KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN
FACULTEIT VAN DE LETTEREN EN DE WIJSBEGEERTE DEPARTEMENT MODERNE GESCHIEDENIS
EEN VLAAMS BISSCHOP IN LUIK
MARTINUS HUBERTUS RUTTEN
1841 - 1927
Promotor: PROFESSOR L. WILS Verhandeling aangeboden tot het behalen van het diploma van licentiate in de moderne geschiedenis door
MIET NELIS
LEUVEN
1986
Voorwoord
Over Martinus Hubertus Rutten, bisschop van Luik van 1902 tot 1927, werd nog geen biografie geschreven. Wel zijn er een aantal werken gepubliceerd, zoals het necrologische artikel van J. Muyldermans en een boek van Mathieu Rutten over de familie Rutten, die een aantal aspecten van het leven van de Luikse bisschop blootleggen. Nooit echter is men tot in de jeugdjaren van Rutten doorgedrongen. Daarom hebben wij een poging gedaan om een aantal biografische gegevens te verzamelen. Het grootste deel der informatie over familie en jeugd werd afgeleid uit de brieven van Rutten. Voor de jaren die hij in de verschillende seminaries doorbracht, werd bij gebrek aan ander documentatiemateriaal gebruik gemaakt van de opgetekende stukken van Martinus in de jaarboeken van „Utile Dulci”, terwijl zijn briefwisseling met zijn broer Renier enig licht zal werpen op de situatie in het grootseminarie te Luik.
In het kader van deze verhandeling willen we speciaal Ruttens vlaamsgezindheid onderzoeken, We zullen teruggaan tot in zijn jeugdjaren om de wortels van zijn liefde voor de Vlaamse taal te ontdekken. Ook zal nagegaan worden, omdat een aantal auteurs een band leggen tussen vlaamsgezindheid en kristen-demokratie, hoe Rutten tegenover deze laatste beweging stond. Daarnaast zullen we ook zijn pogingen om het middelbaar en later ook universitair onderwijs te vernederlandsen belichten.
Voor de biografische gegevens waren de familiepapieren bij M. Rutten en J. Rutten van uitzonderlijk belang. We kregen inzage in geschriften die een beeld wierpen op een familierelatie in de vorige eeuw. In het bisschoppelijk archief te Luik waren twee lijvige dossiers over de Vlaamse kwestie aanwezig. Het grootste deel der archiefstukken handelde over de toestand in het middelbaar onderwijs. Daar M. Hanson onlangs een doctoraatsverhandeling heeft geschreven m.b.t. de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs in Limburg, waren deze dossiers reeds grotendeels behandeld en konden wij ons op het proefschrift baseren. Het fonds Schollaert- Helleputte in het Rijksarchief te Brussel was van belang voor de behandeling van de kristen-demokratie, terwijl in het AMVC te Antwerpen nog een verhelderend document en enkele krantenknipsels i.v.m. Ruttens houding tegenover het aktivisme werden teruggevonden. Daarnaast waren ook de stukken van Rutten uit het archief van „Utile Dulci” en zijn later gepubliceerde werken van groot belang om een kijk te krijgen op zijn visie.
Onze dank gaat uit naar de Heer Mathieu Rutten van Tongeren en E.H. Jan Rutten, deken te Sint-Truiden, voor het ter beschikking stellen van de familiepapieren. Tevens willen we alle personen, vooral onze promotor professor L. Wils, danken die op één of andere manier bijgedragen hebben tot het tot stand komen van deze verhandeling.
Bibliografie
Onuitgegeven bronnen
- Antwerpen, Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, fonds Rutten n9R87 57: krantenknipsels en brochures.
- Brussel, Algemeen Rijksarchief, fonds Schollaert-Helleputte, n°100: Briefwisseling Rutten-Helleputte.
- Brussel, Archief van het Koninklijk Paleis, Kabinet Leopold II n°250: Twee brieven van Mgr. Decrolière aan baron de Montpellier.
- Hasselt, Provinciaal Archief en Documentatiecentrum, Archief „Utile Dulci” (z.n): Jaarboeken van „Utile Dulci”.
- Luik, Bisschoppelijk Archief,
- fonds Rutten n°32: Vlaamse kwestie, brieven en brochures.
- fonds de Montpellier n°15 en n°19: rapporten van Rutten als direkteur aan zijn bisschop.
- Maaseik, Archief van de Kruisheren. Collège de Sainte Croix. Cahiers d’étudiants, X, F1 ( 8 ). Inschrijvingsregister 1855-58.
- Sint-Truiden, Deken J. Rutten: familiepapieren Rutten.
- Tongeren, Dhr. M. Rutten: familiepapieren Rutten.
Publikaties van M.H. Rutten
- RUTTEN M.H., Cours élémentaire d’apologétigue chrétienne, Saint-Trond, 1879.
- RUTTEN M.H., A chacun son droit. Réponse à M. Bara, 1881.
- RUTTEN M.H., De Nero van het Noorden. - Jaarboek voor 1883 van het Davidsfonds, Gent, 1884, p.1-78.
- RUTTEN M.H., Het Congres der Maatschappelijke Werken en de Moedertaal, Tongeren, 1886.
- RUTTEN M.H., L’encycligue Immortale Dei sur la constitution chrétienne des états commentée par Mgr. Rutten, Liège, 1887.
- RUTTEN M.H., De Encycliek Libertas Praestantissimum. - Het Belfort, 1890, p.21-32 en p.116-127.
- RUTTEN M.H., De Goddelijke Beloften der Kerk in den loop der Eeuwen, Luik, 1890.
- RUTTEN M.H., Het Maatschappelijk Vraagstuk. - Het Belfort, Gent, 1891, p.5-31.
- RUTTEN M.H., Cours élémentaire d’apologétique chrétienne, 10ième édition, Bruxelles, 1897.
- RUTTEN M.H., De Kerkvervolger. Drama met zang en begeleiding in 3 bedrijven, Nijmegen, 1898.
- Lettre de Mgr. Rutten, évêque de Liège à son clergé suivie de guelgues documents concernant V’Action Populaire Chrétienne ou la Démocratie Chrétienne, 1904.
- Rede van Z.D.H. Mgr. Rutten, bisschop van Luik, uitgesproken in de Synodale vergadering van zijn bisdom, 20 april 1910, Frans & Nederlands, gedrukt te Brugge.
- Activisme en Vlaamsgezindheid. Uit eene aanspraak van Z.D.H. Mgr. Rutten, Bisschop van Luik tot de Z.E.HH. Dekens van zijn bisdom gedurende de Duitse bezetting, april 1918.
- Brief van Rutten aan priester Broekx van 11 maart 1919
- Ons Vaderland, 1 april 1919.
- De Standaard, 2 april en 17 juli 1919.
- N.N. Mgr. Rutten en de Vlaamsche Beweging.
- Rede van Z.D.H. Mgr. Rutten, Bisschop van Luik tot de geestelijkheid van zijn Bisdom, uitg. N.V. De Standaard, Brussel, 1919.
Andere gedrukte bronnen en werken
- BELLEFROID P., Onze hedendaagsche Limburgsche dichters, Gent, 1906.
- Le Bien Public, 26-11-1881.
- BOUDENS R., Kardinaal Mercier en de Vlaamse Beweging, (Z.p.), (Z.d.).
- DAVID J., Nederduitsche Spraekkunst voor Middelbare Scholen en Collegien, Leuven, 1853.
- DEBLON A., GERIN P. en PLUYMERS L., Les archives diocésaines de Liège. Inventaires des fonds modernes. - IUCHG 85, Leuven -Parijs, 1978.
- DE VROEDE M., Onderwijs 1878-1914, - AGN 13.
- DUCHESNE A., L‘exgédition des volontaires belges au Mexique 1864-1867, 2ième partie, 1968.
- ELIAS H.J., Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, IV, Antwerpen, 1965.
- GERARD E., Strijd om het Vlaams minimumprogramma in 1919. Mgr. Rutten en de katholieken van Limburg. - Wetenschappelijke Tijdingen, 2/1981, kol.94-116.
- GERIN P., Catholigues Liégeois et question sociale (1833-1914), Bruxelles, 1959.
- GEVERS L., Kerk, onderwijs en Vlaamse Beweging. Documenten uit kerkelijke archieven over taalregime en vlaamsgezindheid in het katholiek middelbaar onderwijs. - IUCHG 89, Leuven 1980.
- HANSON M., Het Kruisherencollege te Maaseik. Het eerste vernederlandste college in Vlaams-België, 1985.
- HANSON M., Taalsituatie en moedertaalonderricht in het Middelbaar Onderwijs in Limburg, 1830-1914, Doctoraatsverhandeling, Leuven, 1984.
- KNEVELS A.M., De Katholieke Vlaamse Bond van Limburg (1919-1928). Van de katolieke partij naar de nationalistische. - Wetenschappelijke Tijdingen, 3/19883, kol. 150-159.
- LORY J., Libéralisme et instruction primaire 1842-1879. Introduction à l’étude de la lutte scolaire en Belgique, Louvain, 1979.
- LOURDAUX W. en VERHELST D., Inleiding tot de kerkelijke instellingen, cursus Leuven, 1978-1979.
- LUYKX T., Politieke geschiedenis van België, Brussel, 1978.
- MESEBERG-HAUBOLD I., Der Widerstand Kardinal Merciers gegen die deutsche Besetzung Belgiens 1914-1918: ein Beitrag zur politischen Rolle des Katholizismus im ersten Weltkrieg, Frankfurt am Main, (z.d.).
- MICHIELS G., Rutten Martinus Hubertus. - Nationaal biografisch woordenboek, 7, Brussel, 1977, kol.832-836.
- MUYLDERMANS J., *Zijne Hoogw. Mart. Hub. Rutten, Bisschop van Luik en van Eupen-Malmedy.
- Jaarboek van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde*, Ledeberg-Gent, 1928.
- N.N., Mgr. Rutten, évêque de Liège. Son intronisation et son sacre, Liège, 1902.
- Open brief aan Zijne Hoogwaardigheid Mgr. Rutten, Bisschop van Luik, 5 april 1919.
- Open brief aan zijn hoogwaardigheid Mgr. Rutten, bisschop van Luik en van Eupen-Malmedy, uitg. Vlaamsch Front, R.K.V.N. Groep Limburg, 1924.
- RUTTEN M., De Ruttenstam in het Maasland, (z.p.), (z.d.).
- RUTTEN R. C., Lettres d’un zouave pontifical (de 1863 à 1870), Paris, 1949.
- SIMENON Chanoine, Un évêque pendant la Grande Guerre 1914-1918. Lettres, allocutions et actes épiscopaux de Mgr. Rutten, Liège, 1921.
- SNIJDERS D. en GEERKENS H.J., Ophoven en Geistingen door de eeuwen heen, (z.p.) 1966.
- TAMSE C.A., Nederland en België in Europa (1859-1871). De zelfstandigheidspolitiek van twee kleine staten, Den Haag, 1973.
- VAN CAUWELAERT F., Open brief aan Mgr. Rutten. - De Standaard, 2 april 1919.
- VAN DER HEIJDEN R., Het Sint-Jozefscollege van Hasselt, sfeerbeeld van een vernederlandsingsproces, 1882-1932. - De Tijdspiegel, cultureel blad voor Limburg, jg.37, afl.4, dec. 1982.
- VAN ISACKER K., Herderlijke brieven over politiek, Antwerpen, 1969.
- VOS L. en GEVERS L., Dat volk moet herleven. Het studententijdschrift „De Vlaamsche Vlagge” 1875-1933, Leuven, 1976.
- Wegwijs in Kinrooi, V.V.V. infodienst Kinrooi.
- WILS L., - AGN 13.
- WILS L., Het ontstaan van de Meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek, Antwerpen, 1963.
- WILS L., Honderd jaar Vlaamse Beweging. - Geschiedenis van het Davidsfonds, 2 din., Leuven, 1977 en 1985.
- ZAAL W., De vuist van de paus. De Nederlandse zouaven en het einde van de Kerkelijke Staat, 1860-1870, Amsterdam, 1980.
Lijst der gebruikt afkortingen
- AGN: Algemene Geschiedenis der Nederlanden.
- AMVC: Archief en Museum voor het Viaamse Cultuurleven.
- ARA: Algemeen Rijksarchief.
- ART: Archief Rutten te Tongeren.
- BAL: Bisschoppelijk Archief te Luik.
- FAR: Familie-archief Rutten te Sint-Truiden.
- IUCHG: Handelingen van het Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis.
- PAD: Provinciaal Archief en Documentatiecentrum.
- Sch.-H.: Fonds Schollaert-Helleputte.
Hoofdstuk 1: Familie en jeugd (1841-1865)
Familie
Martinus Hubertus Rutten werd in 1841 geboren te Geistingen, een dorp aan de Maas, dat sinds 1830 deel uitmaakte van de gemeente Ophoven. Hij stamde af uit een aanzienlijke landbouwersfamilie die vanaf het begin van de 17de eeuw in Kessenich, een landelijke gemeente ten noorden van Ophoven-Geistingen, gevestigd was geweest. Sinds 1971 vormen Ophoven en Geistingen samen met Molenbeersel, Kessenich en Kinrooi één gemeente onder de naam Kinrooi.
Twee voorouders van Martinus waren in Kessenich schepen geweest in de 17de eeuw, een derde burgemeester in de 18de eeuw.
Martinus’ grootvader, Renier Rutten had zich in 1788-1790 gevestigd op Vinderhof in het nabijgelegen Neeritter, een grote boerderij van bijna 22 hectare, bestaande uit:
a. In de gemeente Neeritter: huis met stal, bakhuis, schaapswei, tuin, bouw-en weideland, hakhout, dennenbos: samen 15 ha 9 a 50 ca. b. In de gemeente Hunsel: bouwland, hakhout, heide, schaapswei en dennenbos: samen 6 ha 79 a 45 ca.
Van 1878 tot 1907 zou Martinus met twee broers eigenaar zijn van het Vinderhoft.
Vanaf 1801 baatte grootvader Renier Rutten als pachter ook het Hoezerhof in Geistingen uit, een tevoren vervallen bedrijf van ruim 46 ha. Bovendien was hij in 1844, op 80-jarige leeftijd, eigenaar van twee huizen en tal van percelen bouwland in de gemeenten Kessenich en Ophoven, samen bijna 12 ha.
Martinus’ vader heette ook Renier, hij werd geboren te Neeritter op 25.05.1793 en huwde op 10.09.1832 met Petronella Zegers, die geboren was in Zeeland (Nederland) op 17.04.1806. Als huishoudster was zij werkzaam bij haar oom pastoor Peters te Geistingen. Renier volgde zijn vader, bij diens overlijden in 1851, op als pachter van Hoezer. In 1872 verliet hij deze boerderij echter om zich te vestigen in de Hoogstraat te Geistingen1.
Normalerwijze bleven pachters verschillende generaties op de hoven. Ze waren eerder honkvast. Ze verhuisden alleen maar wanneer ze hun pacht niet konden voldoen. Wat Martinus’ ouders bewoog om Hoezerhof te verlaten, werd nergens expliciet vermeld, maar uit de familiebrieven blijkt wel dat het werk hen teveel werd. Reeds op 27 augustus 1865 schreef Martinus een brief naar zijn broer Renier, die op dat moment pauselijk zouaaf was in Rome. Hij drong er bij Renier op aan naar huis te komen om het werk op de boerderij over te nemen, daar zijn ouders niet meer van de jongsten waren. Ook schreef hij dat zijn vader een huis gekocht had „met de plaats” van Michiel Notten voor 3200 fr. „Vader is over deze aankoop zeer tevreden,” vermeldde Martinus2. Uit een brief van Jaak, een andere broer, aan Renier van 2 september 1865 bleek dat vader Rutten het huis verhuurd had: „Het huis dat vader gekocht heeft zal bewoond worden door Vanuffelen.”3 In een verdere, niet gedateerde brief van Martinus aan Renier, werd er herhaalde malen op gewezen dat er handen te kort waren op de boerderij en dat dit een verlies aan inkomsten met zich meebracht. Op 3 oktober 1865 schreef Martinus nogmaals aan Renier om hem te bewegen naar huis te komen: „Vader maakt het niet meer zo goed en het wordt tijd dat men hem ontlaadt van de last waaronder hij lijkt te bezwijken.”4
Renier keerde eind 1865 naar België terug, maar in december 1866 vertrok hij weer naar Rome. De ouders Rutten konden uiteindelijk het werk niet meer aan, hun inkomsten daalden en zij konden waarschijnlijk hun pacht niet meer voldoen, daarom verhuisden ze.
Renier Rutten overleed te Ophoven op 10.06.1877 en zijn echtgenote op 09.01.1888. Zij hadden tien kinderen:
- Sibilla °18.10.1832 +02.07.1870.
De oudste zuster van Martinus overleed reeds in 1870 op 38-jarige leeftijd. Zij was niet gehuwd. In de brieven van Martinus aan Renier in 1884 en 1865 was er sprake geweest van ziekte van Sibilla, maar ze was aan de beterhand.
- Renier °22.02.1834 +10.08.1918.
Eind november 1863 vertrok deze oudste zoon als pauselijk zouaaf naar Rome. In 1870 keerde hij naar huis terug om in 1872 als landbouwer naar Clermont sur Berwinne in de provincie Luik te vertrekken, waar hij huwde met Elisa Joseff. In de streek van Verviers was hij aktief op velerlei gebied. Meer dan 25 jaar was hij lid van de Luikse provincieraad voor het kanton Aubel en dit vanaf 1892. Ook was hij meer dan 30 jaar burgemeester van de 1700 inwoners tellende gemeente Clermont en plaatsvervangend kamerlid in 1904, 1908, 1912 en 1914. Hij overleed te Clermont op 10.08.1918. Hij had vijf kinderen.
- Hubert °17.11.1835 +18.02.1841.
Dit derde kind werd maar zes jaar oud. Het stierf vóór de geboorte van Martinus.
- Cornelia °21.10.1837.
Zij huwde met Jan-Renier Segers uit Neeritter, die schilder was. Zij hadden drie zonen waarvan er twee priester werden.
- Jaak °03.12.1839 +07.03.1870.
Jaak Rutten was de derde zoon, de tweede in leven. In 1867 sloot ook hij zich aan bij het leger der pauselijke zouaven. Hij stierf op 31-jarige leeftijd. De oorzaak van zijn overlijden werd nergens vermeld.
- Martinus °18.12.1841 +17.07.1927.
Martinus werd op 18 december 1841 geboren op Hoezerhof te Geistingen. Zijn kinderjaren bracht hij door in zijn geboortedorp.
- Jan-Hubert °21.01.1844 +03.05.1931.
Drie jaar na Martinus werd Jan-Hubert geboren. Hij huwde op 02.09.1878 met Johanna-Maria Rutten van Heel. Rond 1901 verliet hij de ouderlijke woning in de Hoogstraat en vestigde zich op Hoezerhof als pachter. Hij was gedurende 58 jaar ontvanger van de kerkfabriek, lid van het schoolcomité, provinciaal raadslid en burgemeester van Ophoven. Hij overleed op Hoezerhof op 03.05.1931. Hij had vijf zonen.
- Maria °24.05.1846.
Maria huwde met Antoon Kunnen, gemeentesekretaris van Elen. Zij had geen kinderen.
- Mechtilde 904.03.1849 +02.12.1849.
Zij werd geen negen maanden oud.
- Hubert °27.04.1852 +01.01.1929.
Deze jongste zoon liep eerst school in het kollege te Maaseik, daarna studeerde hij verder te Rome waar hij op 18.12.1875 priester werd gewijd. In mei 1878 werd hij benoemd tot ondersekretaris van het bisdom Luik. Hij overleed als titularis-kanunnik op 01.01.1929 te Luik en werd te Geistingen begraven5.
Uit het voorgaande bleek dat de familie Rutten behoorde tot de welgestelde pachtersklasse die eeuwenlang op het platteland de sociale, politieke, kerkelijke en intellectuele elite vormde, die schepenen en later provincie- en gemeenteraadsleden, maar ook vele geestelijken, leverde.
De jeugd- en schooljaren van Martinus
In Geistingen was er vóór 1869 geen lagere school, de kinderen moesten naar Ophoven en dat werd hoe langer hoe minder gewaardeerd, vooral bij de aangroei van de bevolking. Er werd een poging gedaan om een aparte school te houden maar wanneer dit gebeurd is, is onmogelijk te zeggen6. De familiebrieven Rutten tonen aan dat de koster van Geistingen in en vóór 1864 les gaf aan de jeugd. In april 1864 immers schreef seminarist Rutten aan zijn broer Renier te Rome: „De koster is ziek en de kindertjes die anders zo goed onderwezen werden, lopen nu over de straat.” Later meldde hij dat de koster op 9 mei 1864 overleden was7.
Martinus volgde de lagere school tot zijn dertiende jaar. Op 10 oktober 1855 openden de kruisheren te Maaseik, na meer dan vijftig jaar in ballingschap te zijn geweest, opnieuw een kollege. Zij begonnen met 17 leerlingen, waaronder Martinus.
