ik over een brug moest die bewaakt was door Duitse schildwachten.

Opnieuw zocht ik rust in een tarweveld. Op 23 juli rond 10 u stapte ik samen met twee kinderen die een groep koeien en schapen begeleidden over de brug van het Albertkanaal (Vroenhoven). Blij dat ik een gevaarlijke klip omzeild had, zette ik mijn weg onverdroten verder want tegen de avond bereikte ik Tongeren waar ik de nacht doorbracht in een kleine schuur. ’s Anderendaags, 24 juli, geraakte ik tot in Sint-Truiden waar ik binnenstapte bij een haarkapper die mij ontdeed van mijn stoppelbaard zonder dat er ook maar een woord gewisseld werd. In Sint-Truiden kon ik vers fruit en drank kopen. De volgende stad die ik voorbijtrok was Tienen (25 juli) en tegen de avond arriveerde ik in de omgeving van Leuven. Na opnieuw in open lucht gelogeerd te hebben, vervolgde ik mijn weg op 26 juli. Op 27 juli bereikte ik Brussel en in de omgeving van het Noord-station stapte ik een café binnen en bestelde een glas bier. De dienster merkte dat ik een Engelsman was en zij haalde er de cafébaas bij die een Italiaan scheen te zijn die Engels sprak. Hij was lief voor mij en gaf me te eten maar was van mening dat ik mij beter overgaf aan de Duitsers. Toen ik opstapte om mijn weg verder te zetten, drukte hij mijn hand en vroeg mij uitdrukkelijk dat ik nooit zou toegeven dat hij mij kende of me ooit ontmoet te hebben. Ik doorkruiste de stad Brussel van Zuid tot West en ’s anderendaags bereikte ik eerst Halle en nadien Lembeek waar ik rust nam in de omgeving van een boerderij. Een vrouw kwam op me toe en wilde een gesprek beginnen. Ik antwoordde niet. Toen kwam haar man te voorschijn die zich vrij spoedig liet ontvallen “English”? Het ijs was gebroken. Later kwam de boer terug met verzoek hem te volgen. Hij bracht mij naar een afgelegen plaats. ‘s Avonds kwam de boer met twee mannen tot bij mij. Deze brachten mij naar een woning in Lembeek waar een Engelssprekende dame woonde die zich verder met mij zou inlaten.

Deze dame was de in Londen geboren Jeanne Macintosh die in mei 1940 op bezoek was bij haar familie in Lembeek en door de oorlogsomstandigheden niet tijdig kon terugkeren naar Engeland. Zij was een van de belangrijkste schakels in de Comètelijn die de geallieerde piloten in bezet gebied hielp om terug te keren naar Engeland. Zij werd op 15 januari 1944 door de Duitsers aangehouden en verbleef tot het einde van de oorlog in het concentratiekamp van Ravensbrück.

Er blijven voor mij twee ongekende punten: hoe is Robert Clarke over de bruggen van het Julianakanaal en van de Maas geraakt. Voor twee jaar ben ik er achter geraakt. Ziehier mijn uitleg:

Toevallig kreeg ik kontakt met Sjen Reynen, 75 jaar, Boulevard 14 te Grevenbicht. (Nederlands Limburg) met wie ik bij hem thuis op maandag 6 augustus 2007 een gesprek had in verband met de Britse piloot Robert Clarke. Hij vertelde mij het volgende:

Op een zaterdagnamiddag (17 juli 1943) was ik samen met mijn vader Willem werkzaam in de velden tussen Grevenbicht en Papenhoven. Ik was 11 jaar oud. Op een zeker ogenblik zag ik beweging in een tarweveld. Ik ging korter bij en ik stelde vast dat het een persoon was in een militaire uitrusting. Vader wist onmiddellijk dat het over een Britse piloot ging. Hij wilde hem mee naar huis nemen maar zijn broer raadde dit ten stelligste af. Toen kreeg mijn oudste broer Jaak opdracht bij de door de Duitsers afgezette burgemeester burgerkleren te halen. In het tarweveld werd van kledij veranderd.