De stichting van het klooster te Maaseik moet gezien worden tegen de achtergrond van de heropleving en bijgevolg ook uitbreiding van de Nederiandse kruisherenorde in de jaren na 1840. Onder Willem II, die veel welwillender stond tegenover de katolieken dan zijn vader, Willem I, keerde inderdaad het ongunstige tij. Al op 28 november 1840, de dag zelf van zijn inhuldiging. kondigde hij een Koninklijk Besluit af waarin hij aan de bijna uitgestorven kloosters in Noord-Brabant de toestemming gaf om weer novicen aan te nemen. Dit betekende de start van de heropbloei van de kloosters te Uden en Sint-Agatha, die weldra novicen zouden moeten weigeren wegens plaatsgebrek. Dank zij deze heropbloei konden de kruisheren in 1845 een klooster stichten te Diest en er in 1852 een kollege openen. Drie jaar later konden ze naar Maaseik terugkeren. Ze hadden er sedert 1476 een klooster gehad waaruit ze in 1797 door de Franse bezetter waren verjaagd. Op het ogenblik van hun terugkeer was er van het vroegere kloostergebouw niets meer overgebleven. Op 12 juni 1855 gaf bisschop de Montpellier van Luik toestemming tot de stichting van een klooster. Hij had hieraan de oprichting van een kollege als voorwaarde verbonden, om aan de katolieke bevolking een alternatief te bieden voor de in 1851 te Maaseik opgerichte rijksmiddelbare school, die op dat ogenblik de enige instelling voor middelbaar onderwijs was in de regio. De meest dichtbij gelegen instelling voor middelbaar onderwijs met volledige humaniora was het ateneum te Hasselt8.
De leraren van het kollege waren in die periode praktisch zonder uitzondering Nederlanders. Toch, verklaarde Hanson, mag men hieruit niet besluiten dat de meesten van hen geen behoorlijke vaardigheid in de Franse taal zouden gehad hebben. Vooreerst hadden de Franse tijd en het Frans ook in Nederland behoorlijk lang doorgewerkt, zodat ook daar nog tot een stuk in de 20ste eeuw veel leerlingen hun onderwijs praktisch volledig in het Frans zouden doorlopen. Voorts waren sommige kruisheren, die later naar de kolleges van Diest en Maaseik zouden gezonden worden, leden geweest van de klerus van Den Bosch, met zijn sterke Franstalige traditie. Soms als priester, maar meestal als seminarist, waren zij in 1840-1850 lid geworden van de kruisherenorde. Dus de meeste leraren-kruisheren, zeker die van de eerste paar generaties bezaten een behoorlijke parate kennis van de Franse taal.
Uit het inschrijvingsregister (zie p.4) bleek dat Martinus Rutten als tweede leerling in 1855 werd ingeschreven. De kruisheren begonnen hun eerste jaar met 17 leerlingen van uiteenlopende leeftijden. De oudst ingeschrevene was 22 jaar terwijl de jongste slechts negen was, wat mag wijzen op het feit dat aan het kollege ook een lagere school verbonden was. De meesten echter waren van Martinus’ ouderdom, namelijk 12 of 13 jaar. Hoe de verdeling in klassen gebeurde, kon uit het archiefstuk niet worden opgemaakt.
De meeste leerlingen waren Belgen en afkomstig uit Maaseik of omstreken. Maar er waren ook vier Nederlanders bij, één uit Maasbracht, twee uit Echt en één uit Elshout en één Duitser, nl. Nicolaus Labeje uit Aken. Zij kwamen waarschijnlijk naar België om goed Frans te leren. Er mag dus verondersteld worden dat deze buitenlandse leerlingen de Franse taal niet voldoende kenden om er gesprekken in te voeren met de andere leerlingen. Waarschijnlijk werd er onderling regelmatig Nederlands gesproken, alhoewel het volgens het regiement verboden werd, en bestraft werd met het „signum”9. Toch zou het kunnen dat de aanwezigheid van deze buitenlanders enige invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van de Nederlandse taal binnen het kollege, want het schoolleven was niet helemaal verfranst. Het reglement van de op 8 december 1855 opgerichte „Congregatie van O.L.Vrouw Onbevlekt Ontvangen” was volledig in het Nederlands opgesteld en de prefekt las voor uit „eenen Vlaamschen Manuel.” Dit hield mogelijk ook verband met het feit dat de paters-leraren allemaal Nederlanders waren.
Naast een voorbereidende klas telde het kollege vanaf het begin een beroepsafdeling en een humaniora-afdeling. In de humaniora stonden de vakken Nederlands, Frans, Engels, Duits, geschiedenis (gewijde, vaderlandse en algemene), aardrijkskunde, Latijn en Grieks op het programma. Muziek en tekenen waren facultatief terwijl het zangonderwijs verplicht werd. Over de inhoud van het vak Nederlands, dat van meetaf aan klassikaal gegeven werd, zijn er weinig gegevens bekend. Gedurende het eerste schooljaar 1855-1856 werd de spraakkunst van de Leuvense hoogleraar kanunnik Jan David gebruikt, zeker in de humaniora10. Ook maakten de leerlingen spraakkunstoefeningen.
Na het eerste schooljaar kende het kollege gedurende twee jaar geen nieuwe inschrijvingen. Wat er de oorzaak van was, konden we niet achterhalen, maar het was toch een raar verschijnsel daar de opkomst voor het eerste schooljaar toch aanzienlijk was.
Het kollege te Maaseik telde vooralsnog geen poësis en retorika, zodat Rutten na een vierjarig verblijf bij de kruisheren het verderop moest zoeken. Direkteur De Bruyn van Maaseik had het inzicht de humaniora trapsgewijze te vervolledigen, maar tot het einde van de 19de eeuw zou het bij een vierjarige cyclus blijven. De Luikse bisschop had ongetwijfeld liever dat de leerlingen hun humaniora in het kleinseminarie of in een bisschoppelijk kollege afmaakten, zodat ze eerder sekulier dan regulier priester zouden worden. In 1859 verliet Rutten het kollege te Maaseik en trok naar Sint-Truiden.
In het kleinseminarie te Sint-Truiden, aktief in „Utile Dulci”
Zo belandde Martinus dan in 1859 in de poësis van het kleinseminarie te Sint-Truiden. Na zijn humaniora te hebben beëindigd, begon hij aan de studie van de wijsbegeerte, meteen de eerste stap in de richting van een priesteropleiding.
Te Sint-Truiden hield hij zich echter niet alleen bezig met zijn studie want na zijn humaniora werd hij van 1861 tot 1863 werkend lid en tijdens het schooljaar 1862-63 tevens ondervoorzitter11 van het Vlaams studentengenootschap „Utile Dulci” dat al sinds 1845 bestond met zijn horatiaanse kenspreuk.
Het genootschap was destijds opgericht door een jong leraar filosofie. Het reglement bepaalde dat de werkende leden, waartoe alleen studenten in de wijsbegeerte en leerlingen van de retorika en poësis werden toegelaten, jaarlijks twee werken van „eigen vinding” dienden in te leveren. De direkteur was van rechtswege erevoorzitter. Hij hield tevens een oogje in het zeil, want niemand mocht iets publiceren zonder hem vooraf te raadplegen.
Een raad, bestaande uit de voorzitter - die bij stemming twee stemmen had - de ondervoorzitter, de schatbewaarder, de „geheimschrijver” en de boekbewaarder vormde het bestuur van het genootschap. De „geheimschrijver” schreef de besproken en goedgekeurde stukken van de leden in een jaarboek dat vaak op de eerste bladzijde de ledenlijst van het werkjaar bevatte. Om de veertien dagen had er een zitting plaats van de werkende leden waarbij eigen werk werd voorgelezen, bediskussieerd en tenslotte goed- of afgekeurd. Verder werd er proza en poëzie voorgelezen en werden er taal- en letterkundige oefeningen gehouden.
„Utile Dulci” had de bevordering van de Nederlandse taal en letterkunde op het oog. De werking van het genootschap stimuleerde de Vlaamse aanwezigheid in het kleinseminarie en liet bij gelegenheid ook zien dat sommige leerlingen en studenten met weinig middelen ook in de eigen moedertaal konden presteren12.
Als werkend lid van het genootschap moest Martinus gedurende het jaar enkele werkjes voorleggen. De stukken die tijdens de zittingen van „Utile Dulci” werden goedgekeurd, werden opgenomen in een verzameling per drie jaar van alle aanvaarde werkjes, die door de „geheimschrijver” waren opgetekend. Vaak werden de met de hand geschreven opstellen versierd met gekleurde tekeningetjes wat het geheel een mooi uitzicht gaf.
De ledenlijst van 1861 vonden we niet terug, wel werden er tijdens dat jaar twaalf werkjes. waaronder drie van Martinus, opgenomen in het jaarboek 1857-58-59. Martinus scoorde meteen het hoogst qua aantal goedgekeurde stukken van dat jaar, twee anderen stonden elk in voor twee stukken terwijl er vijf elk één werk konden laten goedkeuren.
De meeste verhalen die weerhouden werden hadden een religieuze ondertoon. Zo schreef Louis Leroy twee stukken die getuigden van een diep religieus gevoel, nl. „Op de dood van mijn zustertje” en „Zucht van eenen wees op het graf zijns vader.” De overgave aan God, die het beste met de mens voorheeft, was de leidraad van de twee gedichten. Ook het verhaal van Martinus „Het slagveld van Castelfidardo” was religieus geïnspereerd. Het stuk vormde een levendige beschrijving van dit slagveld. Martinus zag de mannen liggen die juist ervoor nog gestreden hadden voor Kerk en Godsdienst. Volgens hem waren het helden die op dat moment omringd werden door engelen die hen opnamen in het Hemelrijk. Dit kort verhaal bracht hulde aan allen die zich hadden ingezet of zich nog zouden inzetten om de pauselijke bezittingen te vrijwaren. Zijn verhaal weerspiegelde de atmosfeer in het katoliek onderwijs. De jongens werden ingelicht over de gang van zaken in de pauselijke staten vanuit een religieus gezichtspunt. Zij werden bezield door de moed van de pauselijke soldaten en velen maakten waarschijnlijk in gedachten de strijd mee en hoopten zich ook ooit op dezelfde wijze voor de paus te kunnen inzetten. Ook Martinus was vervuld van dat enthousiasme voor de goede zaak en van bewondering voor de mannen die met de dood voor ogen nog „Leve de Paus!” en „Heil den Vader der Christenen!” riepen. Zij sneuvelden als helden en waren het waard opgenomen te worden in de hemel. Omdat Martinus zo vol was van de stijd rond de paus, zou hij zich enkele jaren later. bij het vertrek van zijn broer Renier naar het pauselijk leger, ook redelijk vlug kunnen neerleggen bij die beslissing. Alhoewel hij vreesde voor het leven van zijn broer, vond hij toch troost bij de gedachte dat Renier een held zou zijn, een held zoals de mannen die gesneuveld waren in Castelfidardo.
Naast deze religieuze onderwerpen, werden er ook een aantal vaderlandse geschiedkundige werken opgetekend, zoals „Ambiorix” van Mathieu Maes, die in dit stuk de moed van deze Belg, de overwinnaar van de Romeinen, schetste.
Ook aan de natuur werd aandacht besteed, zo schreef een zekere Vranken over „Het beekje” en Op ’t Eynde over „Een muizennest”. Deze verhaaltjes waren vaak eenvoudig en kinderlijk, met meestal een belerende ondertoon. Martinus liet in 1861 twee door de natuur geïnspireerde gedichten verschijnen. Het eerste dateert van maart 1861 en draagt de titel „Het vischje”, het bestaat uit negen strofen van telkens vier regels, in gekruist rijm. De inhoud is vrij eenvoudig. De eerste vier strofen handelen over het spelende visje dat vrij en vrolijk dartelt in het water, de volgende vier beschrijven hoe een hengelaar het weet te verleiden om in het wormpje te happen en zo zijn eigen doodvonnis te tekenen. De !aatste strofe onthult dan de moraal van het gedicht:
„Hoeveel laten zich verblinden
Door den enklen schijn van ’t Goed!
Maer Helaes ! die er niets vinden
Dan hetgeen hen lijden doet.”
Ook het gedicht „De Eikenboomen” gewijd aan de eikenlaan voor Martinus’ geboortehuis verscheen in november 1861 bij „Utile Dulci”. De aanleiding was het neerhalen van de eikenbomen in de dreef die naar hun huis leidde. Martinus haalde de momenten van vreugde aan die hij beleefd had in de schaduw van de bomen, maar ook hun angstaanjagend karakter bij storm of onweer. Die eikendreef was onverbrekelijk verbonden met zijn geboortehuis. Het was met weemoed in het hart dat hij dit gedicht schreef, een laatste afscheid, een blijvende herinnering aan die eens zo mooie bomenrij13.
Tijdens het schooljaar 1862-63 was Martinus nog lid van „Utile Dulci”, en bekleedde hij de positie van ondervoorzitter. Een drietal keren trad hij gedurende dat jaar op als voorzitter. De lijst van de werkende leden bedroeg 3414. Er werden 22 werkjes goedgekeurd om opgetekend te worden, twee ervan stonden op naam van Rutten. Naast hem waren er nog veertien anderen die werk van „eigen vinding” zagen opnemen in het jaarboek. J. Op ’t Eynde scoorde dat jaar, met drie goedgekeurde verhalen, het hoogst. Ook nu weer waren de verhalen veelal religieus geïnspireerd en vaak patriottisch-historisch getint, zoals „De moed der 600 helden van Franchemont” over de strijd van Luik tegen het leger van de hertog van Boergondië. Daarnaast werden ook de nodige natuurminnende en belerende verhaaltjes, zoals „Het eekhoorntje en de vos” en „Aen het viooltje” opgenomen.
Van Martinus verschenen er twee verhalen, die religieus getint waren en uit de geschiedenis gegrepen. In november 1862 werd het bijbels heldendicht „Judith” in het jaarboek van 1857-58-59 opgenomen. Dit dichtstuk staat bekend als een stuk krachtige poëzie dat getuigt van een bewonderende geestdrift voor het verhevene van de godsdienst. Het bestaat uit een voorzang, eerste. tweede en derde zang en een nazang. Het verhaal handelt over de strijd tussen Bethulië en Assur, respektievelijk onder leiding van Ozias en Holophernes. In de eerste zang bidt Ozias tot God zijn toorn af te wenden daar Bethulië dreigde te moeten kapituleren voor de overmacht. Hij spreekt zijn volste vertrouwen uit in Jehova, die vroeger zo dikwijls het voorvaderlijke volk geholpen had. Ozias wordt vervolgens ontboden bij de weduwe Judith, die uitmuntte door haar voorbeeldig en godvruchtig gedrag. Als tolk van God is zij het die hem zal meedelen wat moet gedaan worden.
De tweede zang gaat over Holophernes die zichzelf al ziet als de overwinnaar. Judith, een vrouw uit het Joodse volk wordt bij hem aangekondigd. Hij wordt door haar schoonheid betoverd en vervult al haar wensen. Op een feest valt Holophernes bewusteloos neer. Judith bidt tot God en zij wordt Gods wreker. Ze onthoofdt de leider der Assyriërs.
In de derde zang wordt aangeduid dat ze dankzij God haar taak heeft kunnen volbrengen. Judith neemt het hoofd van Holophernes mee, de Assyriërs die hun leider onthoofd zien, staan verstijfd van angst. Nu grijpen de Joden hun kans, ze bestormen hun vijanden en overwinnen. Het einde is de lofzang van Judith, vrij naar de vulgaat.
Dit is een tema naar het hart van Rutten, de overwinning van het goed op het kwaad dankzij de tussenkomst van God. Deze overtuiging zou een grote rol spelen in Ruttens leven en hij zou er vaak op terugkomen.
Een laatste werk dat Martinus schreef als student aan het kleinseminarie dateert van februari 1863. „Ossiaen en zijn gedichten” is een verhandeling die door „Utile Dulci” werd opgenomen in het jaarboek van 1860-61-62. Volgens de Schotse overlevering is Ossian de grijze blinde zanger uit de oertijd op wiens naam vele balladen gesteld zijn. Zulke balladen waren behalve in Ierland ook in Schotland in omloop. Zij vormen de kern, maar meer ook niet, van enkele van de zgn. Ossianische gezangen die James Macpherson15 in het licht gaf. Macpherson was een voortreffelijk kenner van de Schotse Hooglanden en van het Gaelic. Hij publiceerde „Fragment of ancient poetry”(1760), dit vormde meteen het begin van een reusachtige mystificatie. In 1762 gaf Macpherson „Fingal” uit als een werk van de oude blinde bard Ossian waarvan hij in 1765 de zgn. complete werken uitgaf. Ossian werd in heel Europa enthousiast ontvangen: Herder, Napoleon, Goethe, Chateaubriand waren bewonderaars. Maar in Engeland, 0.a. door Samuel Johnson, werd de echtheid dadelijk in twijfel getrokken. Pas na Macphersons dood kwam het bedrog aan het licht. Ossian is geen vervalsing in de ware zin van het woord, maar een al te vrije bewerking van oude sagenoverleveringen16.
Rutten behandelde deze pseudo-Ossianische gezangen alsof ze door Ossian zelf waren opgesteld. Hij geloofde niet in het bedrog en was er vast van overtuigd dat de balladen opgetekend waren in een lang vervlogen tijd en getuigden van deugdzame en verheven gevoelens. Het werk is ingedeeld in vijf delen.
- Over de persoon Ossian, die een blinde Schotse bard was uit de derde eeuw.
- Beoordeling van zijn gedichten. Hij schreef een poëzie van het hart, gekenmerkt door tederheid en verhevenheid.
- Over de werken van Ossian. Behandeling van het epos „Fingal”. Deze aanvoerder was in de strijd onoverwinbaar terwijl hij in vredestijd zijn volk gelukkig maakte door zijn wijsheid.
- De bovennatuurlijke wezens bij Ossian die nog geen idee had van God of godsdienst. Bij hem overheersten volksmeningen en bijgeloof.
- Bespreking van het epos „Temora”.
In 1863 beëindigde Rutten zijn studie te Sint-Truiden en trok naar het grootseminarie te Luik, daarmee liep ook zijn lidmaatschap bij „Utile Dulci” ten einde. Hij zei vaarwel aan het genootschap dat, zoals we later zullen zien, hem toch zou blijven interesseren.
De zouaven17
1863 was voor Martinus niet alleen het jaar waarin hij van Sint-Truiden naar Luik verhuisde, maar ook het jaar waarin zijn broer Renier besloot zich aan te sluiten bij de pauselijke zouaven. Tijdens de periode dat Renier in Rome verbleef werd er vlijtig over en weer gekorrespondeerd. Een groot aantal brieven zijn bewaard, ze bevinden zich bij E.H. J. Rutten, deken te Sint-Truiden, of werden gepubliceerd in het werkje van R.C. Rutten, Lettres d’un zouave pontifica! (de 1863 à 1870). In totaal hebben we zeventien brieven geraadpleegd die alle dateren uit de jaren 1863-64-65. De meest gebruikte schrijftaal was het Frans. Alleen wanneer Martinus vanuit Geistingen schreef, gebeurde dit in het Nederlands zodat zijn ouders ook konden lezen wat hij op papier gezet had terwijl ook Renier in het Nederlands naar huis schreef. Dat het grootste deel der briefwisseling in het Frans gebeurde, schuilde voor een deel waarschijnlijk in de verfranste schoolopleiding die de leerlingen eerder naar de Franse dan naar de Nederlandse taal deed grijpen. Maar ook het feit dat de brieven door meerdere personen werden gelezen, die vaak Vlaams-onkundig waren, noodzaakte een Franstalige briefwisseling. Want zo schreef Martinus aan Renier dat elke keer als hij nieuws kreeg vanuit Rome hij dit moest laten weten aan professor Cartuyvels van het seminarie te Luik18. Daarom zou het gemakkelijk zijn om, alleszins datgene wat Renier achtte dat hij kon laten lezen, in het Frans te schrijven19.
De brieven van Renier kenden blijkbaar veel succes in het seminarie. Zo schreef Martinus op 7 februari 1864 dat hij Reniers brief eerst voorlas aan twee vrienden. Vervolgens ging hij ermee naar Cartuyvels die opgetogen was over de vele beschrijvingen omdat ze hem deden terugdenken aan zijn verblijf in ltalië. ’s Avonds werd de brief dan nog voorgelezen aan een twaalftal seminaristen die Martinus overlaadden met lofbetuigingen. Reniers brieven hadden een ware golf van enthousiasme teweeg gebracht20. De brieven van een soldaat in het leger van de paus waren een kostbaar kleinood dat allen sterkte in hun geloof en inzet voor God. Het enthousiasme was zo groot dat Cartuyvels op een bepaald moment een brief van Renier wou Iaten drukken om het nieuws ook aan anderen bekend te maken. Renier schreef echter aan Martinus dat hij hem moest overtuigen het niet te doen daar hij niet voor het publiek schreef21.
De brieven waren vaak een 12-tal pagina’s lang en tot op de laatste bladzijde volgeschreven om vooral geen plaats verloren te laten gaan. Papier was in die tijd blijkbaar duur zodat elk vrij plaatsje benut moest worden. Vaak verbaast het dat deze brieven door een slechts 22-jarige jonge man waren opgesteld, daar ze getuigen van een brede wereldvisie en een helder verstand. Want Martinus meldde niet alleen de nieuwtjes uit de geboortestreek, maar hij onderhield zich ook met zijn broer over binnen- en buitenlandse problemen. In zijn eerste brief schreef Martinus zelf hoe hij zich zijn brieven voorstelde: „Ma lettre sera plutôt un journal: un mémoire auquel je travaillerrai sans cesse et sans relâche qui augmentera chaque jour et vous pourrez lire, Cher frère, et vous vous croirez au moins pour quelques heures de nouveau avec nous autres dans notre petite Belgique.”22
In 1861 had Martinus in een werkje „Het slagveld van Castelfidardo” vol lof gesproken over de mannen die hun leven gaven in wat hij noemde „de strijd voor Kerk en Godsdienst.” Het besluit van Renier echter om zelf aan te sluiten bij de pauselijke troepen beangstigde hem, hij vreesde zelfs dat het een wanhoopsbeslissing was. Maar Martinus vond een uitkomst in zijn gebed tot Maria, hij zag in waarom zijn broer in dienst trad van de paus. Tevens wist hij dat Renier door het dragen van een scapulier en een medaille van Maria en zijn lidmaatschap van de Congregatie van de Heilige Maagd, onder Haar bescherming stond en dat elke reden tot vrezen ongegrond was. Want zo sprak hij zijn broer bewonderend toe: „op de dag van de strijd zal je er zijn als een leeuw, je zal er zijn als een kind dat zijn moeder verdedigt.” Elke dag weer steunde hij zijn broer via het gebed en maakte hij de kruisweg23.
In een aantal latere brieven zal Martinus de Moeder Gods nog vaak aanroepen en haar danken voor het behoud van zijn broers leven. Uit zijn uitspraken over die allesoverheersende goedheid van Maria sprak een magisch geloof dat ook te voorschijn kwam in zijn visie over de Voorzienigheid die werd ingeroepen bij zaken die hij gevoels- en verstandsmatig moelilijk kon vatten maar die toch gebeurden. Zo was de intrede van Renier in het pauselijk leger wellicht voorbestemd, omdat hij geboren was op de feestdag van de H.Stoel. „Mes yeux,” schreef Martinus, *„tombent par hasard sur la fête de la chaise de St. Pierre. Tiens, me dis-je, Renier est né ce jour-là et le voilà maintenant qui est zouave et qui au besoin donnerait son sang pour cette chaise de St. Pierre: n’y aurait-il là rien de providentiel?24 Deze voorbestemdheid gaf Martinus een gevoel van rust, Renier was in goede handen.
De eerste Geistinger zouaven vertrokken in 1863 naar Rome. Geistingen zou in het pauselijk leger vertegenwoordigd worden door negen dorpsgenoten. Drie van deze soldaten droegen de naam Rutten, nl. Renier, zijn broer Jaak en hun neef Lambert. Bovendien waren Herman Vandevenne en Renier Henckens neven van voornoemden.
foto De pauselijke zouaven van Geistingen.
De strijd rond de Pauselijke Staten, die sinds 1848 een sta-in-de-weg vormden voor een eenmaking van Italië, was reeds in 1860 ontvlamd toen de Romagna werd bezet. De paus ging n.a.v. die bezetting over tot het vormen van een eigen verdedigingskorps. Samen met de kleine Zwitserse wacht en wat gendarmen zou er een legertje gevormd worden om het hoofd te bieden aan de troebelen. Mgr. de Mérode, oud-officier, werkte plannen uit en gaf ook de naam „zouaven”, die hij in het Franse leger had gekend, aan het nieuwe korps25. Hij bood het opperbevel aan aan de Franse generaal de Lamoricière (1806-1865), die hij ook van vroeger kende. Begin 1860 reisde die over Brussel naar Rome. Wapens werden gekocht te Luik, vestingen versterkt, mannen ingelijfd. Te Brussel werd een werfbureel ingericht met afdelingen te Brugge, Gent, Leuven en Doornik voor vrijwilligers.
foto Italië
PUTZGER, Historischer Weltatlas, Berlin, 1979, p.100.
De voorwaarden om ingelijfd te worden, waren:
- katoliek zijn;
- een medisch onderzoek ondergaan;
- minimum 18 jaar zijn, ongehuwd of weduwnaar zonder kinderen;
- in regel zijn met de Belgische militiewetten;
- Toetreden voor zes maanden of voor twee of vier jaar;
- zich onderwerpen aan militaire tucht.
De uniformen waren erg kleurrijk: een korte vest met brede band in purperen wol, brede pofbroek in grijsblauw laken, ruime mantel met kap en rode voering en daarbij nog een grijsblauwe shako.
De eerste fase van de strijd verliep zonder de mannen van Geistingen. Garibaldi nam het koninkrijk der beide Siciliën in. In september 1860 eiste Cavour, de minister van Victor-Emmanuel van Piëmont, van de paus wegzending van de vreemde troepen. Dit werd geweigerd. Na kleinere gevechten werd het zouavenkorps op 18 september door een grote overmacht verslagen bij Castelfidardo (zie kaartje). Dit betekende het verlies van vier vijfden van de Pauselijke Staten en de vernietiging van het verdedigingskorps. De overlevenden, onder wie 183 Belgen, werden te Genua ingescheept en naar huis afgevoerd.
In 1863 vertrokken dan de eerste Geistinger zouaven. Het gebied dat ze moesten verdedigen beperkte zich tot het zogenaamde Patrimonium Petri. Renier Rutten schreef zijn eerste brief naar zijn broer op 30 november van dat jaar, hij gaf een beschrijving van zijn reisroute. De reis ging per trein van Luik over Brussel, Parijs en Lyon naar Marseille. Verder voeren de kersverse zouaven als dekpassagier mee met de stoomboot „Hermus” aan een snelheid van 5 mijl/uur. Eenmaal op zee werden ze getroffen door een storm, de andere passagiers konden zich terugtrekken in hun hutten maar de zouaven moesten op het dek blijven. Zij legden, na een reis van 35 uren, aan in Civitavecchia. Ze reisden verder per trein en werden gekazerneerd te Frascati op 4 mijl van Rome26. Soms betreurde Martinus het dat ook hij geen lid kon zijn van de pauselijke troepen27.
De eerste jaren dat Renier bij de zouaven vertoefde, waren erg rustig. Het soldatenleven beperkte zich tot enkele kleinere tochten en minstens zes uur „wachtkloppen” per dag. Ook kregen de jonge mannen een militaire opleiding, alhoewel er bij hen het idee leefde dat er weinig kans bestond op grote successen: „Het bataljon zouaven,” schreef Renier aan zijn broer, „heeft geen eigenlijk ander nut dan een blijvend protest te zijn tegen de onrechtvaardige aansprake1 van Piëmont: het kan de Kerkelijke Staat niet verdedigen met kans op overwinning”28. Omdat er die eerste jaren geen sprake was van oorlog, ging het soldatenleven er rustig aan toe. Renier vertelde in een brief van 6 mei 1864 hoe hij zijn dagen in Frascati doorbracht. Elke morgen, als hij geen wacht had, stond hij vroeg op en ging naar de mis om vervolgens een korte wandeling te maken. Soms mediteerde hij door een hoofdstuk te lezen uit „Navolging van Christus”, een geschenk van zijn zus Maria. Daarna werd in de kazerne soep geserveerd.
Om 10 uur moest hij in de wapenzaal zijn waar hij leerde schermen. Van 12 tot 15 uur waren er militaire oefeningen die in de zomer, wegens de hoge temperaturen, werden verschoven naar 9 uur. Vervolgens at hij zijn rantsoen. Om half zes volgde hij Italiaanse les en ’s avonds maakte hij uitstapjes met zijn makkers. Ten laatste om half negen moesten ze terug in de kazerne zijn29. Eveneens vertelde hij over de Italiaanse keuken en de zomerplagen waar de noorderlingen veel last van hadden: malaria en koorts. Ook Renier werd geveld door de koorts en werd op 28 juli 1864 opgenomen in een ziekenhuis dat geleid werd door de Zusters van Liefde. Na een achttal dagen werd hij ontslagen. Hij viel echter terug in na een lange tocht en werd weer opgenomen in het ziekenhuis. Tot 19 augustus bleef hij in behandeling, nadien sloot hij terug aan bij zijn afdeling in Marino. Opnieuw echter werd hij overvallen door koorts die nu gepaard ging met braakneigingen en aanvallen van duizeligheid. Men bracht hem naar het ziekenhuis van Frascati en geholpen door de kinine, ging de koorts weg en kon hij terugkeren naar de kazerne30.
Renier werd sergeant-foerier in mei 1867 en vele zouaven werden die zomer verplegers van tyfus- en choleralijders. In september 1867 kwam Garibaldi in aktie en begin oktober moesten de zouaven enkele plaatsen prijsgeven. De hele maand oktober werd er strijd geleverd waarbij aan beide zijden doden te betreuren vielen. Om 3 november 1867 werd slag geleverd te Mentana, waar de zouaven een overwinning wisten te behalen. Er volgden dan ook promoties, Renier Rutten kreeg de Orde van St. Sylvester en werd sergeant-majoor. In december zou hij onderluitenant worden.
In december 1867 verliet ook Jaak Rutten Geistingen om zich bij de pauselijke zouaven aan te sluiten. De katolieke wereld was toen vol van de strijd die zich afspeelde rond de paus. Elke rechtgeaarde katolieke jonge man zou zich dan wel hebben willen inzetten om te strijden tegen het onrecht dat de Moederkerk werd aangedaan.
Na die enkele bewogen maanden in 1867 bleef het drie jaar rustig en zouaven kwamen en gingen: Jaak Rutten keerde op 11 november 1869 terug, Herman Vandevenne op 1 augustus 1869 en Lambert Rutten in februari 1870, allen na volbrachte dienst.
In de zomer van 1870 echter hing de lucht vol oorlogsgeruchten. Op 19 juli verklaarde Frankrijk de oorlog aan Pruisen; op 4 augustus riep Napoleon IIl de Franse hulptroepen uit Rome terug en op 12 september gingen 60.000 Piëmontese soldaten op weg naar Rome. Twee dagen later waren ze al voor de stad en Pius IX wees onderhandelingen van de hand. Op 19 september dankte de paus al zijn verdedigers en wees erop dat er vooral geen bloed mocht vergoten worden. ’s Anderendaags, om vijf uur ’s morgens, begon de Piëmontese artillerie haar werk tegen de oude muren. Rond tien uur was er een bres geslagen nabij de Porta Pia. Bij de bestorming die daarop volgde gaf Pius IX bevel het vuren te staken. De zouaven werden zo vlug mogelijk weggestuurd. Renier Rutten had zijn wapens neergelegd bij het huidige Terministation en was in de stationsgebouwen geïnterneerd. Op 21 september 1870 viel hij, samen met een collega, in handen van het gepeupel. Ze werden echter gered door de tussenkomst van enkele Piëmontezen. Diezelfde dag nam Pius IX op het St. Pietersplein afscheid van de mannen die hem trouw hadden gediend. Nog dat jaar keerde Renier naar huis terug.
De strijd rond de paus was iets waar Martinus nauw bij betrokken was geweest door de aanwezigheid van verschillende familieleden in het zouavenkorps. Door een regelmatige briefwisseling met Renier werd hij op de hoogte gehouden van de verwikkelingen. Martinus was echter vóór het vertrek van zijn broer al begaan met de strijd, bewijs hiervan was zijn gedicht „Het slagveld van Castelfidardo” dat hulde bracht aan al diegenen die hun leven durfden te geven voor het geloof en voor de Kerk. De atmosfeer in het katoliek onderwijs was tijdens al die jaren geladen met al wat er te Rome en omstreken gebeurde. Al wie voor de paus streed, werd gezien als held en mocht rekenen op een goddelijke voorkeur. Het onrecht dat de Pauselijke Staten te beurt viel werd extra in de verf gezet zodat het optreden van een pauselijk leger gezien werd als een noodzaak, als een strijd van het recht tegen het onrecht.
In Geistingen wordt nu nog de herinnering bewaard aan de pauselijke zouaven door het „zouavenraam” in de plaatselijke Sint-Lambertuskerk. In 1934 werd dit raam geplaatst, en het bestaat uit twee glasramen, bekroond met een medaillon waarin het pauselijk wapen staat afgebeeld. Het rechtse raam toont Sint Pieter met zwaard en sleutel en staat gericht naar een pauselijk zouaaf op het linkse raam. Op de achtergrond van het rechtse raam staat de St. Pieterskerk van Rome. De tekst onder deze afbeelding luidt:
„Ter nagedachtenis der pauselijke zouaven van Geistingen: Rutten Renier (luitenant), Rutten Jaak, Rutten Lambert, Vandevenne Herman, Henckens Renier, Henckens Christiaan, Henckens Mathijs, Henckens Leonard, Henckens Joannes”31.
In het grootseminarie te Luik
Van 1863 tot 1866 was Rutten grootseminarist te Luik. Het overgrote deel der bewaarde briefwisseling dateert uit deze periode. Martinus beschreef zijn doen en laten in het seminarie, maar gaf in al zijn brieven ook de toestand weer van de binnen- en buitenlandse politiek. Zo hield hij zijn broer op de hoogte van al wat zich afspeelde in zijn geboorteland. Uit deze brieven kwam Martinus naar voor als een pientere jonge man die een enorme interesse moet hebben opgebracht voor het hele politieke gebeuren, dat hij uitsluitend uit godsdienstige hoek bekeek.
Martinus werd reeds vroeg in het schooljaar, zo bleek uit een brief van 7 november 1863. benoemd tot leraar Gregoriaanse kerkzang, een taak die een zekere waardigheid inhield32.
In het seminarie kreeg hij regelmatig bezoek van dorpsgenoten, mensen die waarschijnlijk voor het één of ander in Luik waren of er passeerden en dan even bij hem aanwipten. Zo schreef hij dat Dorus Dirckx en Leonard Henckens hem kwamen bezoeken, zij brachten een brief van Jaak mee, de broer van Martinus (briefport was duur!). Het waren ook deze dorpsgenoten die Rutten op de hoogte hielden van de laatste nieuwtjes uit Geistingen en omstreken33.
Op 19 december 1863 kreeg Martinus de kruinschering, het teken van de godgewijden. Hierover schreef hij: „Men zegt vaarwel aan de wereld en men geeft zich geheel en al aan God”34. Dit was dus de definitieve stap uit de lekenwereld. In die brief gaf Rutten ook een beschrijving van de ceremonie: de priesters in spé moesten de volgende woorden van de bisschop nazeggen: „Heer deel mijn erfenis en mijn kelk. Gij zijt het die mijn erfenis zult terugbezorgen.” Vervolgens kregen ze een wit overkleed als teken van zuiverheid. Een volgende schrijven meldde dat hij op 21 mei 1864 de vier lagere wijdingen, portier, lektor, exorcist en acoliet, zou ontvangen en dus een stap dichter naar het priesterschap zou zetten. Hij hoopte dat deze voor hem blijde gebeurtenis zou worden bijgewoond door enkele familieleden35.
Aan de kennis en het gebruik van het Nederlands door de toekomstige priesters werd in het seminarie van Luik veel belang gehecht blijkens Ruttens brieven. Op 6 juli 1864 meldde hij dat hij verzaakte aan „un discours frangais pour le concours,” omdat hij al zoveel tijd had besteed aan een Nederlandse toespraak. Van de Franse tekst zou hij enkel een plan geven.
Tevens werd door leerkrachten een beroep op hem gedaan als zij iets in het Nederlands moesten vertaald hebben. Zo had Daris, de professor kanoniek recht, hem enkele malen hierover aangesproken. Hij wou een les laten afdrukken in het Vlaams, maar Martinus moest de proef verbeteren. Een moeilijk werk volgens hem want hij moest elk woord nakijken36. Op 10 juni 1865 berichtte Martinus dat professor Daris hem een Nederlandstalige levensbeschrijving van de patroon van Borgloon had doen schrijven en voor de uitgave ervan gezorgd had. Daarbij voegde hij nog: „Si j’avais le temps je voudrais encore faire autre chose: écrire en flamand |a vie de mon grand Patron St. Martin.”37
Rutten werd bij het begin van het tweede jaar belast met de taak van belleman. Dit bleek een belangrijke positie te zijn, heel het leven in het seminarie draaide rond hem. Hij moest opstaan vóór al de anderen en de bel luiden. Vervolgens doorkruiste hij de gangen en stopte op elke hoek waar hij „Laudetur Jezus Christus” zong. ’s Avonds moest hij opnieuw de klok luiden, nu als teken om het licht te doven38. In dezelfde brief schreef Martinus ook dat hij dertiende geëindigd was op een totaal van tachtig studenten. Hij was de eerste van zijn jaargenoten. Waarom hij slechts dertiende was, weet hij aan het feit dat hij zoveel andere dingen te doen had terwijl de andere studenten zich slechts aan hun studie hoefden te wijden. Hij hield zich daarbuiten nog bezig met proeven verbeteren en brieven schrijven. Ook had hij op een bepaald examen tegenslag gehad toen hij een belangrijk deel van een vraag had vergeten.
Uit zijn brieven was ook af te leiden dat zijn ouders zijn studie niet volledig moesten bekostigen omdat hij kon beschikken over een beurs. De seminariestudenten van Maaseik en omstreken konden in een gunstig geval rekenen op twee beurzen39. Martinus kon blijkbaar beschikken over één van beide. In 1864 waren er echter problemen opgedoken in verband met de beurs omdat er nog een Maaseikenaar, Leleux, aan het grootseminarie begon te studeren. Wie zou nu de beurs toegewezen krijgen? Martinus was aan de president van het seminarie gaan vragen of hij nog kon beschikken over een halve beurs. De president antwoordde hem dat hij daarvoor de stichtingsakte moest nakijken maar hij had eraan toegevoegd: „Wees niet bezorgd, zelfs als men ze u onthoudt, want men zal voor u zorgen.” Deze woorden verheugden Martinus enorm en hij liet het nieuws onmiddellijk aan zijn ouders weten die zich enorm verlicht moesten voelen40. Hieruit mag wel afgeleid worden dat de studie naar het priesterambt toe erg kostelijk was en dat zelfs de gegoede pachters rekenden op een beurs voor hun zoon. Zo bleek . uit een brief van 27 oktober 1864 dat de neef van Martinus, Jean, die aan het kleinseminarie te Sint-Truiden studeerde, nog geen hulpmiddelen had gehad‘w_a-t_erg moeilijk was voor zijn vader41.
In deze voorbereidingstijd op het priesterschap volgde Martinus de binnen- en buitenlandse politieke verwikkelingen op de voet. België stond volgens hem aan de vooravond van een oorlog. Het land was in zijn onafhankelijkheid nog nooit zo ernstig bedreigd geweest. De grote schuldige was het liberalisme42.
Op 8 juni 1863 bij de halve vernieuwing van de Kamer verloren de liDeralen 5 zetels te Antwerpen, aan de Meetingpartij, 1 zetel te Bastogne en 1 zetel te Brugge. Toch bewaarden ze nog zes zetels meerderheid in de Kamer (61 tegen 55). De uitslag te Brugge werd echter wegens korruptie door de Kamer verbroken. „De kiezingen van Brugge en Bastogne,” schreef Martinus. „zijn door ééne stem meerderheid geannulleerd en ongelukkiglijk stemden twee katholyken niet mee uit hoofde van ziekte, anders ware het kabinet franc-magon naer de maen”43. In dezelfde brief vroeg Rutten zich echter af wat een katolieke overwinning met zich mee zou brengen. Een katoliek kabinet zou een revolutie uitlokken vanwege de liberalen, terwijl een gemengd kabinet ook maar een warboel was. Volgens Rutten moesten de nieuwe verkiezingen op 12 januari 1864 beslissen. Bij deze verkiezingen verloren de liberalen te Brugge nog twee zetels, zij hadden echter eerst nog geprobeerd vals te spelen. In Ruttens brief van 7 februari 1864 verklaarde hij dat de liberale regering, n.a.v. de parlementsverkiezing in Brugge, zich beladen had met gevoelens van schaamte en verwarring door haar eigen daden. Maar, zei hij, het Vlaamse volk heeft zich waardig gedragen, het herinnerde zich zijn glorierijke voorouders, zijn Breydel en De Coninck. Martinus stelde zich die goede Vlamingen, vooral boeren, in die tijd voor, zij vertrokken met de stok in de hand om een pak slaag te geven aan allen die de katolieken wilden molesteren, en meer dan één liberale stedeling moest het onderspit delven. Hier maakte Martinus duidelijk de verbinding tussen Vlaams en katoliek die in het Luikse seminarie werd erkend en bevorderd, en die later zou leiden tot een uitgesproken flamingantische opstelling van de Luikse bisschop Rutten.
Te Brugge hadden de liberalen de namen van de katolieke kandidaten laten lithograferen om ze te verdelen onder de simpele plattelandsbewoners. Die biljetten zouden bij de stemming worden weggegooid want ze waren waardeloos. Geldige biljetten moesten immers met de hand geschreven zijn. De valstrik werd echter ontdekt en bekendgemaakt. Dezelfde dag nog verspreidde het nieuws van de uitslag zich doorheen België, de katolieken juichten, de liberalen waren razend: zij werden overwonnen. In het seminarie, waar tevoren een noveen was gehouden voor een goede afloop, werd dit nieuws op een enthousiaste manier onthaald. Toch zag men angstig de avond tegemoet en verwachtte men zich aan gelijkaardig bezoek als in 1857 toen n.a.v. het wetsontwerp op de liefdadigheid overal in het gebouw ramen werden ingegooid. Het bleef echter rustig in Luik.
Rutten bekommentarieerde verder de politieke toestand vanuit het partijstandpunt van de katolieken44. Zoals zij schreef hij dat ze in het geval van ontbinding mochten hopen op de overwinning. Want de krant La Patrie van Brugge noemde 19 arrondissementen die zeker katoliek zouden stemmen bij aanstaande verkiezingen en Rutten voegde erbij: „parmi lesquels je ne vois que 2 villes Wallonnes - vivent les Flamands!, Ook hier weer werd die verbinding Vlaams en katoliek aangehaald. In diezelfde brief zou hij die band nogmaals benadrukken met de woorden van advokaat Verspeyen van Gent: „ll est au sein de notre peuple flamand de précieux trésors de foi, de dévouement à la cause de Dieu” en dan herhaalde Martinus: („Vivent les Flamands !)”*45. Het heil van het land en van de katolieke zaak werd door hem vooral in de handen van de Vlamingen gelegd. De Kamer werd enkele maanden later inderdaad ontbonden, maar de nieuwe verkiezingen van 11 augustus 1864 betekenden een overwinning voor de liberalen.