Dezelfde avond – het was een zaterdag – tussen 23 u ’s avonds en 4 u ’s morgens, heeft vader de piloot vanaf Papenhoven badend door de Kingbeek gebracht tot op het punt waar de beek in de Maas uitmondt. Dit was in het naburige Nederlandse dorpje Illecoven, ongeveer tegenover Elen en Heppeneert (Belgische zijde.) Op dit punt is de Maas zeer ondiep en zo is Robert Clarke wadend door de Maas in België geraakt.

We hebben nooit geweten – aldus Sjeng – waar de Britse piloot met zijn parachute aan de grond gekomen is noch hoelang hij in het tarweveld gelegen heeft voor we hem vonden. Sjen Reynen toonde mij een zuurstofapparaat dat hij korte tijd na de ontmoeting met de piloot in de omgeving van het tarweveld gevonden had. Wellicht heeft dit toebehoord aan Robert Clarke.

Vader heeft na de oorlog van de Nederlandse regering voor zijn moedige daad het oorlogskruis ontvangen.

Junker Ju 87 1938
Junker Ju 87 1938

Den draad is terug

Het Belang van Limburg-donderdag 18.3.2010

Elektrische draadversperring gereconstrueerd te Molenbeersel

In Molenbeersel, aan grenspaal 146, staat opnieuw een stukje Eerste Wereldoorlog. Een stukje dodendraad, de elektrische draadversperring waarmee de Duitsers vanaf 1915 gaandeweg de Belgische-Nederlandse grens afsloten, is herrezen. De constructie over een afstand van 50 meter werd opgericht aan paal 146, op de juiste plaats “Kempkes”, voorheen een zeer bekend smokkelaarscafé.

Bij de opening waren er eerst de toespraken van burgemeester Brouns van Kinrooi en van zijn collega aan de overkant Arno Verhoeven van de gemeente Leudal, wat vroeger Hunsel heette.

De ware geschiedenis van de draad werd gebracht door de Antwerpse professor Alex Vanneste die er trouwens twee boeken over geschreven heeft. Hij heeft de geschiedenis van de draad ontdekt toen hij kennis kreeg met zijn toekomstige vrouw Paulette Cuyvers uit Neerpelt.

Bij de openstelling van de constructie kreeg Hubert Van Eygen, voorzitter van de plaatselijke cultuurraad, veel aandacht omdat hij de wacht hield aan het wachthuisje met de Duitse pinhelm op zijn hoofd, die hij geleend had van Lambert Kiggen uit Molenbeersel. Deze is ook nog in’t bezit van een grote houten tang waarmee de Duitsers de katten en honden die aan de draad bleven plakken, te verwijderen. De grond waarop de draad en het schakelhuis werd geplaatst, werd gratis verhuurd door de Nederlander Harry Van Lishout.

Het strekt de pioniers die de draad geplaatst hebben tot eer want nu kan aan de schoolkinderen visueel uitgelegd worden hoe en waarom de draad geplaatst werd tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Ontsnappingen uit de gevangenis te Tongeren

De gevangenis van Tongeren is de oudste gevangenis van België. Zij werd opgericht in 1844 en is ook de eerste cellulaire gevangenis. De gevangenen werden in cellen opgesloten en één- of tweemaal per dag maakten zij op de binnenkoer van de gevangenis een wandeling. De idee van het inrichten van cellen kwam van Antoine Eduard Ducpétiaux, Belgisch sociaal hervormer en organisator. (29 juni 1804-21 juli 1868). Van 29 november 1830 tot 26 mei 1861 was hij inspecteur-generaal van het gevangeniswezen.

De gevangenis was zo technisch gebouwd dat er van ontsnappen geen sprake kon zijn. Er is evenwel gebleken dat dit wel mogelijk was.

De gevangenis in Tongeren
De gevangenis in Tongeren

De eerste ontsnapping gebeurde in 1927. Het betrof een zekere Esser. Op welke wijze hij kon ontsnappen hebben we niet gevonden.

De tweede ontsnapping had plaats in 1935.