Waar Rutten natuurlijk een bijzondere aandacht aan besteedde was de politieke situatie rond zijn geboortedorp en dan vooral in Maaseik waar de liberalen ook de bovenhand kregen. Zo schreef hij in een brief van 20 oktober 1864 aan zijn broer Renier: „Opdat ge u niet zou verschrikken om bij uw terugkeer allemaal liberalen aan te treffen, daar waar ge harde katolieken had achtergelaten.” Verder beschreef hij uitvoerig wat hij beschouwde als het liberaal gekuip rond twee tussentijdse verkiezingen voor de gemeenteraad, en rond het feest ter inhuldiging van het standbeeld van de gebroeders Van Eyck op 5 september 1864. Het was volgens hem een officieel feest waar alles vertrok vanuit één persoon, de liberale burgemeester, die alle macht van Maaseik en zelfs van het kanton in zijn handen wou centraliseren. Rutten vergeleek hem met Frère die alle krachten van het land in zijn handen centraliseerde. Volgens hem werd niets aan privé-initiatief overgelaten. Toch had alles zoveel mooier kunnen zijn als men een beroep gedaan had op het patriottisme en de kristelijke gevoelens van elkeen. Men had zich echter gericht naar de liberale gevoelens en die kwamen uit een kring van officiëlen. Het feest miste dan ook het nodige enthousiasme en de nodige spontaneïteit46.
Maar niet alleen in eigen land waren er spanningen, heel Europa was een warboel. Professor Cartuyvels meende in december 1863 dat er in de lente een algemene oorlog zou uitbreken. Immers alle vorsten en staten hadden zich al voorbereid, overal heerste een gedwongen en gespannen houding. Volgens Rutten was de toestand in Europa te vergelijken met een toorts en een zwavelstokje. De toorts was Polen, waar een opstand was uitgebroken, het zwavelstokje de zaak van Sleeswijk-Holstein waar de oorlog dreigde tussen Denemarken en de Duitse Bond over het bezit van die hertogdommen. Volgens Rutten werd Denemarken geruggesteund door Frankrijk, anders zou het niet zoveel durf gehad hebben. Frankrijk wou immers België, Holland en Pruisen tot aan de Rijn inpalmen. Daarvoor had het echter bondgenoten nodig, in het zuiden was dat Italië, in het noorden zou het dan kunnen rekenen op Denemarken met Zweden en Noorwegen47. In een latere brief schreef Martinus dat Oostenrijk en Pruisen zich op Denemarken hadden geworpen en dat de Denen de zwaksten waren. Denemarken had gehoopt op Engelse hulp maar die kwam er niet. Het kommentaar van Rutten hierop was dat de Denen zouden opgeofferd worden aan de sterken omdat de Engelsen die laf en vals waren, hen hadden aangemoedigd maar op het moment dat het gevaarlijk werd zouden ze van het toneel verdwijnen om terug te keren na de overwinning als de buit werd verdeeld. Zulke sympathie voor het kleine Denemarken en ontgoocheling over de neutraliteit van Engeland was toen algemeen verspreid in België waar men dat alles aanzag als een bedreiging voor zijn eigen positie48.
Niet alleen in Denemarken echter woedde het oorlogsgeweld, in Griekenland en Turkije vocht men tegen de revolutie, in de U.S.A. waren het Noorden en het Zuiden bezig mekaar te vernietigen, in ltalië was de strijd rond de Pauselijke Staten uitgebroken, kortom de hele wereld stond in rep en roer. Ruttens aandacht ging ook uit naar Mexico waar in 1865 300 Belgen werden vermoord of gevangen genomen. Martinus had vooral medelijden met de Belgische prinses Charlotte die gehuwd was met de keizer van Mexico. De oorlog, die door keizer Napoleon III tegen de Mexicaanse leider Juarez, met behulp van een machtig Frans expeditiekorps gevoerd werd, had op 10 juni 1863 geleid tot de inname van de hoofdstad. Een afvaardiging van notabelen had op voorstel van Napoleon III, de keizerlijke troon aangeboden aan aartshertog Maximiliaan, broer van de Oostenrijkse keizer Frans-Jozef. Aan hem was een keizerlijk leger van 10.000 man beloofd waarvan 8.000 zouden gerekruteerd worden in Oostenrijk en 2.000 in België. De Belgische vrijwilligerskorpsen verlieten Antwerpen tussen oktober 1864 en januari 1865 met bestemming het onrustig gebleven Mexico. Juarez nu nam zijn toevlucht tot een guerilla-oorlog en werd gediend door de beëindiging, in mei 1865, van de Amerikaanse burgeroorlog. De Verenigde Staten weigerden Maximiliaan te erkennen en verzochten Napoleon III zijn troepen terug te trekken, wat deze dan ook deed, uit vrees voor een oorlog met hen. De Belgische vrijwilligers die voor de bescherming van het keizerlijk paar naar Mexico waren gevoerd, werden ontslagen. Maximiliaan die in feite aan zijn lot werd overgelaten, viel in handen van Juarez en werd gefusilleerd op 19 juni 186749.
Ondanks deze weinig rooskleurige toestand in de wereld voorzag Martinus toch een gelukkige toekomst door de tussenkomst van God. De hand van God toonde zich door zijn heiligen. Zij verschenen steeds op kritieke momenten om de Kerk of toch een deel ervan te redden. Vervolgens gaf Rutten in zijn brief de volgende bewijzen om zijn theorie te staven:
- eerste eeuwen: vervolgingen, alle leden van de Kerk waren bijna heiligen.
- vierde eeuw: heidendom werd bedwongen. De strijd tegen de ketterij begon. De katolieke wereld was vol heiligen en wijzen.
- Barbaren: zij keerden de samenleving volledig om maar de heiligen waren aanwezig. O.a. Gregorius de Grote.
- De glorieuze militaire loopbaan van Karel de Grote die streed voor het kruis en door Europa trok als gewapende arm van God.
- 10de-11de eeuw: korruptie gepleegd door de eigen leden van de Kerk. God spoorde de heiligen aan. O.a. Hildebrand, de latere Gregorius IX.
- 13de eeuw: ketterijen rezen op in alle hoeken van de wereld. Overal was er een heilige om ze te bestijden en de Kerk terug te brengen tot haar eigen doctrine. ltalië: Franciscus van Assissi. Frankrijk: H. Dominicus. België: H. Norbert, bisschop van Luik.
- 16de eeuw: protestantisme. Dit werd bestreden door de H. Ignatius.
- 17de eeuw: in Frankrijk was het triestig gesteld met de katolieke geschiedenis. God zond Vincentius a Paulo.
- 18de eeuw: revolutie. Via het bloed van de martelaren werd de vergiffenis van God afgedwongen.
- 19 de eeuw: de gevaren groeien aan. De heiligen zullen komen. „Ja,” schreef Rutten „de hand van God toont zich, de nieuwe heiligen komen, de oude heiligen nemen hun oude glorie en reputatie weer op. De huidige leider van de Kerk is dat geen heilige? De zouaven, zijn zij niet te zien in het licht van de Voorzienigheid?”50.
In 1866 liep Martinus’ studietijd ten einde. Hij zei vaarwel aan het seminarie en begon aan een rijkgevulde priesterloopbaan.
Hoofdstuk 2: De jaren 1865-1879
Rutten als leraar
In oktober 1866, nog voor hij priester gewijd was, werd Rutten benoemd tot leraar wiskunde aan het kleinseminarie te Saint-Roch waar de latere bisschop van Luik, Doutreloux51. toen bestuurder was. Deze laatste had Nederlands geleerd toen hij als jonge wees enkele jaren had doorgebracht bij zijn heeroom te Papenhoven in Nederlands-Limburg. Dit element is belangrijk inzake zijn houding tegenover Rutten, hij zou steeds reëel begrip opbrengen voor de Vlaamse eisen, en een goede relatie onderhouden met Rutten waar deze optrad als verdediger van de Vlaamse belangen.
Paasmaandag, 28 april 1867, werd Martinus priester gewijd door Mgr. Mercy-Argenteau, aartsbisschop van Tyr. Te Geistingen droeg hij twee dagen later zijn eremis op.
2 foto’s
In 1870 nam Rutten naast de wiskunde ook nog de lessen van godsdienstleer voor zijn rekening. Uit zijn godsdienstlessen groeide een handboek dat hij uitgaf: „Cours élémentaire d’apologétigue chrétienne.” Het werk kende zo’n succes dat het in het ltaliaans vertaald werd en herhaaldelijk werd herdrukt.
Cours élémentaire d’apologétique chrétienne.
Het boek verscheen voor het eerst in 1871, het door ons bestudeerde werk is een niet herwerkte uitgave van 1879, die 507 pagina’s telt52. Het werk dat, zoals Rutten in het voorwoord het blijken, niet bedoeld was als lektuur maar als handboek voor de schoolgaande jeugd werd voorafgegaan door een brief van bisschop de Montpellier. Deze schreef dat het boek in een relatief beperkt kader een voorstelling gaf van de belangrijkste religieuze vragen. De bezwaren die de onwetendheid, het slecht geloof en het vooroordeel uitspraken tegen de religie en tegen de Kerk werden verworpen: „L’enchaînement logique des différents traités, le développement méthodique de chaque thèse, la lucidité et la simplicité de l’exposition mettent les vérités les plus relevées à la portée de jeunes intelligences et font de cet ouvrage un MANUEL D’APOLOGETIQUE qui sera justement estimé des maîtres et des élèves.”53
In het voorwoord vernoemde Rutten de belangrijkste kwaliteiten van zijn boek: „la clarté - la concision - Vexactitude”. De methode die werd aangewend om het boek op te stellen was die van vraag en antwoord, zo werd volgens hem de aandacht van de leerling beter gericht naar het preciese punt. De taak van de leraar was de inhoud van de tekst duidelijk te maken en die zo goed mogelijk in het geheugen van zijn leerlingen te prenten. De beste methode daartoe was de stof samen te vatten en zo mee te delen. Ook zouden duidelijke voorbeelden bij de tekst erg verhelderend zijn. Het boek was vooral gericht naar de hogere leerjaren van de humaniora, daar reeds in de vorige studiejaren les werd gegeven over het katolieke dogma en de katolieke moraal. In de apologetica zouden de leerlingen dan gekonfronteerd worden met de meest eigentijdse vergissingen. De jongeren die de lessen zouden volgen, waren dan gewapend tegen die vergissingen.
Het boek zelf bestaat uit twee grote delen, „I. Cours superieur de réligion” en „L’Eglise et la civilisation” die elk nogmaals in een aantal delen, sekties en hoofdstukken werden ingedeeld. In het eerste deel handelde Rutten over alle dingen die op één of andere manier betrekking hadden op de godsdienst. Het gaat over God, over de ziel, over natuurgodsdienst, over Openbaring, over de Kerk en over de goddelijkheid van het kristendom. Het tweede deel „L’Eglise et la civilisation” behandelt de situaties waar de katolieke Kerk mee gekonfronteerd werd in haar bestaan. Vooral het liberalisme werd op de rooster gelegd in zijn verschillende gedaantes, als doctrine, als politiek systeem en als partij.
Bij het liberalisme als doctrine bestonden er volgens Rutten drie graden waarlangs men zich steeds verder verwijderde van de katolieke doctrine. De laagste graad, die het verst verwijderd was van de katolieke leer, noemde hij een absoluut liberalisme of rationalisme gebaseerd op de soevereiniteit van de rede. De tweede graad was het relatief liberalisme of sociaal rationalisme waar de Staat moest regeren alsof de Kerk niet bestond. Martinus wist deze twee soorten echter vals te verklaren, enerzijds omdat het rationalisme, waar geen goddelijke macht was om aan te gehoorzamen, ontkend werd door het bewijs van het bestaan van een bovennatuurlijke religie, namelijk de katolieke godsdienst, anderzijds omdat het sociaal rationalisme regelrecht inging tegen de rechten van de Kerk, namelijk de macht over samenlevingen, volkeren en hun leiders. Naast deze twee was er echter nog een derde graad die nauw aansloot bij de zuivere katolieke doctrine, dit liberalisme dat katoliek genoemd werd omdat bepaalde katolieken het beleden, droeg de naam praktisch liberalisme. Deze richting gaf toe, tegen het absoluut liberalisme, dat de mens zich moest onderwerpen aan de geopenbaarde godsdienst en tegen het relatief liberalisme dat de staat niet helemaal onafhankelijk was in de religieuze en morele orde. Maar wat Rutten ook in deze vorm tegenstak was dat er vanuit het oogpunt van de regering geen noodzakelijk onderscheid werd gemaakt tussen de echte religie en de dissidente sekten.
Als politiek systeem was het liberalisme gericht zowel tegen het konservatisme, dus vóór industriële, handels- of burgerlijke vrijneid, als tegen het absolutisme, dus vóór een beperking van de vorstelijke macht door een constitutie ofwel vóór het aanduiden van politieke constituties met madarma vrijnadan om 36 da lisarala thaorie van de onafhankelijkheid van de burgerlijke samenlevingen tegenover elke positieve en bovennatuurlijke godsdienst te verwezenlijken.
Als partij wisselde de betekenis volgens Rutten van land tot land. In de katolieke landen was de liberale partij samengesteld uit mensen die min of meer vijandig stonden tegenover de religieuze invloed van de Kerk.
De oorsprong van het liberalisme was te vinden in de 18de eeuw. Rutten noemde Voltaire de patriarch van deze leer, hij was het die de oorlog had verklaard tot afsterven van de Kerk. „Ecrasez l’Infâme” was het motto van het liberalisme. Het plan van de „philosophes” was de vrijheid van de religieuze opinies te verspreiden totdat de dwaling, waar zij de voormannen van waren, zo machtig werd dat ze de waarheid zou vernietigen. Volgens Rutten toonde de verdere geschiedenis van het liberalisme aan dat men trouw was aan het plan uitgewerkt door die eerste auteurs. Overal waar de beweging de kop opstak ging dit gepaard met een vervolging van de Kerk54.
Van welke middelen maakte het liperalisme nu gebruik in zijn strijd tegen de Kerk?
In weekbladen, kranten, brochures en boeken werd, volgens Rutten, een verleidelijk aspect verleend aan de perverse theorieën. Dagelijks werden de grieven tegenover kerkelijke personen of instellingen uitgebuit, wat meteen betekende dat het katoliek geloof werd afgebroken. Het theater werd omgevormd tot een echte school van verderf, moeders moesten er voor zorgen hun kinderen er niet naartoe te brengen. Verenigingen, schreef Rutten, hadden een dubbel doel, zij moesten enerzijds de krachten en invloedsmiddelen beter organiseren en anderzijds moesten zij zonder oponthoud nieuwe leden werven voor het liberale kamp. De burgerlijke macht tenslotte, noemde Rutten één van de machtigste steunpunten van het liberalisme. Hier werden de nodige materiële hulpmiddelen verkregen om scholen te stichten waar het godsdienstonderwijs werd verboden. Het was door deze macht dat het liberalisme de uitbreiding van de religieuze invloed kon belemmeren. En het was uit naam van het liberalisme dat de politieke machthebbers aan de burgers oplegde, hoewel zij gelijk waren voor de wet en ze toegang hadden tot alle beroepen. te kiezen tussen uitsluiting uit publieke funkties of afzwering van hun religieuze opvattingen. De Staat had tot taak alles op te slorpen en aan het liberalisme alle hulpmiddelen en alle materiële steun te geven waar het nood aan had om met enige kans van slagen de strijd tegen de Kerk vol te houden55.
Het liberalisme bedreigde, volgens Rutten, Kerk en Vaderland. De katolieken, als kinderen van de Kerk, hadden de taak die vijand te bestrijden door zowel in hun privé als in in hun publiek leven hun geloof levend te houden en het te belijden tegenover anderen. Hun leven als katolieken en als burgers moest een na te volgen voorbeeld zijn. Tevens moesten ze om het liberalisme voldoende te bestrijden van dezelfde hulpmiddelen gebruik maken als hun vijanden. Door de pers, het gesproken woord, de verenigingen en de burgerlijke macht konden ze de weldoende invloed van de Kerk in het licht stellen en de rampspoedige gevolgen van de liberale propaganda verminderen. Zo zou de grote kwaal vernietigd worden56.
Het is tegen de achtergrond van een kerkelijke leer zoals die door Rutten in 1871 en 1879 werd verkondigd met de openlijke goedkeuring van zijn bisschop, dat we het liberaal offensief tegen het ultramontanisme moeten beoordelen, dat zou leiden tot de schoolwet van 1879 In 1875 had Frère-Orban de liberalen als volgt opgeroepen om zich te verenigen: „Il est maintenant démontré qu’à une heure donnée, sur un signe du Pape, sur un ordre qu’il donnera, tout un grand parti qui existe dans Ie pays va s’insurger contre notre Constitution, contre les libertés qu’elle nous garantit. C’est |à a grande modification que je signale dans la situation qui, jusqu à présent, nous avait été faite à l’intérieur du pays. L’enseignement, la prédication, tous les moyens d’action et d’influence sont dirigés vers ce but. Nous avons donc de notre côté des devoirs importants à remplir. Nous avons à organiser ce que j’ose nommer une défense nationale qui sera tout à la fois une oeuvre de conservation et de progrès, car elle aura pour but de maintenir et de developper les principes constitutionelles. Le concours de tous les hommes de bonne volonté sera nécessaire à laccomplissement de cette oeuvre. L’oeuvre sera longue, laborieuse pénible, elle nous obligera à des luttes acharnées et souvent renouvelées”57.
Uit Ruttens tiijd als leraar te Saint-Roch werden twee Nederlandstalige brieven bewaard, gericht aan zijn ouders. Op 1 juni 1872 schreef hij over een sterfgeval van een student van de normaalschool. Zijn doodsstrijd werd van uur tot uur beschreven. Om half vier ’s morgens werd hij voorzien van de laatste H. Sacramenten. Om half acht gaf hij bijna geen teken van leven meer maar hij bekwam enigszins toen hij lid mocht worden van de Congregatie van O.L. Vrouw. Hij kreeg een plotse heropflakkering om 9 uur 20 minuten, zijn stem werd helder en krachtig en hij sprak gedurende een kwartier tot God en de H. Maagd. Deze toespraak was volgens Rutten zielberoerend. De student loofde de barmhartigheid van God en van Maria. Nadat hij vergiffenis voor zijn zonden gevraagd had zei hij: „ik zie den hemel open en van op deze bergen ga ik met mijn broeder den eeuwigen lofzang zingen (zijn broeder is over 16 jaren te Saint-Roch gestorven, wellicht in dezelfde kamer, voegde Rutten erbij). Waar is mijne medalie … O de Moeder Gods Maria … Ik zie ze daar … daar in den hoek … O zingen wij ” Twee uur later stierf hij. Martinus was diep beroerd door dit sterfgeval. Hij schreef dan ook: „Niet één sedert gisteren, of hij heeft gezegd in zijn hart: ware ik toch ook zoo maar naar de eeuwigheid ! - En waarlijk wie zou met dergelijke gevoelens van Godsvrucht, wie zou met zulke voorteekens van eeuwige zaligheid niet willen uit de wereld scheiden?”58
Rutten als direkteur van Saint-Roch
Amper zes jaar priester werd Rutten het ambt van direkteur van het seminarie te Saint-Roch toevertrouwd. In deze funktie zou hij blijven tot december 1877.
Uit deze periode werden vier Nederlandstalige brieven aan zijn broer Hubert, die op dat moment te Rome studeerde, bewaard. Ze waren niet zo vervuld van Ruttens magische religiositeit en ze waren ook een stuk korter. Hij meldde dat het kollege zou verbouwd en vergroot worden. Op 7 december 1876 was er sprake van de bouw van een nieuwe vleugel59 en uit een volgende., niet-gedateerde brief bleek dat men begonnen was met de aanleg van het nieuwe gebouw. Op het moment van het schrijven was men druk bezig de aarde te maken voor de bakstenen, er zouden er 400.000 gemaakt worden maar volgens Martinus zou men er misschien niet genoeg aan hebben. Het nieuwe gebouw was de uitvoering van het plan dat hij drie jaar eerder aan zijn bisschop had voorgesteld. Om zijn broer een idee te geven hoe het zou worden, tekende Rutten een klein plannetje in de hoek van zijn brief. Het nieuwe gebouw had een lengte van 36 m en een breedte van 12 m. „Gij ziet dat wij geenen prul maken. Ook verheug ik mij reeds in het vooruitzicht wat Saint-Roch zijn zal wanneer dit nieuwe gebouw er eens zal staan”60.
Ook tijdens zijn bestuursjaren interesseerde Rutten zich erg voor het wereldgebeuren. Getuige hiervan de brieven aan zijn broer die telkens weer een stukje wereldpolitiek bevatten, rond de spanningen waaruit in 1877 een Russisch-Turkse oorlog uitbrak. Verder schreef hij over de toestand van de katolieke Kerk tegenover het liberalisme, de vijand van de Moederkerk. Het zou nog jaren duren eer de goede partij zou bovendrijven. In tussentijd zou het er hevig aan toe gaan, maar hoe heviger hoe vlugger het einde!61 De verlossing was Gods werk. Langzaam zouden de volkeren bekeerd worden door de zichtbare werking van Gods genade62.
Zijn werk als bestuurder
foto Monseisneur als bestuurder van ’t Seminarie Saint-Roch
Uit Martinus’ tijd als direkteur van Saint-Roch werd één rapport aan zijn bisschop de Montpellier bewaard63. Hierin schreef hij dat hij van plan was serieuze semestriële examens in te voeren over verplichte vakken in alle klassen. De leerlingen zouden verdeeld worden in zes kategorieën: 1. erg sterk; 2. sterk; 3. middelmatig; 4. zwak; 5. erg zwak; 6. niet in staat te volgen. Hun uitslag zou gebaseerd worden op hun werk van het hele jaar. De goede resultaten zouden geproklameerd worden in een openbare zitting. Vervolgens gaf Rutten een kort overzicht van de verschillende klassen. Het leerlingenaantal bedroeg in 1877 266. De meeste leerlingen. nl. 77, zaten in het voorbereidend jaar. Elke klas had een titularis. Rutten gaf een korte schets van de prestaties van de leerlingen van elke klas en daarbij voegde hij een oordeel over elke klasleraar. Onder de leerlingen heerste er volgens hem een goede sfeer en het lerarenkorps leverde geen serieuze problemen.