In de krant Het Nieuwsblad van 12 november 1935 lazen we onder meer:

De ontvluchting van Van Tulden uit de gevangenis te Tongeren

Het Parket ter plaatse

Maandagmorgen is het parket van Tongeren afgestapt in de stedelijke gevangenis, teneinde de verantwoordelijkheid te bepalen inzake de ontvluchting van Van Tulden.

Het is niet uitgesloten dat een of twee gevangenisbewaarders in beschuldiging zullen gesteld worden. Immers zulks was ook het geval na de ontvluchting van den beruchten dief Esser in 1927.

Terloops weze eraan herinnerd dat de gevangenis van Tongeren gebouwd werd in 1841 (1844). Den 2 juli 1904 ontstond brand, met het gevolg dat het gebouw volledig vernield werd. Sindsdien werd zij meer modern heropgebouwd wat niet belette dat Van Tulden er zich niet thuis voelde, vermits hij de vlucht nam.

De meest spectaculaire ontsnapping was deze van Niek Bergmans uit Lommel in 2004. Zonder medehulp, klom hij over de hoge buitenmuur en liet zich naar beneden glijden; hij was maar lichtjes gekwetst aan zijn voet.

Op korte afstand van de gevangenis stonden zijn ouders met de auto klaar om hem op te vangen. Gedurende een korte tijd was hij werkzaam in een manège in het zuiden van de Nederlanse provincie Limburg.

Vele weken zwierf hij nadien per fiets doelloos rond.

Toen hij zijn grootvader in het rusthuis van Neerpelt ging bezoeken, werd hij herkend en opnieuw aangehouden.

Tot driemaal toe ontsnapte hij: in Zweden, in Tongeren en in Brugge. Thans verblijft hij in de gevangenis ergens in België.

De laatste gevangenen van Tongeren verhuisden op zaterdag 2 april 2005 naar andere gevangenissen. De gevangenis heeft dan lang leeg gestaan. Toen het Gallo-Romeins Museum een verbouwing uitvoerde, kreeg de administratie van het museum er een onderdak.

In september 2006 werden de niet meer gebruikte gevangenis van Tongeren te koop gesteld. De vraagprijs van de Regie der Gebouwen bedroeg 460.000 euro maar een kandidaat daagde niet op.

Gezien de overbezetting in de jeugdgevangenissen kwam het voorstel om de gevangenis van Tongeren om te bouwen tot een jeugdgevangenis wat dan ook gebeurd is onder de benaming “Gesloten Federaal Centrum van Tongeren”. Zij werd opgericht door de Vlaamse Gemeenschap op 12 november 2009. De gedetineerden zijn jongeren die uit handen gegeven zijn door de jeugdrechter. Thans verblijven er elf in de instelling te Tongeren.

Jongeren die opgesloten zitten, hebben een grote honger om de vrijheid terug te krijgen. Op 10 februari 2010 probeerden er drie om over de muur te geraken. Dit lukte hen wel. Twee waren gewond en maakten kennis met het ziekenhuis. De derde werd terug aangehouden in Antwerpen.

Op 21 februari 2010 wist de jeugdige gedetineerde A. Y. die slechts sedert enkele dagen in de gevangenis van Tongeren verbleef, te ontsnappen. Na drie uur kon hij weer gevat worden.

Bronnen

  • Het Nieuwsblad 12 november 1935
  • Het Belang van Limburg 7.2.2007
  • Brochure “150 jaar gevangenis “ 1844-1994

De rijkswacht te Tongeren

Op 18 juli 1798 eiste het gemeentebestuur van Tongeren het voormalig Minderbroedersklooster op om er de rijkswacht in onder te brengen. Bij de samensmelting van Nederland en België in 1815 kwam de inkwartiering van de Hollandse marechaussee die de helft van het klooster in gebuik nam. De andere helft diende als gevangenis. Bij de opstand in 1830 kwamen er Belgische rijkswachters. Op 11 mei 1842 werd voor de rijkswacht een nieuwe vleugel gebouwd met de rug tegen de gevangenis.

Omstreek 1910 voldeed de gevangenis niet meer aan de gestelde behoeften en werd tussen 1911 en 1913 een nieuwe kazerne gebouwd langs de Maastrichtersteenweg.

In 1959 werd de oude rijkswachtkazerne in de St.-Jansstraat afgebroken om er een nieuwe kapelanie en feestzaal te bouwen.

Bronnen

  • Henri Baillien – Rijkswacht en gevangenis sedert de Franse revolutie
  • Het Oude Land van Loon - Jaarboek van de Federatie der Geschied- en Oudheidkundige Kringen van Limburg Jaargang XXXVI -1981

Brand in de gevangenis te Tongeren – 1904

De Postrijder, het Tongers weekblad schreef op 5 juli 1904 volgend artikel over de brand in de gevangenis.

De gevangenis van 1842, afgebrand in 1904, volgens een litho uit het midden van de 19de eeuw
De gevangenis van 1842, afgebrand in 1904, volgens een litho uit het midden van de 19de eeuw

Tongeren - De gevangenis in brand

Een brand, gelijk Tongeren er sedert vele jaren geenen meer beleefd heeft, is zaterdag, rond ‘ 7 uur ’s avonds ontstaan in de celgevangenis te Tongeren.

Naar het schijnt, moet de ramp in eene schouw begonnen zijn en zich vandaar heeft overgezet aan de zolders vanwaar het vuur met een ontzettende snelheid zich over heel het gebouw heeft uitgebreid. De gevangenis van Tongeren bevindt zich in de laagte der stad, aan het einde van de Wijngaardstraat en langs de prachtige Kastanjewal waar de Jeker hare muren bevochtigt.

Zij maakt een groot vierkantig gebouw uit waartegen de gendarmerie aangelegen is. Eene fabriek en drukkerij van papierzakken, toebehoorende aan den heer Franz Van den Haute-Zegers, is er ingesteld en bezigt een aantal gevangenen.

Tegenwoordig waren er een 25-tal gevangenen opgesloten waartusschen drie vrouwen en drie personen die voor het Assisenhof , op 18 dezer, moeten verschijnen.

Toen de brand ontstond, waren al de gevangenen in hun cel opgesloten. De schemering der vlammen drong weldra tot bij hen door en toen ontstond er, gedurende weinige oogenblikken, bij hen een paniek die verschrikkelijk was. De gevangenen wierpen zich als wilde beesten tegen hunne zware deuren of hingen huilend van wanhoop aan de traliën hunner enge vensters. De gendarmen waren onmiddellijk in het gevang vereenigd; men opende spoedig de cellen en de gevangenen werden allen naar de kazerne der gendarmerie overgebracht.

Niemand is in het gevang vergeten gebleven en er is geen persoonlijke ramp te betreuren.

In afwachting dat men de gevangenen naar de arresthuizen van Hasselt en Luik zou overdoen, waren deze voorlopig te zamen opgesloten in een paardenstal der gendarmerie.

Ondertusschen breidde zich de gloed op onmogelijke wijze uit en overdekte weldra heel de uitgestrektheid der grote gebouwen. De vleugel, bewoond door den heer bestuurder der gevangenis en waar de fabriek van M. Van den Haute ingericht was, wierp vuur en vlammen op eene onschatbare hoogte, zoodat heel de stad er door met een laaie gloed verlicht was. Achtereenvolgens brak het vuur vewoed los in de kapel, de cellen en de kamers en dit met eene kracht dat er geen redden of helpen aan was.

Heel Tongeren was op de plaats des onheils saamgestroomd.

De heer burgemeester Meyers en prokureur Coart bevonden zich van de eersten ter plaats. Eene afdeling soldaten der mijnwerken, welke zich sedert eenige dagen in Tongeren bezig houdt, onderscheidde zich te zamen met politieagenten, gendarmen en burgers om de orde te verzekeren, de gevangenen te bewaken en de redding te bewerken.

Van de gevangenis van Tongeren blijven slechts de vier muren.