De jaren die Martinus in Saint-Roch doorbracht waren erg druk. Zijn broer Renier die zich te Clermont gevestigd had, klaagde in een brief naar Geistingen: „Die van Saint-Roch heeft nooit tijd”64. Martinus werd, naast de taak van bestuurder van het seminarie, door zijn bisschop nog benoemd tot deken van het nabije plaatsje Ferrières en vereerd met de titel van ere-kanunnik.
Ruttens bevoegdheid als deken omvatte: de visitatie van de dekenij en het toezicht op de geestelijkheid, het bijeenroepen van de pastoorsvergaderingen en in het algemeen zijn rol van bemiddelaar tussen de bisschop en de geestelijkheid. De deken was zoveel als het „oog” van de kerkelijke overheid, een inspekteur die tegelijk een vriend en raadgever hoorde te zijn, met wie de pastoors hun moeilijkneden konden bespreken. Een aparte, maar toch specifieke taak was de verantwoordelijkheid om de kontinuïteit van het parochiebestuur te waarborgen. De deken stond de priester bij in ziekte of stervensnood, zorgde voor een passende begrafenis, meldde de vacature aan de bisschop en installeerde de nieuwbenoemde pastoor65.
Rutten en het Davidsfonds
Toen de liberalen zich meester hadden gemaakt van het Willemsfonds, dat in 1851 gesticht was om door de uitgave van boeken de kulturele en politieke Vlaamse beweging te bevorderen, moest een katolieke tegenhanger opgericht worden om oorspronkelijke en vertaalde werken ter beschikking te stellen van het volk door uitgaven en biblioteken. Op 15 januari 1875 werd door zes bestuursleden van het taal- en letterlievend studentengenootschap van Leuven „Met Tijd en Vlijt”, samen met vijf andere leden het Davidsfonds gesticht. Het doel van deze vereniging, die katoliek zou zijn maar zich niet met politiek zou inlaten, was „de studie en het gebruik der Nederlandse taal aanmoedigen … de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling van de Vlaamse volksstam … de nationale geest op te beuren”66.
Onmiddellijk had Rutten in Saint-Roch een kern gesticht onder leraars en leerlingen, die vlug als afdeling zou erkend worden. De officiële inrichting gebeurde op 1 juli 1875. In het jaarboek van het Davidsfonds van 1880 verscheen het eerste verslag en de afdeling Saint-Roch die toen nog slechts drie leraars als lid telde plus *„de Vlaamse leerlingen der Poëzie en der Rhetorica van het college, die gezamenlijk het vierde lid uitmaken. Toch hopen wij op nieuwe aanwinsten, hoe moeilijk dat ook zij. Afgezonderd in het hart van het Walenland, ademende, om zo te spreken, louter Franse lucht; door plichtverbintenis genoodzaakt een groot deel van onze werkzaamheden aan vreemde belangen toe te wijden, kan en mag het ons niet verwonderen onze kring zeer beperkt te zien.
Nochthans, geloof niet dat onze arbeid zonder vruchten blijft, voortdurend wakkeren wij bij onze Vlaamse leerlingen het Vlaamse gevoel aan en wij durven hopen dat uit deze kiem eens moedige kampers voor de vaderlandse zaak zullen opschieten. Wij werken dus voort en streven zonder ophouden naar ons aller doel en oogwit: Godsdienst, Moedertaal en Vaderland”*67.
De afdeling bleef bestaan en groeide later enigszins aan tot een tiental leden. Ook werd er in 1875 een afdeling van het Davidsfonds te Luik zelf gesticht. Zij begon met 22 leden en de bisschop van Luik was ere-voorzitter. Vanaf 1886, toen Rutten vikaris-generaal was, zou hij deze afdeling zelf voorzitten.
In 1877 eindigde Martinus’ ambtstermijn als direkteur van Saint-Roch. Hij nam tijdelijk afscheid van Wallonië en trok naar het kleinseminarie van Sint-Truiden.
Rutten als direkteur van het kleinseminarie te Sint-Truiden
In 1877, met kerstmis, volgde Rutten Mgr. de Groutars op als direkteur van het seminarie te Sint-Truiden. Hij keerde dus terug naar de school waar hij ooit nog als leerling en student enkele jaren had doorgebracht.
In zijn studietijd aan het kleinseminarie was Martinus aktief lid geweest van de letterkundige kring „Utile Dulci”. Ook als direkteur kon hij het niet nalaten zijn literair talent tentoon te spreiden. Het drama in verzen, „De Nero van het Noorden”, dateerde van 8 december 1878 en werd anoniem opgetekend bij „Utile Dulci”68. Het langdradig en onwaarschijnlijk verhaal beeldde een episode uit de Investituurstrijd uit, in 1085, tussen keizer Hendrik IV en paus Gregorius VII.
In het voorwoord lichtte Rutten het opzet van het werk toe: „Ons doel in de bewerking van dit drama was een tijdvak te doen kennen dat veel overeenkomt met het onze; een lasterrede, die nog dagelijks gehoord wordt tegen de heilzame invloed van de H. Kerk, te weerleggen; ons. door de herinnering aan Gods beloofde bijstand, die zo klaarblijkend verleend werd in de vermaarde worsteling tussen Paus en Keizer, op te beuren om met moed en betrouwen de toekomst in te blikken”69.
Al miste Rutten zowel dramatische kracht als poëtische bezieling, er moet erkend worden dat hij in zijn franstalig milieu in Luik en Saint-Roch de Nederlandse taalbeheersing had weten te verwerven die hem toeliet zulk dichtwerk van 78 gedrukte bladzijden te verwezenlijken. Het werk werd inderdaad anoniem opgetekend in het jaarboek van „Utile Dulci” van 1878 en in 1897 verscheen het te Nijmegen onder de titel De Kerkvervolger.
Ook in Sint-Truiden volgde Rutten de vorderingen van zijn leerlingen en leerkrachten op de voet, zoals bleek uit het rapport aan zijn bisschop van 15 maart 187970. De direkteur gaf zijn oordeel over de vroomheid, discipline en ijver van de leerlingen. Wat vroomheid aanging. liet de grootste meerderheid niets te wensen over. De Heilige Sacramenten werden druk bezocht en er werd goed gebeden. Natuurlijk waren er ook enkelen die slecht of weinig baden, maar hun aantal leek te verminderen. Ook bleken de leerlingen erg gedisciplineerd te zijn want er werden weinig inbreuken op de regels gemeld. En op het gebied van vlijt was er een ware vooruitgang te bekennen. Dit had men voor een deel te danken aan de studiemeester Massart, die aan de studie een nieuwe orde had gegeven.
Vervolgens gaf Rutten ook in dit rapport een verslag over de verschillende klassen. Het leerlingenaantal bedroeg in 1879 277. Zowel leerlingen als klasleraars werden bekommentarieerd. De retorika bleek een gemakzuchtige en rumoerige klas te zijn die echter onder het gezag stond van M. Lejeune die zijn klas meester was. De poësis was rustiger en er waren meer kerkelijke roepingen. Ook in de overige klassen domineerden de leerlingen die uitblonken door goed gedrag en ijver. Daarna gaf Rutten zijn oordeel over enkele speciale vakken, wat er aan haperde en wat men er kon aan verhelpen, zoals bijvoorbeeld wiskunde, een vak dat vanaf het vijfde jaar verwaarloosd werd. De oplossing lag in het vergemakkelijken van de stof, in een andere lesmethode en in het wegnemen van de vooroordelen van de leerlingen tegenover het vak. Ook de lessen Vlaams werden onder de loep genomen; alhoewel er terrein gewonnen was., werd de taal niet genoeg beoefend door hen die ze ooit zouden moeten spreken. Rutten wilde immers de studie van het Nederlands bevorderen in funktie van een goede pastoraal71.
De direkteur was over het algemeen tevreden over de leraren en leerlingen. Enkele maanden na dit rapport zou hij Sint-Truiden verlaten om Doutreloux op te volgen in Luik als vikaris-generaal.
In 1879 maakte Rutten, nog als direkteur, het uitbreken van de schoolstrijd mee. De wet op het lager onderwijs van 1 juli 1879 was de aanleiding tot de strubbelingen. Luidens art.4 en 5 van die wet behoorde het godsdienstonderricht niet langer tot het gewone onderwijs. De geestelijken werden nog wel in de school toegelaten maar buiten de gewone lesuren en er werd een eind gemaakt aan het toezicht vanwege de clerus zoals dat door de wet van 1842 was geregeld. Het episkopaat verklaarde dat de openbare lagere school aldus „een school zonder God” werd, dat het recht van de Kerk was aangetast. De harde houding van de bisschoppen heeft de schoolstrijd doen losbarsten. Men was verplicht kleur te bekennnen. De bisschoppelijke richtlijnen aan de gelovigen hielden aan de ene kant de volledige boycot van de openbare lagere school in en riepen anderzijds op tot de organisatie van vrije katolieke scholen in alle parochies. Hierop hebben de katolieken zich tijdens de jaren 1879-1884 toegelegd72.
In Limburg, zoals elders in België, werden grote volksvergaderingen belegd om de gelovigen te wijzen op de gevaren van de toestand. Maar wie zou spreken tot het Vlaamse volk dat uit de dorpen samenstroomde en geen Frans verstond? De man, die tot dan toe tussen de vier muren van een onderwijsinstelling had verbleven, bleek één der weinigen te zijn die het volk in het Vlaams kon toespreken. Hij sprak te Sint-Truiden en te Maaseik. Later, toen Rutten bisschop was, zou hij in zijn synodale rede van 20 april 1910 terugkomen op het feit dat de burgerlijke overheden zich ten tijde van de „Ongelukswet” slechts konden bedienen van een gebrekkig Vlaams: *„In de provincie Limburg zijn de hogere overheden en openbare personen over het algemeen niet in staat behoorlijk Vlaams te spreken en te schrijven. Het grote nadeel van deze toestand trad vooral in het licht in 1879, toen aan het volk de rampspoedige strekking moest worden uitgelegd van de „Ongelukswet”73.
In een rede van 1919 kwam hij nogmaals op deze toestand terug: „De twee meetings zouden hun doel geheel hebben gemist, hadde men niet op het laatste ogenblik tot mij het verzoek gericht in het Vlaams te wijzen op de noodzakelijkheid overal tegenover de neutrale school een vrije school te stellen, waar de kinderen zouden worden onderwezen en opgevoed in het geloof van hun ouders”74. Het was Rutten dus die zijn provinciegenoten kon te woord staan in hun eigen taal en hun kon wijzen op de gevolgen van de nieuwe schoolwet. Hij was als geestelijke nauw betrokken geweest bij deze schoolstrijd. De nieuw getroffen maatregelen troffen hem in zijn privileges als priester en tevens werden ze genomen door de door hem zo verguisde liberalen. Doch het einde van de strijd beleefde Rutten niet in Sint-Truiden want in 1879 haalde de nieuwe bisschop van Luik, Doutreloux, hem er weg. Hij kreeg nu de taak van vikaris-generaal toegewezen.
Hoofdstuk 3: Rutten als vikaris-generaal (1879-1901)
De bevoegdheid van de vikaris-generaal was in de kerkrechtelijke traditie dezelfde als deze van de bisschop waarvan hij een alter ego was. Zijn uitspraken en handelingen werden verondersteld als verricht door de bisschop zelf, aan wie hierover ook geen advies moest worden gevraagd. De bisschop kon zich echter steeds één en ander voorbehouden, terwijl de vikaris-generaal voor bepaalde zaken een bijzondere opdracht moest genieten. In één bisdom werden er veelal meerdere vikarissen-generaal aangesteld die in principe bevoegdheid hadden over het gehele diocees maar toch vaak het bestuur voerden over een welbepaald onderdeel75. Rutten zou zich tijdens zijn vikariaat-generaal, blijkens zijn rapporten en redevoeringen, vooral bezighouden met de problemen van de Vlaamse arbeiders in Wallonië, met de strijd tegen het socialisme en met het middelbaar onderwijs en de hele Vlaamse problematiek die ermee verweven was.
Rutten en de kristen-demokratie
Omdat een aantal auteurs een band leggen tussen vlaamsgezindheid en kristen-demokratie, werd in deze verhandeling ook nagegaan in hoeverre Rutten voor- of tegenstander was van deze nieuwe beweging. Het boek van P. Gérin werd hierbij als richtlijn gebruikt76. Zijn visie, die duidelijk anti-Rutten was, zal verder aangevuld worden met excerpten uit de briefwisseling Rutten-Helleputte77.
De kristen-democratie ontstond te Luik door de aktie van priester Pottier78 die professor moraalteologre was aan het grootseminarie te Luik, en ze kon opbloeien, volgens Gérin, dankzij de bescherming van de Luikse bisschop Doutreloux. Pottier verdedigde het minimumloon, de progressieve belastingen op het inkomen, de pensioenregeling (vooral in de mijnen) en een gematigde staatstussenkomst. Buiten deze eisen waren de demokraten nog gekant tegen vrouwenarbeid en wezen ze de kinderarbeid radikaal van de hand. Inzake stemrecht waren ze voorstander van het algemeen meervoudig stemrecht.
Doutreloux was volgens Gérin tijdens zijn eerste jaren als bisschop zowel een paternalistisch sociaal-katoliek als een ondersteuner van de kristen-demokratie, maar hij zou evolueren tot een volledig demokraat. De Luikse bisschop bevestigde wel de noodzaak van een morele hervorming maar hij beperkte deze niet, zoals de sociaal-katolieken, tot een deel van de maatschappij. Vanaf 1891 begon Doutreloux openlijk sympathie te betuigen aan de kristen-demokratie en in een pastorale brief van 14 januari 1894 gaf hij steun aan Pottier. Die brief legde het accent op de oplossingen voorgeschreven door de encycliek „Rerum Novarum”79 van 1891 en op de unie tussen de katolieken. Hij werd gunstug onthaald in Rome maar stuitte op verzet te Luik waar de bisschop door de paternalisten werd beschuldigd van „pottiérisme”. De sociaal-katoileken gehoorzaamden niet meer aan Doutreloux en vonden steun bij de bisschop van Namen. Toch wou, schreef Gérin, de Luikse prelaat de eenheid tussen de katolieken bewaren en trad hij vredestuchtend op80.
Rutten daarentegen werd door Gérin beschouwd als een intelligente maar erg bekrompen man. Hij dacht dat hij de Kerk zou verraden als hij een stap waagde in de richting van de vernieuwing, dus bleef bij hem alles beperkt tot de traditie. Rutten behoorde tot het sociaal-katolicisme en vanuit die optiek werden de ekonomische en sociale oplossingen van de kristen-demokratie verworpen, nl. het familiaal loon (de man moet genoeg verdienen opdat zijn vrouw en kinderen niet moesten gaan werken), het algemeen stemrecht en het minimumloon81.
De grondslag van Ruttens afwijzing van de kristen-demokratie kwam tot uiting in een brief die hij schreef aan Helleputte82. De kristen-demokraten baseerden zich volgens de vikaris op de encycliek „Rerum Novarum” die ze echter verkeerd interpreteerden. Hij stelde dat ze zowel de waarde van het dokument hadden ontkend, als de beslissingen, goedgekeurd door de paus, hadden vervangen door de obscure interpretaties van pater Eschbach. Deze laatste was volgens Rutten zowel de wet als de profeten voor de kristen-demokraten van Luik en zelfs de paus zou hem de inhoud van zijn eigen encycliek moeten vragen! Hijzelf vond dit een schandalige handelwijze en stelde zich tevreden met het geloof in wat de paus onderwees en hij zou de woorden interpreteren volgens de nuance die de paus zelf er aan gaf.
In dezelfde brief maakte Rutten duidelijk dat hij geen voorstander was van het door de kristen-demokratie gevraagde familiaal loon. Hij stelde dat het geheel der lonen verkregen door de verschillende leden van een familie en rekening houdende met alle andere inkomsten en voordelen, het nodige moest leveren om te kunnen leven naar hun stand. Door het standenverschil aan te halen stelde hij zich duidelijk konservatief op. Zijn houding ging volgens de demokraten in tegen de rechtvaardigheid. Ook de aparte syndikaten voor arbeiders en patroons werden door hem van de hand gewezen. Hij schreef dat de paus in zijn encycliek zijn voorkeur had uitgesproken voor gemengde syndikaten, zonder evenwel aparte vakbonden uit te sluiten, maar met een gemengd syndikaat, verklaarde Rutten, zou de vrede verzekerd zijn83.
Het verkiezingsprogramma aangenomen door de Belgische Volksbond84 werd in de briefwisseling ook bediscussieerd. Daarin werd, op initiatief van Helleputte de belangenvertegenwoordiging verdedigd van arbeid, kapitaal en intellect. Volgens Rutten betekende zulks dat elke arbeider kiezer was, terwijl de anderen slechts kiezers zouden zijn als ze de gewenste cijns zouden betalen of zich zouden rechtvaardigen door een zekere bekwaamheid. Dit was, volgens Rutten, erg demokratisch maar tevens erg arbitrair. Door dit programma zou een arbeider kiezer worden enkel en alleen omdat hij arbeider was, terwijl een priester het niet zou zijn alleen omdat hij priester was. „Echt,” schreef Rutten, „de toekomst is voor de arbeiders, aan hen voortaan de privileges die men vroeger gaf aan de clerus, aan de rijken, aan de adel! De gelijkheid bestaat niet meer!”85 Rutten kwam hier duidelijk naar voor als een rasechte konservatief. Hij kon moeilijk de voorrechten die voorheen te beurt vielen aan de geestelijken zien overvloeien in de handen van de gewone werkman. Mogelijk werd zijn zienswijze bepaald door het milieu waar hij uit afstamde en door zijn opleiding in verschillende seminaries waar het priesterschap werd opgehemeld en waar er waarschijnlijk werd op gewezen dat een priester, wegens zijn vorming, niet gelijk was aan een gewone arbeider.
Rutten was er zich echter terdege van bewust dat zijn ideeën verouderd klonken tegenover de nieuw verkondigde opvattingen. Zo schreef hij naar aanleiding van een toespraak die hij op 20 november 1892 moest houden op het feest van de „Katholieke Werkmanskring” dat hij vreesde dat zijn toespraak een anachronisme zou zijn, iets ouds, dat de jonge en hevige demokratie zou laten lachen86. Toch zou hij, ondanks alle kritiek, niet van zijn opvattingen afstappen.
Volgens Gérin bond Rutten vanaf 1894 de strijd aan tegen de evenredige vertegenwoordiging en was hij het die Helleputte aangespoord had te strijden tegen dit systeem87. Enkele brieven van Rutten en Helleputte tonen echter het tegendeel aan.
Op 29 januari 1894 schreef Rutten dat hij lange tijd voorstander was geweest van de evenredige vertegenwoordiging die door de demokraten werd verdedigd maar dat hij begon te twijfelen wegens het standpunt van Helleputte die het systeem bestreed op een volgens Rutten loyale, eerlijke en waardige wijze88. Toen in 1899 het wetsontwerp Vandenpeereboom voor een nieuwe kieswet, stelde dat de evenredige vertegenwoordiging zou ingevoerd worden in de grote arrondissementen was deze oplossing volgens Rutten gebrekkig, maar de enig mogelijke in de toenmaals heersende opinie. De kieswet zou immers weinig schaden aan de katolieken. De kleine arrondissementen, waar een grote katolieke meerderheid was, zouden voor hen blijven. in de vijf of zes arrondissementen die onder de wet vielen, zouden de katolieken een aanzienlijke fraktie behouden89. Rutten achtte het zijn taak Helleputtes negatieve visie op het systeem af te zwakken. Deze laatste immers stelde dat de invoering van de evenredige vertegenwoordiging onvermijdelijk moest leiden tot een radikale wijziging van het politiek regime, terwijl elke serieuze sociale wetgeving onmogelijk werd gemaakt en meer arbeiders naar het socialisme zouden gedreven worden. Tevens zou het systeem de dood betekenen van de katolieke politiek, daar de katolieke meerderheid in de Kamers zou wegvallen90. Rutten vond echter dat offers van eigenliefde en voorkeur moesten gebracht worden om de regering en de partij te steunen en niet ten val te brengen. Dit standpunt kan moeilijk demokratisch genoemd worden omdat slechts een verkapt systeem van evenredige vertegenwoordiging werd aanvaard en dan nog vanuit de optiek dat aan de katolieke partij geen schade mocht berokkend worden. Maar Gérin had, om zijn visie te benadrukken, duidelijk overdreven waar hij stelde dat Rutten Helleputte opgestookt had tegen het systeem.
De demokraten waren volgens Rutten echter verkeerd „dans le fond et dans la forme,” A. De kristen-demokratie was een equivalent van het socialisme en het socialisme van anarchie, tirannie en vernieling van alle kristelijke waarden. Het enige wat Rutten op het oog had was de eenheid in het diocees91. Toen de kristen-demokraten in 1895, volgens Rutten, de goede richting schenen te vinden, stelde hij zich milder op. Hij hoopte dat ze de weg naar de unie en de naastenliefde, die de enige echte katolieke weg was, zouden gaan92. Begin 1896 stapte hij echter af van zijn positieve houding en noemde de kristen-demokratische beweging in Luik totaal verziekt. De fameuze syndikaten bestonden niet meer en het weekblad van de kristen-demokratie in Luik Le Bien du Peuple werd opgedoekt. De vikaris zag de unie verloren gaan en hij hoopte dat de ogen zouden geopend worden van de mensen die dachten dat het heil van de maatschappu afhing van de kristen-demokratie zoals die opgevat werd te Luik93.