Groepsfoto van het personeel van de Tongerse gevangenis in 1911: rechtstaand: Peters, cipier, Matton, chef-cipier, Lefèbvre, directeur, Nyssens en Geuens, cipiers; op het voorplan: Dokter Delvoie, boekhouder Smets en surveillante Lathouwers
Groepsfoto van het personeel van de Tongerse gevangenis in 1911: rechtstaand: Peters, cipier, Matton, chef-cipier, Lefèbvre, directeur, Nyssens en Geuens, cipiers; op het voorplan: Dokter Delvoie, boekhouder Smets en surveillante Lathouwers

De verpachting van de Maas 1934

Bestuur der Registratie en Domeinen

Openbare verpachting der gemeenschappelijk aan België en Nederland behorende Veerponten op de rivier de Maas.

Op dinsdag 4 december 1934 om 11 uur, zullen door de Ontvanger der Registratie en Domeinen te MAESEYCK ten stadhuize aldaar, op de na te melden voorwaarden in het openbaar bij inschrijving verpacht worden de hiernavermelde gemeenschappelijk aan België en Nederland behorende Veerponten op de rivier de Maas, in de volgende Perceelen:

  • Kantoor MAASTRICHT
    Kantoor SICHEN-SUSSEN-BOLRE
    Perceel 1
    • Het klein veer te Eysden (Lanaye)
      Laatst verpacht voor fr. 36
  • Kantoor MAASTRICHT
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 2
    • Het klein veer te Itteren (Neerharen)
      Onverpacht
  • Kantoor MAASTRICHT
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 3
    • Het klein veer te Bunde (Herbricht, gemeente Neerhaeren)
      Laatst verpacht voor fr. 8
  • Kantoor MAASTRICHT
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 4
    • Het klein veer te Geulle (Uychoven)
      Laatst verpacht voor fr. 440
  • Kantoor MAASTRICHT
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 5
    • Het groot veer te Elsloo (Boorsheim)
      Laatst verpacht voor fr. 404
  • Kantoor MAASTRICHT
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 6
    • Het klein veer te Kleine Meers (Geneuth, gem. Boorsheim)
      Laatst verpacht voor fr. 150
  • Kantoor te MAASTRICHT
    Kantoor te MECHELEN A/M
    Perceel 7
    • Het klein veer te Maasband (Eysden)
      Laatst verpacht voor fr. 2
  • Kantoor MAASTRICHT
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 8
    • Het klein Veer te Stein (Maeselhoven) (gem Leuth)
      Onverpacht
  • Kantoor SITTARD
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 9
    • Het klein veer te Urmond (Meeswijck)
      Laatst verpacht fr. 20
  • Kantoor SITTARD
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 10
    • Het groot veer te Berg (Meeswijck)
      Laatst verpacht voor fr. 800
  • Kantoor SITTARD
    Kantoor MECHELEN A/M
    Perceel 11
    • Het klein veer te Obbicht (Stockheim)
      Laatst verpacht voor fr. 4
  • Kantoor SITTARD
    Kantoor MAESEYK
    Perceel 12
    • Het groot veer te Grevenbicht (Rothem)
      Laatst verpacht voor fr. 900
  • Kantoor ROERMOND
    Kantoor MAESEYK
    Perceel 13
    • Het klein veer te Visschersweert (Eelen)
      Onverpacht
  • Kantoor ROERMOND
    Kantoor MAESEYCK
    Perceel 14
    • Het klein veer te Ohe (Aldeneyck) gem Maeseyck
      Laatst verpacht voor fr. 4

Voorwaarden (kort samengevat)

De verpachting heeft plaats bij inschrijving. De inschrijvingsbiljetten moeten gesloten en op zegel geschreven zijn. Zij moeten door de inschrijvers en borgen ondertekend en de naam, voornamen en plaats bevatten alsmede de geboden som in Belgisch geld.

De opening geschiedt in het bijzijn van de belanghebbenden.

Ieder veer wordt afzonderlijk verpacht.

Een der borgen moet Belgisch, de andere Nederlands ingezetene zijn

Iedere staat behoudt zich het recht voor een vroegere pachter, die het materiaal heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bestemd was bij de verpachting van de mededinging uit te sluiten.

De betaling der pachtpenningen die 145 fr of tien gulden of meer per jaar bedragen, moet geschieden per kwartaal en bij vooruitbetaling den vijftiende van elke der maanden januari, april, juli en oktober, ten kantore van de ontvanger der Registratie in België en in Nederland bij elk veer aangewezen.

Wanneer een veer wordt opgeheven eindigt de pacht met de dag der opheffing.

De verpachting geschiedt voor een periode van negen jaren ingaande op 1 januari 1935 en eindigend 31 december 1943.

De Staat is bevoegd in de loop der pacht kleine veren tot grote te maken, en, in verband daarmede de pacht van het te veranderen kleine veer voor drie maanden na opzegging te doen eindigen.

De pachters van de twee grote veren waartussen een nieuw groot in werking komt, hebben wegens de vestiging van dat veer geen aanspraak op schadevergoeding maar zijn bevoegd tot opzegging der pacht.

Wanneer een pachter in staat van faillissement is verklaard, kan de Staat de pacht doen eindigen op zodanig tijdstip als hij verkiest.

Bij overlijden van de pachter heeft de Staat het recht om de pacht tegen het einde van het pachtjaar waarin het overlijden voorvalt, te doen eindigen.

Wijziging van het tarief der veergelden geeft de pachters geen recht op schadevergoeding of pachtvermindering maar wel om de pacht op te zeggen.

De Staat draagt zorg voor de vernieuwingen en herstellingen der ponten en verdere vaartuigen met hun ankers, kanaal, landings-, anker- en gierkettingen en van de stander met bel, de meer- en peilpalen behorende bij de grote veren;

Het aanschaffen en onderhouden van soliede vaartuigen en verdere benodigdheden bij de kleine veren is ten laste der aanpachters.

T A R I E F

Gulden genomen
aan 15 fr

fr. fl.
Voor een persoon onbeladen of beladen met een last de 50 kgr niet overtreffende 3 0,45
Voor eet- en koopwaren niet op een wagen, een paard of muilezel geladen voor 50 kgr 3 0,45
Voor iedere 10 kilogrammen meer 1 0,15
Nota. De inladers moeten het gewicht opgeven. Die opgave kan door den veerman worden geverifieerd
Voor een paard of muilezel met zijn ruiter en valies 20 3
Voor een beladen paard of muilezel 16 2,40
Voor een onbeladen paard of muilezel 12 1,80
Voor een ezel of ezelin beladen 12 1,80
Voor een ezelin of ezel onbeladen 10 1,80
Voor een paard, muilezel, os, koe, ezel of ezelin voor den akkerbouw dienende of ter weide gaande 10 1,50
Voor een os of eene koe, kooplieden dienende en ter verkoop bestemd 16 2,40
Voor een kalf of varken 5 0,75
Voor een hamel, schaap, bok,geit,speenvarken en voor ieder paar ganzen of kalkoenen 4 0,60
Voor een geladen kar of rijtuig met twee wielen, met een paard, muilezel of met niet meer dan twee ossen gespannen en voor de voerman 30 4,50
Voor een geladen kar of rijtuig met twee wielen, met 2 paarden of muilezels of 3 en 4 ossen, bespannen en voor den voerman 40 6
Voor een geladen kar of rijtuig met twee wielen, met drie paarden, of muilezels bespannen en voor den voerman 50 7,50
Voor een ledige kar of een rijtuig met 2 wielen het paard en den voerman 20 3
Voor een geladen kar of rijtuig met vier wielen, het paard en den voerman 35 5,25
voor een geladen wagen of rijtuig met vier wielen, met twee paarden bespannen en voor den voerman 50 7,50
Voor een geladen wagen of rijtuig met vier wielen, met twee paarden bespannen en voor den voerman 70 10,50
Voor een onbeladen wagen of rijtuig met 4 wielen, met een paard bespannen en voor den voerman 25 3,75
Voor een geladen kar, dienende tot vervoer van oogst of mest met een paard of niet meer dan 2 ossen bespannen en voor den voerman 15 2,25
De reizigers moeten bovendien ieder het recht verschuldigd voor één persoon te voet betalen.
Voor een rijwiel met twee wielen 0,30
Voor een rijwiel met drie wielen en een motorrijwiel met twee wielen 5 0,75
De berijders der rijwielen zijn bovendien het gewone veerloon verschuldigd.
Motorrijwielen met twee wielen en met een aanhang- of zijspanwagen, motorrijtuigen met drie wielen en woonwagens die door niet meer dan één trekdier worden getrokken, worden gelijkgesteld met een rijtuig met vier wielen en een paard.
Motorrijtuigen met meer dan drie wielen stoomwalsen, locomobielen en stoomdorschmachienen, alsmede woonwagens met twee paarden worden gelijk gesteld met een rijtuig met vier wielen en twee paarden.