Toen door Gérin een vergelijking werd gemaakt tussen Doutreloux en Rutten kwam deze laatste er allesbehalve rooskleung uit. De bisschop van Luik was een toonbeeld van geduld en verdraagzaamheid, hij verdedigde de kristen-demokratie tegen de aanvallen van de sociaal-katolieken. Rutten daarentegen wendde al zijn kracht aan om de onmiddellijke stopzetting van het konflikt tussen de kristen-demokratie en het sociaal-katolicisme te bewerkstelligen. Voor Doutreloux primeerde de „union”, Rutten streefde de „unité” na. Hij steunde de eisen van de kristen-demokraten niet alhoewel hij moest rekening houden met hun bestaan94. Gérin was echter mis waar hij beweerde dat Rutten Helleputte tegen de evenredige vertegenwoordiging had opgezet.
Het taalregime in het onderwijs95
Rutten was als vikaris-generaal bijzonder belast met het middelbaar onderwijs en de hele Vlaamse problematiek die ermee verweven was en werd dus persoonlijk gekonfronteerd met de flamingantische eisen dienaangaande.
Na de onafhankelijkheid had het Voorlopig Bewind de taalregeling van Willem I voor het middelbaar onderwijs afgeschaft, krachtens welke tussen 1823 en 1829 de humaniora trapsgewijze was vernederlandst. Met name werd de voorbereidende klas geschrapt waarin Nederlands-onkundigen de landstaal moesten leren vooraleer de humaniora aan te vatten en ook de verplichting om twee of drie fakultatieve leergangen van het vak Nederlands te organiseren was opgeheven. Een snelle verfransing zette in, die op vele plaatsen in de hand werd gewerkt door een gebrek aan kontinuïteit. De toestand verschilde naargelang de houding der stadsbesturen en der geestelijken die ook in een aantal gemeentelijke instellingen de leiding kregen.
In 1850 werd het rijksmiddelbaar onderwijs ingericht door de liberale regering Rogier. De programma’s inzake moderne talen en exacte wetenschappen werden verruimd en gemoderniseerd. Tevens werd een pedagogische en wetenschappelijke vorming van de kandidaat-leraars geëist, een opleiding die de priester-leraars misten en wat leidde tot een niveau-verschil tussen de twee netten. De flaminganten hadden nog gereageerd om in de wet te doen opnemen dat het Nederlands grondig zou aangeleerd worden als vak en gebruikt zou worden als voertaal bij de studie van Duits en Engels. Ondanks de steun van de katolieke en radikaal-liberale pers en van enkele katolieke volksvertegenwoordigers bekwamen ze alleen het eerste, er werd verplicht in alle klassen één uur Nederlands per week te geven. In de loop van de volgende 25 jaar werden in de atenea geleidelijk meer uren besteed aan moderne talen, zodat het Nederlands er kwam tot 2 uur per week in bijna alle klassen. De voertaal in de voorbereidende afdeling bleef echter het Frans.
Hoe was de toestand in de scholen van de geestelijkheid? Bisschop Malou van Brugge (1848-1864) verhoogde het peil van de studies in navolging van de wet van 1850 op het rijksonderwijs. Hij herzag en uniformiseerde de programma’s en liet zijn kolleges deelnemen aan de staatswedstrijden en aan de bisschoppelijke. De studie van het Nederlands werd opgetrokken door betere schoolboeken en algemene aanvaarding van de officiële spelling. Malou moedigde het publiceren door leraars en het opleiden van de leerlingen tot schrijvers krachtig aan.
In mei-juli 1860 groeide de Belgische vrees voor annexatie door Frankrijk uit tot een paniek die een impuls gaf aan de Vlaamse beweging. Gezelle, met zijn Vlaamse strijdliederen, was een wekker van het Vlaams bewustzijn bij de studerende jeugd, de latere clerus.
Vanaf 1870 begon het tij te keren: o.l.v. de groeiende Vlaamse beweging werd het gebruik van het Frans in het katoliek middelbaar onderwijs, dat tot dan toe waarschijnlijk nog vorderingen had gemaakt, teruggedrongen t.v.v. de volkstaal. In 1883 bekwam de katolieke partij een gedeeltelijke vernederlandsing van het officieel middelbaar onderwijs. Met name zouden de vakken Nederlands, Engels, Duits, geschiedenis, aardrijkskunde en natuurkunde er mettertijd in de streektaal moeten onderwezen worden en de wiskundige termen in beide talen aangeleerd. Maar in de scholen waar zulks gebeurde konden eentalig-Franse „Waalse afdelingen” opgericht worden. In feite kwam het, in de scholen zonder Waalse afdelingen, tot niet meer dan een tweetalig onderricht van de genoemde vakken. Wat zou er intussen gebeuren in de bisschoppelijke kolleges, meer bepaald in Limburg?
Baanbrekend werk inzake Rutter ding t.o.v. de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs werd onlangs geleverd door M. Hanson in zijn doctoraatsverhandeling. Het overgrote deel der gegevens omtrent dit onderwerp werd dan ook, tenzij anders vermeld, uit zijn werk gehaald96.
De Luikse bisschop Doutreloux werd door Rutten aangespoord om het moedertaalonderricht in zijn kolleges serieus te verbeteren en over te gaan tot een gedeeltelijke vernederlandsing. In 1883 werd de vikaris-generaal belast met de taak van inspekteur van de diocesane kolleges en kleinseminaries, een uitermate geschikte funktie om de Vlaamse belangen in het humaniora-onderwijs te behartigen. Voor zijn hervormingsplannen vond hij gehoor bij zijn bisschop, die reëel begrip opbracht voor de Vlaamse grieven inzake onderwijs, maar die ook nog andere klokken hoorde luiden en zoals de meeste bisschoppen zal hij geprobeerd hebben de kerk in het midden te houden.
Doutreloux was echter dank zij zijn vlaamsgezinde vikaris-generaal ervan overtuigd geraakt dat het moedertaalonderwijs in zijn kolleges serieus verbeterd moest worden. Om dit doel te bereiken beslisten de bisschop en zijn raadgever dat de bisschoppen zelf zouden bepalen welke afdoende maatregelen moesten genomen worden en dat de onmiskenbare Vlaamse rechten inzake onderwijs met geduld en omzichtigheid moesten worden nagestreefd. Over dit laatste punt sprak Rutten op de vijfde algemene vergadering van het Davidsfonds te Sint-Truiden gehouden op 26 en 27 augustus 188997. Hij verklaarde dat het slecht was om zich ongeduldig te tonen en zijn toevlucht te willen nemen tot „gewelddadige middelen” - d.w.z. agitatie tegen onwillige schooldirekteurs - om de rechten van de Vlaamse taal te doen erkennen. Volgens hem zouden een rustige beraadslaging en een gevoel van rechtvaardigheid voldoende zijn. Ook riep hij in diezelfde rede op het Vlaams te verheffen tot letterkundige taal om de eenheid onder de Vlamingen te versterken - daarmee reageerde hij tegen degenen die naar Gezelliaanse trant de dialektische volkstaal wilden ontwikkelen. Drie jaar later , tijdens de prijsuitdeling in het Sint-Jozefskollege te Hasselt, sprak Rutten in dezelfde zin: „Jongelingen,” zei hij „bemint uw moedertaal, leert ze aan, verdedigt ze! Maar,” voegde hij erbij „gaat met kalmte en beslist te werk, dat is te zeggen vordert niet ineens wat men langzaam moet bekomen, en terwijl inzake van onderwijs bijzonder de overheid in staat is te oordelen, dient men altoos zich aan deze te onderwerpen. De Vlaamse zaak, die wij voorstaan, is een heilige, rechtvaardige en edele zaak. Overwinnen zal ze!”98.
De vernederlandsing die zou plaatshebben moest echter om goed te zijn, gebeuren zonder de Waalse leerlingen te krenken of in hun rechten aan te tasten. Zo zei Rutten op de bijeenkomst van het Davidsfonds te Sint-Truiden dat men de Walen niet mocht verplichten Vlaams te leren, men moest hen eerder beklagen omdat ze zichzelf beroofden van de voordelen die voortkwamen uit de kennis van beide landstalen99.
Naar aanleiding van de publieke bisschoppelijke beloften betreffende de vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs100, had Doutreloux hierover een rapport gevraagd aan zijn specialist terzake101. Omdat dit rapport ongedateerd was, kwamen er problemen i.v.m. de datum ervan. L. Gevers beweerde dat Doutreloux het waarschijnlijk liet opstellen naar aanleiding van het verzoekschrift van de Nederduitse Bond van 17 oktober 1885. Het was echter niet duidelijk of hij dit deed onmiddellijk na de ontvangst van het verzoekschrift of nadat hij op 4 november 1885 zijn schriftelijk accoord had betuigd met de mondelinge verklaring die Goossens aan de afgevaardigde van de Nederduitse Bond wilde geven. Volgens haar was het ook mogelijk dat het rapport pas werd opgesteld nadat de bisschoppelijke beloften betreffende de vernederlandsing van het onderwijs openbaar werden gemaakt102. Voor Hanson leek deze laatste oplossing de meest plausibele.
In het rapport toonde Rutten eerst, vooraleer hij konkrete voorstellen deed om tot een beter moedertaalonderwijs te komen, aan hoe noodzakelijk een vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs was. Hij schetste een somber beeld van het moedertaalonderwijs in de kolleges. Hierbij valt echter te bedenken dat het zijn bedoeling was Doutreloux ervan te overtuigen dat serieuze verbeteringen absoluut noodzakelijk waren.
Rutten stelde in zijn rapport vast dat in Limburg de Vlaamse adel, de gestudeerde middenklasse en de politici van hoog tot laag praktisch totaal verfranst waren, veel sterker dan een halve eeuw vroeger. De hoofdoorzaak van heel deze trieste situatie was volgens hem het gebrekkig moedertaalonderwijs dat in de diocesane kolleges werd gegeven. Na afloop van hun middelbare studie kenden de Vlaamse leerlingen heel goed Frans, maar hun kennis van de moedertaal was blijven steken op het niveau van het lager onderwijs.
Rutten omschreef nog eens kort het doel van zijn ontwerp tot reorganisatie van het middelbaar onderwijs en van het moedertaalonderricht in het bijzonder: „Que les élèves flamands, tout en acquérant une connaissance entièrement satisfaisante du français, soient en état, après leurs humanités, - 1. de parler et d’écrire corectement en flamand; - 2. de tenir convenablement une conversation en flamand; - 3. de prendre au besoin la parole en flamand et de prononcer un discours aussi bien en flamand qu’en français…”. Alhoewel Rutten de eigen inbreng en waarde van de dialekten erkende, stond hij erop dat men zoveel mogelijk het „letterkundig Vlaamsch” zou spreken, dat volgens hem gebaseerd moest zijn op de geschreven taal, die op dat vlak een voorsprong had op de gesproken taal. De eenheid onder de Vlamingen zou hierdoor worden versterkt. Het was een alibi voor eigen onkunde of onwil te beweren dat het volk deze taal niet zou verstaan. De mensen verstonden het goed en zouden er steeds meer vertrouwd mee geraken naarmate het onderwijs de kennis ervan meer en meer zou verspreiden.
Tenslotte deed de vikaris zijn konkrete voorstellen. Hij maakte hierbij een duidelijk onderscheid tussen de scholen waar alle of bijna alle leerlingen Vlamingen waren en deze waar er veel, of soms zelfs meer Waalse leerlingen dan Vlaamse waren. In de eerste groep moest het Nederlands hoofdvak zijn en als zodanig ook meetellen voor de prijs van uitmuntendheid. De lessen Nederlands, tenminste twee per week, moesten gegeven worden tijdens de belangrijkste klasuren. Godsdienst, Engels en Duits moesten in alle klassen in het Nederlands onderwezen worden, wiskunde alleen tot en met de 5de maar met aanduiding van de Franse terminologie. Van de overige vakken die in het Frans gegeven werden, moesten vanaf de 5de ook de Nederlandse vakwoorden aangeleerd worden. In de 4de en 3de klas moesten de Latijnse vertalingen afwisselend in het Frans en het Nederlands gemaakt worden. Uitspraak-, voordracht- en opsteloefeningen zouden zowel in het Nederlands als in het Frans gehouden worden. De godsdienstige onderrichtingen en de meditaties zouden gedurende de eerste helft van het schooljaar in het Nederlands gegeven worden, de tweede helft ervan in het Frans. Het bleef voor de leerlingen verboden hun dialekt te spreken, maar voortaan zouden ze op bepaalde dagen of op bepaalde uren pro arbitrio superiorum „le flamand littéraire” mogen praten. Volgens Hanson had Rutten zich duidelijk laten inspireren door de wet van 1883 en gingen zijn voorstellen verder dan de voorschriften die Mgr. Goossens in 1892 zou uitvaardigen voor het aartsbisdom Mechelen.
Voor de tweede groep scholen gingen Ruttens voorstellen duidelijk minder ver omwille van de aanwezigheid van Waalse leerlingen. Voor het vak Nederlands waren zij ongevéer dezelfde als voor de eerste groep, de lessen Nederlands zouden ook op de belangrijkste uren gegeven worden, maar „autant que possible” en voor de Vlaamse leerlingen uit de poësis en de retorika zou de verplichte deelname aan de bijeenkomsten van „Utile Dulci” in de plaats komen van één lesuur Nederlands. In de 7de en 6de klas zouden de klasseleraren de leerstof die de Vlaamse leerlingen anders niet zouden begrijpen ook in het Nederlands uitleggen. In alle klassen zouden ook de Nederlandse vaktermen worden gegeven. In de poësis moesten de leerlingen een serieus overzicht krijgen van de Nederlandse literatuur. Elke week zou er door de klastitularis of door de leraar Nederlands een Nederlands opstel als huiswerk worden opgegeven. De Vlaamse leerlingen moesten ook uitspraak- en voordrachtoefeningen houden in het Nederlands. Zij zouden godsdienstles krijgen in hun moedertaal, behalve in de hoogste twee klassen. Voor dezelfde leerlingen zouden op bepaalde tijdstippen van het schooljaar preken en meditaties in hun moedertaal gehouden worden.
De vraag is natuurlijk, schreef Hanson, wat er van deze progressieve voorstellen terecht kwam. Enerzijds hing dit af van het feit of ze door Doutreloux in maatregelen zouden worden omgezet en anderzijds of die effektief zouden worden nageleefd. Wat dit laatste betreft, pleitte Rutten zelf in de tweede slotopmerking van zijn rapport voor een gedoseerde en geleidelijke toepassing van zijn voorstellen. Uit een aantal omzendbrieven van Doutreloux bleek wel dat hij van plan was de voorstellen van Rutten ook in de praktijk te doen omzetten. Maar in welke mate dit precies gebeurd is leren ze evenwel niet. Wat hij precies aan vernederlandsingsmaatregelen voorschreef, blijft in het ongewisse. Of, zo stelde Hanson zich de vraag, vaardigde hij misschien geen algemene maatregelen uit voor alle instellingen samen en liet hij zijn inspekteur verbeteringen doorvoeren die enigzins verschilden van school tot school? Hij was geneigd dit te denken op basis van de slotopmerking in een brief van Rutten aan Doutreloux, d.d. 17 augustus 1886: „Puisqu’il faut et que Votre Grandeur veut arriver à organiser sérieusement Ie flamand, pourquoi ne pas commencer cette année par Saint-Trond? On continuera les années suivantes pour Ies autres établissements où |a chose sera nécessaire”103. Rutten suggereerde hier dat maatregelen niet overal nodig bleken te zijn. Uit een opmerking in zijn rapport uit 1886 blijkt inderdaad dat zijn voorstellen al in enkele instellingen met goed gevolg werden toegepast: „Les mesures proposées ne nuiraient pas à l’enseignement du frangais. L’expérience a déjà parlé à cet égard dans quelques établissements.”104
Als inspekteur kon Rutten enige dwang uitoefenen ook zonder veel konkrete voorschriften, maar hij kon moeilijk veel verder gaan dan zijn bisschop hem toeliet.
Midden augustus 1886 stelde Rutten aan zijn bisschop een plan voor dat hij in overleg met de direkteur van het kleinseminarie te Sint-Truiden had opgesteld om het onderwijs van het vak Nederlands serieus en effektief in te richten105. De leerlingen zouden in alle klassen twee lesuren per week krijgen i.p.v. tweemaal driekwart uur106. De lesuren zouden niet meer systematisch op ongunstige tijdstippen mogen geplaatst worden, maar deels van acht tot tien, deels op andere uren. Klassen mochten ook niet meer worden Samengevoegd voor deze lessen. Op die manier zou het Nederlands een hoofdvak worden zoals het Frans. Om de twee weken zouden de leerlingen bovendien één uur voordrachtoefeningen krijgen. De filosofiestudenten zouden één uur Nederlands per week krijgen en „1h. d’académie”. Het totaal bedroeg dus 17 lerarenlessen Nederlands. Aan de Waalse leerlingen zouden vanaf de 6de tot en met de retorika eveneens twee lesuren Nederlands - dat ook voor de Walen hoofdvak zou worden zoals Frans voor de Vlamingen - per week gegeven worden. Voor de Waalse studenten in de wijsbegeerte was dat drie lesuren per week over de twee jaar, in totaal dus 15 lerarenlessen per week. Het eerste gevolg van dit voorstel zou zijn, dat de lessen Nederlands voor de Waalse leerlingen op dezelfde uren zouden moeten geplaatst worden als die voor de Vlaamse leerlingen. Het tweede gevolg zou zijn, dat er twee leraren Nederlands zouden moeten worden benoemd, één voor de Vlamingen en één voor de Walen.
Vanaf het schooljaar 1886-1887 kregen zowel de Vlaamse als de Waalse leerlingen twee lesuren Nederlands per week. Dit vak was dus verplicht geworden voor de Walen, ook in de lagere klassen. In verschillende klassen waren deze lessen binnen het gewone rooster geplaatst, o.m. van acht tot negen en van drie tot vier. Als gevolg van deze reorganisatie kwamen er inderdaad twee leraren Nederlands.
Het plan dat Rutten aan zijn bisschop had voorgesteld werd grotendeels gerealiseerd. Mede dank zij de welwillende houding van direkteur Fraipont107 werden er ook nog enkele verbeteringen doorgevoerd, die Rutten in zijn voorstellen van begin 1886 al had geformuleerd, maar die niet waren opgenomen in het plan van augustus van dat jaar, daar dit alleen sloeg op het moedertaalonderwijs. Zo telde het vak Nederlands voortaan mee voor de prijs van uitmuntendheid, vanaf 1886-1887 alleen voor de lagere klassen, vanaf het volgend schooljaar voor alle klassen. Tenslotte werden van toen af de godsdienstlessen aan de Vlaamse leerlingen van de 7de tot en met de 5de in het Nederlands gegeven.
Hanson merkte echter op dat ondanks deze verbeteringen, het onderwijs grotendeels, de administratie helemaal verfranst bleef. Rutten had wel belangrijke stappen in de goede richting gezet.
De volkstaal buiten het onderwijs
De afdeling van het Davidsfonds te Luik die in 1875 werd gesticht, werd van 1886 tot 1902 voorgezeten door vikaris-generaal Rutten. Toen hij voorzitter werd telde de afdeling 28 leden om nadien te stijgen tot 30, een ledenaantal dat tot 1894 bewaard zou blijven. Daarna zou het echter voor 3 jaar dalen tot 24. In 1897 werd een piek bereikt, 52 leden, dat jaar werd ook voor het eerst door de afdeling Luik een verslag binnengestuurd. De schrijver meldde het volgende: „Met groot genoegen mogen wij melden, dat de Luikse afdeling dit jaar begonnen is, krachtig mee te werken aan het edele doel van het Davidsfonds. Het getal der leden is van 24 tot 52 geklommen, zodat de vergaderingen, in de winter tenminste, nogal druk bezocht werden.” Verder schreef hij over een uitbreiding van het boekenbestand ten voordele van de Vlamingen en over vier voordrachten die hadden plaatsgevonden. Tevens werd aan de leden van het Davidsfonds en van verscheidene Vlaamse gilden en genootschappen een avondfeest aangeboden, waarop „Vader Marten” en enkele zangstukken werden uitgevoerd. „De hoogwaardige heer Rutten, grootvikaris en voorzitter, die de belangen van de Vlamingen te Luik zo innig behartigt, nam de gelegenheid te baat om de talrijke toehoorders in een van begeestering tintelende redevoering aan te wakkeren, zich eng aaneen te sluiten voor het behoud van hun christen geloof en hun reine Vlaamse zeden.” De schrijver besloot als volgt: „Bij een zo schoon begin mogen wij wel de hoop koesteren, dat de werkzaamheden van de Luikse afdeling van het Davidsfonds zich meer en meer zullen uitbreiden en dat het getal van de leden nog merkelijk zal aangroeien. Want er zijn te Luik nog vele goeddenkende Vlamingen, zelfs Walen, die zeker niet zullen aarzelen om zich bij het Davidsfonds aan te sluiten. De onverpoosde ijver van de hoogwaardige heer voorzitter is er de beste waarborg voor, dat deze hoop niet verijdeld worde”108. Tijdens Ruttens voorzitterschap fluctueerde het ledenaantal, maar men kon een duidelijk stijgende lijn onderscheiden.
Geholpen door de paters Redemptoristen liet Rutten het „Werk der Vlamingen” opbloeien met het bijzonder doel de uitgewekenen uit Limburg in Luik inniger te verenigen. Zelf nam hij de bedelstaf op en ging in de steden preken om aalmoezen in te zamelen voor een te bouwen lokaal.