Vrijstellingen

De pachters zijn verplicht zonder betaling van veerloon over te brengen:

  1. De staatsambtenaren in dienst reizende met hunne paarden en rijtuigen.
  2. De rijks- en gemeenteveldwachters, marechaussées en dienaren van politie zoo voor zich als voor de transporten.
  3. De postboden, voerlieden en conducteurs belast met het overbrengen van den brievenpost met hunne paarden en rijtuigen.
  4. De ambtenaren belast met de politie en het toezicht over de veren of het beheer der rivier.
  5. De ordonnonces en boden in dienst van de rijks- of provinciale besturen mits voorzien van een reisorder met hunne paarden en rijtuigen.
  6. De ambtenaren der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen in wier dienstkring het veer ligt.
  7. De controleurs, adjunctcontroleurs en surnumerairs der grondbelastingen in wier dienst het veer ligt.

Actualiteit

We lezen in Het Belang van Limburg van 26 april 2010 het volgende:

Veerponten weer open.

De veerponten in het Maasland zijn opnieuw open: fietsers en voetgangers kunnen gratis de oversteek maken in Uikhoven, Rotem, Ophoven en Meeswijk (autoveer) Zo zijn in 2009 163.000 fietsers en wandelaars de Maas overgetrokken. Het populairste veer is dat van Ophoven-Ohé en Laak, waar vorig jaar 73.672 mensen zijn opgestapt. De veren varen elke dag van mei tot en met september van 10 tot 19 uur (juni tot augustus tot 21 uur).


  1. Vergelijk ook: Herder-Korrespondenz, XIII (1958) p. 369 Soziografische Beilage, nr. 8 ↩︎

  2. M. Dierickx, De oprichting der nieuwe bisdommen in de Nederlanden onder Filips II, 1559-1570, Antwerpen, 1950, blz. 50 ↩︎

  3. o.c. Blz. 300 ↩︎

  4. Voor 1959; cfr. Statistisch Tijdschrift, 1960 blz. 925 ↩︎

  5. Cfr. P. Minon. Le peuple Liègeois, structures sociales et attitudes religieuses, Luik, 1955 ↩︎

  6. cfr. hierover uitvoeriger in: J. Kerkhofs, Sociologie religieuse et pastorale, Nouv. Rev. Théol. 1954 ↩︎

  7. In september 1960 waren er 135 Limburgse diocesane priesters in de provincie Luik werkzaam, waarvan 18 bij de bisschoppelijke administratie en het groot-seminarie, 62 in de parochies als pastoor of kapelaan, 46 in het onderwijs, 9 als aalmoezeniers van sociale werken enz. ↩︎

  8. Ook na de Tweede wereldoorlog blijft het aantal diocesane roepingen in Limburg dalen, zo men rekening houdt met de toename der bevolking door het hoog geboortecijfer. ↩︎

  9. cfr. S. Liegier, Recherches sociologiques sur la pratique religieuse du Jura, 1951. ↩︎

  10. Bron: Katholiek archief 10 (1955) 125-6 ↩︎

  11. Anno 2025 kunnen de gegevens van gesneuvelde Belgische soldaten op gezocht worden bij https://wardeadregister.be↩︎

  12. Leo Rutten, bij mijn bezoek aan het militair kerkhof in Adinkerke op 7 april 2025 is het graf van wachtmeester René Dirckx terugevonden onder nummer 1019↩︎