Op de derde feestvergadering van het Davidsfonds, gehouden te Mechelen op 31 augustus en 1 september 1885, sprak hij ten gunste van deze stichting Rutten wou geld inzamelen maar tot stand. De prins-bisschop Ernest van Beieren belastte een pater gardiaan met de zorg van de Vlamingen in Luik en stelde zelfs met dit doel een kapel tot zijn beschikking. Dit bleef in voege tot op het einde van de 18de eeuw, en de prins-bisschop Doultremont verleende een hulpfonds voor dit werk. Tijdens de Franse revolutie werd de kapel afgebroken. In 1865 deed Mgr. de Montpellier een missie preken voor de Vlamingen te Luik, paters Redemptorrsten gelastten zich daarmee. De toeloop van de Vlamingen was uitermate groot. Een tweede missie werd gepreekt en nu hadden er geregeld wekelijks in de kerk van de Redemptoristen diensten en sermoenen voor de Vlamingen plaats.
Op het moment dat Rutten deze toespraak hield, bevonden er zich meer dan 30.000 Vlamingen te Luik, die meestal zeer arm en onder zedelijk opzicht diep ongelukkig waren. Zij hielden echter vast aan hun geloof en vergaten hun ellende als ze ln hun moedertaal over geloofszaken hoorden spreken.
Vervolgens somde de vikaris op wat voor de Vlamingen te Luik reeds allemaal was ingericht. Buiten de Vlaamse bijeenkomst in de kerk van de Redemptoristen werd er in 1882, in drie parochies, een Vlaamse mis ingericht. Meer dan 100 Vlaamse families (500 personen) die nooit meer naar de kerk gingen, werden zo tot de godsdienst teruggebracht. In andere kerken, in plaatsen waar vele Vlamingen verbleven vonden insgelijks Vlaamse plechtrgheden plaats, dit was onder andere zo in Tilleul waar 2000 van de 6000 inwoners Vlamingen waren. In de 19 waren 19 Vlaamse priesters werkzaam. Ook werd er een Vlaamse kring gesticht waar volgens Rutten, de Vlamingen zich deugdelijk konden verzetten, er bestond een Vlaamse afdeling voor de Vlaamse soldaten in het garnizoen te Luik en een inlichtingenbureau voor Vlaamse meisjes, die het ouderlijk huis verlieten om in Luik te gaan dienen. Dit bureau zorgde voor een kennismaking tussen het dienstmeisje en de familie bij wie ze ging inwonen. De spreker verzocht al de leden van het Davidsfonds, ieder in zijn gemeente, de aandacht van de lotelingen en van de meiden op die heilzame instellingen te vestigen, voor het geval dat zij te Luik zouden worden ingelijfd of er zouden gaan werken.
Er bestond in Luik een Vlaamse bibliotheek en een Vlaams patroonschap voor jongens vanaf 13 à 14 jaar dat op 29 juli 1882 werd ingehuldigd. 25 jongens, koolmijners, lichamelijk en zedelijk geknakt, werden er in opgenomen. Hun getal liep in 1885 al op tot 160. Zij werden in de kristelijke leer onderwezen en dongen jaarlijks mee in een prijskamp.
Al die nuttige instellingen, sprak Rutten verder, werden verenigd in een ruim, prachtig lokaal, dat 60.000 fr. gekost had en dat door 4 à 5000 Vlamingen bezocht werd. Vervolgens bracht hij nog hulde aan al wie zun ondersteumng aan het „Werk der Vlamingen” te Luik had geschonken. Een bijzondere vermelding kreeg het weekblad „De Werkman” van Pieter Daens in Aalst, dat met inschrijvingen van 10 centiemen een som van 1000 fr. had verzameld. Tot slot bedankte de vikaris het Davidsfonds voor zijn bijdragen in geld en in boeken en rekende hij op een voordurende medewerking109.
Onder de titel „Zending van het Vlaamse volk”, hield Rutten een voordracht te Antwerpen in het begin der jaren 80. Deze redevoering werd niet apart in druk uitgegeven. Ze verscheen wel gedeeltelijk in een necrologisch artikel van J. Muyldermans110.
De stelling van Rutten kwam hierop neer: het Vlaamse volk bezat nog geloof en wilskracht genoeg om paal en perk te stellen aan ongeloof en bederf dat uit het buitenland kwam overwaaien. Tevens moest het steunend op de overblijvende gezonde bestanddelen van de Waalse bevolking. het Vaderland redden van zedelijke en stoffelijke ondergang.
Alle andere volkeren hadden het gevoel van hun eigenwaarde in het hart zitten, hoe zat dat bij de Vlamingen? Vijftig jaar geleden, zei Rutten, zou men nog niet gesproken heben over zo’n gevoel, maar nu, alhoewel de Vlaming nog niet tot het volle besef gekomen was van zijn eigenwaarde en hij er over het algemeen nog niet fier op was tot de Vlaamse volksstam te behoren, begon hij toch te beseffen wat of wie hij was. Want terugblikkend op de vorige eeuwen, stelde de Vlaming, niet zonder een edele en aanzwellende fierheid, vast dat de geschiedenis van het Vlaamse volk wel bladzijden bevatte van bitter lijden en manhaftig kampen, van onderdrukking en bevrijding, van voor- en tegenspoed, maar dat het, door meer dan duizend jaren heen, onbesmet was gebleven van alles wat een volk kon onteren of verlagen en trouw was gebleven aan wat een volk veredelde en verhief. Het besef van eigenwaarde was immers een zaak van belang, want een volk dat zijn eigenwaarde niet meer kende was zijn ondergang nabij. het was bereid om de prooi te worden van vreemd geweld en vreemde overheersing. „Want” zei Rutten „een Vlaming mocht in zijn eigen ogen niet achterstaan op een Duitser, een Fransman of wie dan ook, dan alleen zou hij zich doen gelden voor hetgeen hij was, en met onweerslaanbare kracht zou hij zich toeëigenen wat hem gerechtelijk toekwam”. Wat was dan volgens Rutten het volle besef der eigenwaarde? Wel, het bestond uit 3 delen: 1. Het geheugen van het verleden; 2. De kennis van het tegenwoordige en 3. Het vertrouwen in een toekomstige bestemming.
Na deze inleldende woorden, zou de redenaar de toepassing beginnen van zijn stellingen op het Vlaamse volk. Deze bladzijden werden door Muyldermans echter niet aangehaald en hij gaf er ook geen bijzonderheden van weer.
Toch mag men uit Ruttens redevoering, die stelde dat de Vlamingen nog geloof en wilskracht bezaten om afbreuk te doen aan nefaste invloeden uit het buitenland, niet afleiden dat hij de Walen zou minachten. Hij zou er wel op wijzen dat uitheems ongeloof en bederf een voedingsbodem in het Waalse land gezocht en gevonden hadden. Maar al het goede wat er bewaard gebleven was onder de Waalse bevolking moest geruggesteund worden door de Vlamingen die in Wallonië gingen werken. „Onderlinge samenwerking,” zei Rutten „moet het Vaderland redden.”
Als besluit gaf hij dan zijn oordeel over de Walen weer. „Ik ken de Walen,” zei hij „zij hebben schoone en manhaftige hoedanigheden, zij zijn taai aan het werk, rond van inborst, vurig van hert, trouw van woord.”111 Volgens Rutten waren ze alleszins waardig genoeg om met de Vlamingen één volk en één land uit te maken, daar zij noch in zeden, noch in beschaving verschilden. Er was slechts één opmerkelijk verschil, en dat was de taal. Waar de Vlaamse taal een obstakel betekende voor de goddeloze invloeden et buitenland, was dit niet het geval voor de Walen, daar hun taal en die van de Fransen één en dezelfde was. Vandaar, zei Rutten, dat zij sedert een eeuw overstroomd werden door al de Franse vormen van ongeloof. Het was dus ook niet verwonderlijk dat vooral de Waalse bevolking werd aangetast door de pest van de goddeloosheid. Ondanks dit alles echter waren de Walen nog katoliek, maar ze beleden hun geloof niet meer op zo’n geestdriftige wijze dat ze zich konden verzetten tegen de vijanden van de Kerk. Het was nu dus de taak van de Vlamingen, de goede bestanddelen onder de Waalse bevolking aan te moedigen en samen het Vaderland te behoeden voor zedelijk verval.
Op het Congres der Maatschappelijke Werken van september 1886 dat te Luik gehouden werd, uitte Rutten twee wensen in verband met het bezigen van de moedertaal112. Zijn eerste wens was dat voor de gemeenschappen van werklui die een vreemde taal spraken, er genootschappen zouden opgericht worden om hen de geloofswaarheden in hun moedertaal te verkondigen. Want dankzij die verenigingen die op de godsdienst en de moedertaal waren gebaseerd, zou men kunnen optreden tegen de gevaarlijke socialistische theorieën. Tevens wenste hij dat de hogere standen in het Vlaamse landsgedeelte, de moedertaal zouden leren om zo de gewenste invloed uit te oefenen op hun medeburgers. Dan konden zij ook met woord en daad de katolieke volkswerken ondersteunen en zo de invloed en de uitbreiding van de socialistische leerstelsels afdoende bevechten.
In diezelfde toespraak had Rutten het ook over de „Vlaamsche taalbeweging”. Hierover had hij vaak horen zeggen dat het een kinderwerk was dat niet veel aandacht van een ernstige man verdiende. Men beschouwde de beweging ofwel als een ijverzuchtige streving van de Vlamingen tegenover de Walen die het Vaderland dreigde in twee te splitsen, ofwel, zoals Rutten het zei, als „eene uitbarsting van dien woelgeest, waardoor in gansch Europa, sedert eene eeuw, zooveel omwentelingen zijn veroorzaakt”113. De vikaris echter zei dat al degenen die zo dachten, de Vlaamse taalbeweging te oppervlakkig beschouwd en daarom niet begrepen hadden. De beweging die met zoveel tegenspraak en moeilijkheden te kampen had gehad, die zo langzaam en zo pijnlijk haar weg had moeten banen, was niets anders dan de worsteling van een volk, dat zijn zelfbestaan bedreigd zeg en met de inspanning der wanhoop het naderend doodsgevaar van zich afstootte. Meer nog zij was „de edele, rechtvaardige, heilige kamp van een deugdelijk en roemvol ras voor het behoud van Godsdienst, Vaderland en Maatschappij met en door zijn Moedertaal”114. Want als men de Vlamingen oprecht trouw wou laten zijn aan vorst en vaderland en als men ze met broederlijke banden aan de Walen wou vastsnoeren, dan moest men hen geven wat hen rechtmatig toekwam, want onrecht en voorkeur waren de noodlottige bronnen van nijd en tweedracht tussen de kinderen van éénzelfde familie. Daarom was het nodig dat de adellijke en vermogende families de moedertaal aanleerden om zo hun rechtmatige invloed te zien aangroeien en minder vreemd te zijn aan het volk. Want zei Rutten, „Misschien is er geen volk dat zich gevoeliger en dankbaarder toont dan het Vlaamsche. Het luistert graag naar raadgevingen die van hooger hand nederdalen, het heeft eerbied voor alle overheid en een levendig geloof, het vergeet de ontvangen weldaden niet, en blijft onwankelbaar getrouw aan hen die hen blijken geven van toegenegenheid en liefde.”115
Zelfs heden nog kunnen de woorden van Rutten van pas komen, zoals mocht blijken uit een artikel van De Standaard van vrijdag 27 januari 1984. Onder de titel „Een stem uit 1886” verscheen een tekst van twee lezers-historici die tijdens hun opzoekingen de rede van Rutten uit 1886 hadden aangetroffen. Zij namen een stuk uit de toespraak over waar de vikaris handelde over het feit dat een vlaamsonkundige die in Vlaanderen woont onmogelijk tot burgemeester of volksvertegenwoordiger kon benoemd worden omdat hij niet op een behoorlijke manier zijn mandaat zou kunnen uitoefenen. Deze tekst werd opgenomen ter informatie aan José Happart. de vlaamsonkundige burgemeester van Voeren.
Op 10 november 1890 sprak Rutten de rede, „Het Maatschappelijk vraagstuk”, uit bij het Davidsfonds te Gent, waar hij aanwezig was bij de uitreiking van de prijzen aan de leerlingen van de katolieke middelbare en lagere scholen van Gent, die in de „wedstrijd van de vlaamsche taal” van het Davidsfons, een prijs hadden behaald. Zijn toespraak handelde over het grote maatschappelijke vraagstuk van de dag, nl. het socialisme, meer bepaald over zijn vooruitgang en de middelen om het te bestrijden116.
„Bestaat er gevaar?” Deze vraag, zei Rutten, hoorde men van tijd tot tijd stellen door mensen die welgesteld waren en kommerloos het leven doorbrachten, blind voor hetgeen rondom hen gebeurde. Het waren volgens hem vooral de liberalen die het gevaar loochenden, en wel o.w.v. drie redenen. 1. Omdat ze de toestand aanvaardden, anders zouden ze verzaken aan hun grondbeginselen en moesten ze aansluiten bij de katolieken. 2. Omdat het socialisme het kind was van het liberalisme. 3. Omdat het liberalisme geleid werd door de vrijmetselarij. Voor deze laatste beweging waren alle wapens goed om de godsdienst te bestrijden, daarom dwongen ze de liberalen met de socialisten samen te spannen.
Maar er was wel degelijk gevaar en het vergrootte met de dag. Ongeloof, zedeloosheid. armoede of een onredelijke hang naar genot waren een gunstige voedingsbodem voor de grote kwaal. Er waren reeds veel werklieden die niet meer geloofden en meegesleept werden door het socialisme, en het gevaar werd met de dag dreigender.
Waar moest men nu redding gaan zoeken? Slechts één hulpmiddel was aan te wijzen. nl. de hervorming van de maatschappij in de geest die haar in vroegere tijden bezielde. Wie echter zou dit grote werk verrichten? De Staat? Zij kon haar macht daartoe wel lenen, maar het niet volbrengen. Neen, zei Rutten, enkel de Rooms-Katolieke Kerk, steunende op Gods woord, kon de microbe van het socialisme rechtstreeks aantasten. Nu was enkel de vraag hoe het volk de Kerk in haar strijd kon bijstaan, hoe men kon bijdragen tot het algemaan reddingswerk.
In zijn rede richtte Rutten zich zowel tot rijken als armen. Tegen beide groepen zei hij dat ze in de strijd tegen het socialisme, moedig, volhardend, geestdriftig maar ook voorzichtig moesten zijn. Dus, zei hij, opgelet voor dwalingen! Geef de vijand niet méér wapens in de handen! Bij de rijken drong Rutten aan meer liefde op te brengen voor het volk. Om de klassenstrijd, de afgunst en de wrok van de kleine man tegenover de groten te verminderen konden de rijke standen veel, maar het was nodig dat zij de taal van het volk spraken. Rutten stelde in deze rede nogmaals met leedwezen vast dat in Vlaanderen de leidende stand, door de taal, gescheiden was van de arbeiders, een toestand die in geen enkel ander land terug te vinden was. Het was dus dringend nodig dat er verandering in kwam! Groten zowel als kleinen moesten de taal van het land eerbiedigen, de enige band, die allen in het werkelijke leven samenbond.
Apologetische publicaties
Gedurende zijn vikariaat-generaal schreef Rutten verscheidene apologetische stukken.
Tijdens het debat over de begroting van de erediensten in 1881, belichtte de minister van justitie, Jules Bara, de politiek van de regering tegenover de clerus, hij stootte echter op het verzet van de volksvertegenwoordigers Thomissen en Cornesse die de belangen van de geestelijkheid verdedigden.
Bara was van oordeel dat de Staat soeverein was en dat ze kon optreden tegen de Kerk, aan wie ze niets verschuldigd was. Een puur socialistische stellingname volgens de katolieken. De maatregelen van Bara waren vijandig tegenover de katolieke samenleving. Hij wou de begroting van de seminaries verminderen „pour frapper l’épiscopat au coeur.” Tevens richtte hij zich tegen het onderwijs in de teologie in de seminaries. De Staat moest, volgens de minister, geen instellingen steunen waar men de rechten van de Kerk onderwees en men anderzijds afgrijzen opwekte voor de liberale stellingen. In dit kader richtte Bara een aanklacht tegen de gebruikte leerboeken in het teologisch onderwijs. Nadat hij een boek van Labis117, die het onderwijs aan de Staat wilde ontttrekken, had veroordeeld, richtte hij zijn aandacht op het werk „Cours élémentaire d’apologétique chrétienne” van Rutten. „Un autre auteur M. Rutten, dans un ouvrage sur l’apologétique chrétienne, prétend que l’on peut règler tous les cultes, excepte le culte catholique: il trouve le libéralisme pire que l’hérésie, et prédit que nos institutions préparent les plus terribles catastrophes. Voilà l’enseignement de nos séminaires, voilà l’enseignement qu’il faut retribuer”.
„Le manuel de chanoine Rutten justifie toutes les horreurs de l’inquisition espagnole et excuse la condemnation de Galileé en disant qu’elle émanait non de l’Eglise, mais de décrets de congrégations, qui ne sont pas infaillibles.”
Daarnaast trad Bara ook minachtend op tegenover de clerici omdat ze volgens hem allen uit de volksklasse werden gerekruteerd en zette hij zich in om het aantal beursstudenten in de seminaries te verminderen.
Woeste diendde hem van antwoord in de Kamer. De stellingen die Bara verkondigden waren banaal en reeds zo dikwijls door de liberalen gebruikt. Hij moest dringend van koers veranderen om nog geloofwaardig over te komen118.
In zijn brochure van 48 bladzijden, „A chacun son droit. Réponse à M. Bara”, diende de vikaris de minister van antwoord119. Volgens Rutten had de liberaal enkel die passages genomen die in zijn kraam zouden passen. Hij wist echter Bara’s veroordelingen te ontzenuwen, en zo zijn eigen visie te laten zegevieren.
Bara beweerde dat in Ruttens boek onderwezen werd dat de liberalen erger waren dan schismatieken en ketters. „Stel u een jong priester voor”, zei de minister, „die aankomt in een dorp. De burgemeester gaat er naar de kerk, maar hij is liberaal, dus hij moest nog gevaarlijker geacht worden als een ketter of een schismatiek.”
„‚Neen”, zei Rutten, „dat werd niet onderwezen.” Maar wat wel in het boek geschreven stond was dat het liberalisme als vijand van de Kerk meer te vrezen was dan ketterse en schismatieke sekten waarvan de oorsprong in vroegere eeuwen lag. Want de sekten waren in verval, terwijl de invloed van het liberalisme stijgend was. Daarnaast verloren de sekten elke dag terrein, terwijl het liberalisme de Kerk aanviel in de kern van de katolieke naties. Tenslotte waren de sekten tegen een deel van de religieuze waarheid, terwijl het liberalisme elke bovennatuurlijke orde verbrijzelde om een puur rationalisme in te stellen. Dus het liberalisme was uit zichzelf niet erger dan de ketterse of schismatieke sekten, maar daar deze laatsten praktisch alle invloed verloren hadden, groeide de angst voor het liberalisme, dat zich steeds sterker ging opstellen als vijand van de Kerk.
Zes jaar later in 1887, gaf Rutten een bespreking van de encycliek „Immortale Dei” uit in een brochure120. Hij nam de tekst van de encycliek over en gaf er commentaar bij om de pauselijke brief verstaanbaar te maken. Hij noemde dit herderlijk schrijven van Leo XIII over de verhouding kerk-staat, een echte remedie voor de sociale crisis. In de encycliek werden de sociale theorieën geplaatst tegenover de kristelijke leer, op die manier zou de waarheid tot uiting komen en zou elke twijfel weggenomen worden.
Wat uit de pauselijke brief bleek was dat de aanwezigheid van een autoriteit essentieel was voor het bestaan van elke maatschappij. Daar God de auteur was van de wereld kwam alle macht van Hem. Het was nu de taak van alle heersers de religie te bevoordelen en niets op te leggen of te beslissen wat inging tegen Gods integriteit.
In 1890 versnheen van Ruttens hand een bespreking van de encycliek „Libertas praestantissimum” in het Gentse tijdschrift Het Belfort121. Het doel van Leo XIII met deze encycliek was de ware leer over de vrijheid vast te stellen, de valse begrippen van het liberalisme dienaangaande te weerleggen en de H. Kerk te verdedigen tegen de lasteraars die Haar beschuldigden een vijand van de echte vrijneid te zijn.
Volgens Rutten was de encycliek een prachtige dogmatische verhandeling over de vrijheid die samen met „Immortale Dei” de volledige weerlegging en veroordeling van het liberalisme vormde.
De ware natuur van de vrijheid, haar voorwerp, het gevaar van haar te misbruiken, voortspruitende uit haar onvolmaaktheid en de hulpmiddelen door God aan de mens verleend om dat gevaar te ontwijken, werden achtereenvolgens beschreven en in een helder daglicht gesteld. Vervolgens werd het liberalisme, de grote dwaling van de eeuw, tot in de grond uitgepluisd, de verschillende soorten werden aangeduid, de valsheid van de hoofdbeginselen bewezen en de verdertelijke gevolgen van zijn toepassingen voor het tijdelijk en eeuwig welzijn van de mensen blootgelegd.
Volgens Rutten was op het gebied der lering het pleit beslecht. Er kon geen sprake meer zijn van vereniging of verzoening van de liberale leerstelsels met de katolieke geloofspunten over de vrijheid. De houding die de ware kinderen van de Kerk tegenover het liberalisme moesten aannemen was duidelijk en nauwkeurig bepaald. Katolicisme en liberalisme waren voortaan twee benamingen, die, zo niet etymologisch, dan toch feitelijk een onverenigbare betekenis hadden.
Rutten hoopte tenslotte dat alle ware kinderen van de Kerk de moed zouden hebben krachtdadig en manhaftig tegen de stroom op te varen, en wars van elke onredelijke samenkoppeling van liberalen en katolieke, zich enkel en alleen katoliek zouden laten noemen. Deze naam was immers schoon genoeg, hij betekende getrouwheid aan de Kerk, hij betekende liefde en verkleefdheid voor de ware belangen van het volk die onafscheidbaar verbonden waren met het beoefenen van de kristelijke deugden, hij betekende gehoorzaamheid aan elk wettig gezag en tevens afschuw van alle dwingelandij.
In 1890 publiceerde Rutten-een lijvig boek „De Goddelijke Beloften der Kerk in den loop der eeuwen”122. De dwaling, schreef hij, viel bij voorkeur de goddelijke instelling der Kerk aan en wou Haar tot de rang van een menselijk en vergankelijk werk vernederen. Tegenover de samenzwering tegen de waarheid stelde de vikaris het verhaal van de vooruitgang van de Kerk in de loop der eeuwen, en elk tafereel toonde de Bruid van Kristus altijd trouw aan Haar goddelijke zending, altijd zegevierend over de dwazen die Haar dood voorspelden.
Het werk werd opgedragen aan Mgr. Doutreloux en onder zijn „hooge bescherming geschreven en ook op zijn raad uitgegeven.”123 Naast de goedkeuring van zijn bisschop, kon Rutten ook rekenen op de waardering van de bisschop van Roermond, van de bisschop van Breda, van de aartsbisschop van Mechelen, van de bisschop van Gent en van de apostolische nuntius Ferrata die hem allen vereerd hadden met een brief, n.a.v. de Franse uitgave twee jaar vroeger.
Op p.XVI maakt Rutten het doel van zijn werk bekend. Volgens hem moest men de lessen die uit de geschiedenis van de Kerk voorvloeiden, binnen het bereik brengen van jeugdige lezers en van al diegenen die niet in staat waren met vrucht de grote werken van de geleerden ter hand te nemen. Zo zou men het geloof verlevendigen en het vertrouwen in God versterken. Het boek behelsde twee delen: 1. De Goddelijke beloften der H. Kerk in de loop der eeuwen. Dit deel ging tot Leo XIII. 2. De dood der kerkvervolgers.
Het werk was een stichtend leerboek. Het was sober van stijl zoals het een geschiedenisboek past, maar toch vloeiend. Het boek verdiende in die tijd waarschijnlijk een plaats in ieder katoliek huisgezin waar de godsdienst in ere werd gehouden.
Hoe Rutten de Franse uitgave van 1888 in het Nederlands liet heruitgeven verklaarde hij in zijn voorrede tot de lezers. Hij had immers een Frans werk naar Mgr. Bogaerts, rustend vikaris-generaal gestuurd, deze was erg blij met het boek maar naast een zekere voldoening voelde hij ook een ware hartpijn. „Waarom werd dit boek dan niet in ’t Vlaamsch uitgegeven?” vroeg hij zich af. „O, hoe vurig verlangen onze brave Vlaamsche lezers naar ernstige, nuttige, leerzame werken!” Maar aan dit verlangen werd niet voldaan, want slechts een gering aantal werken verschenen in het Vlaams. Waarom dus niet het werk „Les Promesses divines de l’Eglise…” in het Vlaams laten drukken om tegemoet te komen aan de geestelijke nood van zovele Vlaamse katolieke huisgezinnen? Rutten had de oproep verstaan en aarzelde geen ogenblik. Hij zette zich dadelijk aan het werk om het boek zo spoedig mogelijk aan de Nederlandstalige lezer te kunnen aanbieden. Hij hoopte alleen maar dat zijn werk de hoedanigheden mocht bezitten die Mgr. Bogaerts ervan verhoopte en dat het aan de verwachtingen van de brave katolieke en innig geliefde Vlamingen mocht beantwoorden!124 Zo werd dus het omvangrijke werk ook in het Nederlands uitgegeven. Voor onze begrippen is het te weinig kritisch en te strijdbaar. Het werk kende in zijn tijd echter blijkbaar succes want in 1903 verscheen in Siëna nog een Italiaanse vertaling door B. Neri125.
In 1897 verscheen een tiende, herziene en aangevulde uitgave van Ruttens „Cours élémentaire d’apologétique chrétienne”126. Het leek interessant deze te behandelen, om een eventuele verandering in zijn ideeën, sinds de eerste uitgave, te ontdekken.
Het werk werd voorafgegaan door drie brieven: zowel Mgr. de Montpellier als Mgr. Doutreloux en kardinaal Goossens spraken hun goedkeuring uit. In een „Avertissement” werd aangeduid dat in tegenstelling tot de andere uitgaven, hier de volledige tekst van de encycliek „Immortale Dei” opgenomen werd. Volgens Rutten vormde ze een mijlpaal in de progressieve ontwikkeling van het katolieke dogma, zij was de definitieve vorm en de kroon van vele en ernstige leerstellingen verkondigd sinds een halve eeuw door Gergorius XVI, Pius IX en Leo III127.
De ideeën over het liperalisme die Rutten reeds in de eerste uitgave van zijn werk uiteenzette bleven ongewijzigd. De liberalen bleven nog steeds de grote vijanden van de Kerk die door het optreden van de katolieken moesten tot zwijgen gebracht worden.
Er was echter ook een nieuwe vijand opgedoken, nl. het socialisme. De grondwetswijziging, uitgevaardigd op 7 september 1893, had het algemeen meervoudig stemrecht ter vervanging van het systeem van de cijnskiezer ingevoerd. Dit had een diepgaande invloed op de partijverhoudingen in België. Wel behield de katolieke partij nog voor een lange tijd de volstrekte meerderheid, maar de periode van het twee-partijenstelsel, die het land met de cijnskiezers had gekend, behoorde nu tot het verleden. Sedert 1894 deed immers een derde parij, nl. de Belgische Werkliedenpartij, haar intrede in de Kamer128.
Volgens Rutten ontkenden de socialisten God, de ziel en een leven in het hiernamaals, tevens namen zij deel aan alle dwalingen van het liberalisme en van de goddeloze sekten van die tijd. Wat hen onderscheidde van anderen was dat zij het eigendomsrecht aanvielen en het uit de maatschappij wilden bannen. De aarde met haar rijkdom en goederen behoorde niet toe aan individuen, maar aan de mensheid in het algemeen. De aardse goederen moesten dus gelijk verdeeld worden, niemand mocht meer bezitten dan zijn buur.
Rutten maakte binnen het socialisme een onderscheid tussen kommunisten en kollectivisten, deze laatsten beschouwde hij als de gevaarlijkste groep. Zij stelden dat de Staat als enige bezitter zou moeten instaan voor het leveren van de goederen van allen. Dus zei Rutten, Wij zouden een groep slaven worden onder de tirannieke leiding van een leger functionarissen. Dit noemde hij inbreuken tegen de natuurlijke orde die op de lange duur geen succes zouden hebben, daar een maatschappij gebaseerd op andere grondslagen dan door God gegeven nooit van de grond zou komen.
De socialisten voedden het ongenoegen van de volksklasse. Zij zetten deze mensen op tegen de bestaande orde door fouten van geviseerde personen extra in het licht te stellen en niet bestaande grieven naar voor te brengen. De hogere maatschappelijke klassen, de religie en het burgerbewind werden aangeduid als de oorzaken van het kwaad. De socialisten maakten de mooiste beloften en stelden zich op als verdedigers van de verdrukten en herstellers van alle wantoestanden. Met hen aan de macht zouden de gelijkheid, de perfekte rechtvaardigheid, de algemene vrede en de universele rust heersen. Het zou een paradijs op aarde worden.
Volgens Rutten was de ontwikkeling van de industrie een belangrijke factor voor de socialistische beweging. Een massa arbeiders werden geconcentreerd in bepaalde streken van het land waar het socialisme een goed aktieterrein vond. De niet-religieuze industriëlen hielden zich niet bezig met zeden en gewoonten van hun arbeiders die zo van de juiste weg afdwaalden. Daarbij kwam nog dat door de vrijheid van pers de meest subversieve meningen en immorele propaganda werden verkondigd. Ook waren er onvoldoende kerken en priesters en kende men de neutraliteit van de staatsscholen en de algemene kiesplicht. Dit alles bij elkaar vormde een gunstige voedingsbodem voor de socialistische theorie.
De socialisten lieten echter, bij hun oproepen tot het volk, bepaalde punten van hun programma achterwege daar ze de bevolking niet wilden afschrikken. Maar in gesloten vergaderingen aarzelden ze niet om brutaalweg de oorlog te verklaren aan God, een element dat ze bij hun toespraken achterwege lieten waar ze verklaarden zich niet bezig te houden met de religie die een privézaak was.
Ook zij bedienden zich van pers, redes, verenigingen en besturen om hun theorieën te propageren. Vooral van twee verenigingen maakten ze erg veel gebruik, dat waren de coöperaties en de arbeiderssyndikaten, twee groeperingen die volgens Rutten op zichzelf niet slecht waren. maar ze moesten op rechtvaardige basis geschoeid zijn en aangespoord worden door een goede geest en geleid worden op een wijze manier.
Als laatste punt trachtte Rutten de valsheid van de theorie over het privébezit te bewijzen. Hij stelde vooreerst dat God de wereld gegeven had en dat de onderverdeling een taak was van de mens. Vervolgens stond het vast dat het principe van de familie het eigendomsrecht eiste want de natuur stelde dat het hoofd van het gezin, om zijn kinderen op te voeden en groot te brengen, zich moest bezighouden met hun toekomst en hun een erfgoed moest verschaffen dat hen zou helpen zich te beschermen. Tenslotte vroeg ook het welzijn van de maatschappij dat het eigendomsrecht als garantie voor haar burgers werd in stand gehouden, want zonder dit recht zou elke beschaafde maatschappij onmogelijk worden. Eigendom onderdrukken betekende het wegnemen van stimulans voor en opbrengst van de arbeid. Op deze manier achtte Rutten het voldoende bewezen dat het socialisme moest afgewezen worden. Om zijn afwijzing nog meer kracht bij te zetten eindigde hij met de woorden van Leo XII uit de encycliek „Rerum Novarum”: „Par tout ce qui a été établi, il est clair qu’il faut absolument répudier la théorie socialiste qui veut la possession collective et en commun des biens de la terre. Cette théorie est préjudiciable à ceux-là mêmes qu’elle prétend favoriser, elle est contraire aux droits naturels de chaque homme, elle dénature les fonctions de l’Etat et trouble la tranquillité publique. Si l’on veut travailler sincèrement au relèvement du peuple, que l’on pose avant tout, comme premier fondement, le principe de l’inviolabilité des propriëtés privées”129.
Hoofdstuk 4: Episkopaat tot 1914
Een koninklijke benoeming?
Nog voordat Mgr. Doutreloux zestig jaar werd, werd begin 1897 Rutten naar voor geschoven als kandidaat voor het bisschopsambt in Luik. Bewijs hiervoor zijn twee brieven van de bisschop van Namen, J.B. Decrolière, aan de gouverneur, baron de Montpellier, als antwoord op een vraag om inlichtingen i.v.m. de kandidatuur, die namens koning Leopold II was gesteld.
De bisschop schreef dat hij ervan overtuigd was dat Rutten de man was die de slechte situatie in Luik kon verhelpen (waarschijnlijk wijzend op de kristen-demokratische beweging in Luik). Om echter een nog duidelijker beeld te krijgen over de situatie in Luik en ook over de verschillende personen die als kandidaat werden naarvoor geschoven, had Mgr. Decrolière twee personen ontboden die een nieuw licht zouden werpen op de zaak. Na dit onderhoud zou hij de koning, een gunstig advies kunnen sturen!130 Leopold II was niet opgezet met de kristen-demokratische beweging in Luik. Volgens Gérin was hij zelfs radikaal tegen de kristen-demokratie131. Daarom ook wou hij een kandidaat die de nieuwe beweging het hoofd kon bieden.
In de tweede brief van Mgr. Decrolière werden dan de nodige inlichtingen verstrekt. Rutten kwam meer dan ooit naar voor als de man die de situatie in Luik aan kon. Hij was vroom, geleerd, krachtig en braaf. Tevens had hij zijn gezag en zijn prestige tijdens de laatste jaren nog zien groeien door zijn waardige houding tegenover zijn bisschop. Maar, voegde de bisschop van Namen erbij: „Mgr. Doutreloux s’abstiendra naturellement de s’adjoindre Mgr. Rutten en qualité de coadjuteur ou simplement d’auxiliaire; si on veut que Mgr. Rutten arrive, il faudra que le saint Père l’impose.” Doutreloux onthield zich er zich waarschijnlijk van omdat Rutten niet dezelfde ideeën huldigde als hij.
De andere kandidaten waren de T’Serclaes en Van den Branden. Als men bij de benoeming van Rutten onoverstijgbare obstakels zou tegenkomen, zou de keuze van Mgr. Van den Branden van Reeth een goede oplossing zijn. De T’Serclaes was volgens de bisschop van Namen te gedienstig en zou als bisschop al vlug een hulpbisschop nodig hebben132.
Op 24 augustus 1901 overleed Mgr. Doutremoux plotseling te Luik en werd de zorg voor het bisdom voorlopig toevertrouwd aan Rutten, met als titel kapittelvikaris. Eind september van datzelfde jaar kreeg hij van de apostolische nuntius in België zijn pauseluke benoemnng als bisschop van Luik te horen.
Volgens Gérin was de benoeming van Rutten tot bisschop van Luik een koninklijke benoeming. De lijst met de kandidaten werd immers door de paus aan de koning voorgelegd. Naast Rutten werden ook de ’T Serclaes, kanunnik Leroy (direkteur van het Belgisch kollege te Rome) en Mgr. Heylen (bisschop van Namen) voogesteld. Heylen en Leroy, schreef Gérin, werden afgewezen, de laatste o.w.v. zijn té demokratische ideeën. Tegenover de kandidatuur van de ‘T Serclaes stond de koning onverschillig. Rutten vond hij echter de gewenste bisschop want hij was één van de enige Luikse dignitarissen die anti-demokratisch waren. Gérin noemde hem „de man van de eenheid gewild door de koning”133.
Het bisschopsambt begon Rutten officieel waar te nemen op 29 december 1901 toen hij om 11 uur ’s morgens, tijdens een eucharistieviering, bezit nam van de bisschoppelijke zetel.
Vervolgens werd de vikaris op 6 januari 1902 bisschop gewijd134. De plechtigheid begon om 9 uur ’s morgens toen Rutten in het gezelschap van de aartsbisschop van Mechelen, van bisschoppen, prelaten en gemijterde abten vanuit het seminarie naar de kathedraal trok. Daar werd de gekozene vooreerst herinnerd aan de werken van het episkopaat en moest hij onder eed verzekeren dat hij al zijn taken naar best vermogen zou vervullen. Vervolgens werd hij gezegend. Na de voorstelling aan de aartsbisschop van Mechelen volgden de preken, de ondervraging van de bisschop in spé en de mis. Daarna werd Rutten gewijd, hij strekte zich uit op de grond en riep een aantal heiligen aan. Vervolgens stond hij op en werd het boek van het evangelie op zijn hoofd gelegd: de bisschop die de plechtigheid leidde en twee assisterende bisschoppen legden hun handen op zijn voorhoofd en spraken: „Ontvang de Heilige Geest!” Dan volgde de zalving. eerst van de handen daarna van het hoofd. Om beurt werden nu het kruis, de staf en het evangelie in de handen van Rutten gegeven. Daarna ontving hij de mijter en de handschoenen. Nu kon hij zich voor het eerst als bisschop naar zijn volk keren en zijn eerste bisschoppelijke taak, nl. het zegenen van de aanwezigen, vervullen. Na de laatste zegening en de dankzegging aan de bisschop die de eucharistieviering leidde werd de kerkelijke plechtigheid beeïndigd. In stoet trok men nu naar het bisschoppelijk paleis waar een banket plaatsvond135. De wapenspreuk van de zestigjarige Rutten werd de leuze: „non recuso laborem”: ik weiger de arbeid niet.
Als bisschop beschikte Rutten over wijdingsmacht die hem in staat stelde alle sacramenten en sacramentaliën op geldige wijze toe te dienen en herderlijke macht waardoor hij de leiding kreeg in zijn diocees en er moest waken over de zuiverheid van geloof en zeden. Tot de bisschoppelijke verplichtingen behoorden de residentie, de visitatie „ad limina”, d.w.z. het verplichte bezoek op geregelde tijden aan Rome, de canonieke visitatie van het diocees en het 5-jaarlijks verslag over de toestand van het diocees aan de H. Stoel136.
Tijdens zijn episkopaat dat een kwart eeuw zou duren zou Rutten meer dan honderd kerken wijden en een 400.000 kinderen vormen. Het priesterschap diende hij toe aan 1241 levieten. Daarnaast stichtte hij acht bisschoppelijke kolleges, twee normaalscholen en 14 beroepsscholen. Tevens kregen kloosterlingen ruime mogelijkheden om zich te vestigen, 28 mannen- en een honderdtal vrouwenkloosters werden in het bisdom gehuisvest137.
foto Monseigneur als nieuw-benoemd bisschop
Rutten en de kristen-demokratie138
Bij zijn benoeming, schreef Gérin, beloofde Rutten de sociale politiek van Doutreloux verder te zetten. Hij was echter gekant tegen Pottier en wenste dat een einde werd gemaakt aan zijn lessen. Door een interventie van Rome werd de Luikse priester aangesteld als attaché op het Vaticaan.
Van 1901 tot 1910 was Rutten erg gekant tegen de kristen-demokratie. In een bisschoppelijke brief van 1904 van de Luikse ordinarius over het geschrift van kardinaal Rampolla, „Instruction sur l’Action Populaire Chrétienne ou la Démocratie Chrétienne en Italie”, werd gesteld dat kristen-demokratische schrijvers niets mochten publiceren over godsdienst, kristelijke en natuurlijke moraal zonder hun geschriften te hebben onderworpen aan de preventieve censuur van de bisschop. Gérin noemde deze tekst onbelangrijk voor België daar hij enkel was opgesteld voor Italië. Rutten daarentegen verklaarde dat de instrukties door de algemeenheid in leer en teorie niet enkel golden voor de Italianen maar zich uitstrekten over de hele Kerk. „Want,” schreef de bisschop, „doen alsof die instrukties enkel Italië aanbelangen en geen waarde hebben daarbuiten, is onderhouden dat een ware leer aan de overkant van de Alpen vals wordt aan deze kant en dat de principes variëren naar plaats en tijd”139. Daarom werd de tekst die slechts één doel had, nl. vermijden dat de kristen-demokratie een scheiding zou teweeg brengen tussen de katolieken, ook uitgebracht in Luik. De stelling was dat de kristen-demokratie mocht bestaan, doch enkel als de katolieke aktie t.v.v. het volk, die trouw zou zun aan de natuurwet en aan het Evangelie.
Als zet tegen de demokraten sprak de bisschop op 1 mei 1907 een verbod uit over de krant La Dépêche die de niet-unie predikte. Helleputtes negatief onthaal van deze maatregel werd door Rutten weerlegd, de bisschop schreef dat hij gehandeld had in functie van het heil van zijn diocees en van de Luikse clerus. Velen hadden er immers al lang op aangedrongen iets te ondernemen tegen de krant en vonden hem te geduldig140. Slechts op 28 juli 1910 zou hij het verbod tegen La Dépêche opheffen.
Toen de in 1893 door Pottier opgerichte Union Démocratique Chrétienne (UDC) een aparte partij geworden was, werd van verschillende zijden aangedrongen op een samengaan met de Union Catholique (UC) om de katolieke partij te versterken. Rutten was echter gekant tegen deze unie omdat hij alle politieke aspiraties van de kristen-demokratie van de hand wees. In 1908 toonde Rutten, volgens Gérin, het grootste voorbeeld van onverzoe,lijkheid tegenover de kristen-demokratie. Hij gaf niet alleen zijn steun aan de verkiezingscampagne van de UC, maar hij belemmerde ook de werken van de UDC door de clerus het verbod op te leggen er nog verder aan mee te werken en door de syndikale aktiviteiten van de kristen-demokratie te misprijzen.
In Luik echter werd door de unionisten aangedrongen op een samengaan van de twee partijen en vanaf 1909 werden kardinaal Mercier en katolieke ministers aangesproken om aan te dringen op een interventie van de paus. Waarschijnlijk zal de bisschop van Luik tussen 1909 en 1910 een discrete oproep gehad hebben van Rome, want op 20 februari 1910 wenste hij openlijk de unie tussen zijn diocesanen op het politiek vlak en hief hij, op aandringen van Mercier, het verbod op La Dépëche op. Rutten drong er bij de leden van de UC echter niet op aan tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk kwam na een campagne in verschillende kranten de unie toch tot stand. Volgens Gérin begreep Rutten nu ook dat hij moest afstappen van zijn strengheid tegenover de UDC en vanaf 1910 ging hij niet meer in tegen de uitbreiding en het bestaan van de kristen-demokratische verenigingen. De bisschop toonde zich toleranter en gaf zelfs financiële steun aan de kristen-demokratische kring „Herman de Stainlein” en aan de propagandakas van de UDC.
Rapport over de emigratie van de Vlamingen in Luik141
Op aanvraag van de bisschop werd door twee priesters, De Gruyter en Croonenberghs, een rapport over de situatie van de Vlamingen in de provincie Luik opgemaakt. Het bleek dat door de hogere lonen in de Luikse industriële centra steeds meer Vlamingen werden aangetrokken. Sommigen daarvan waren getrouwd en hadden de wil om te slagen. Zij kenden de Franse taal en hadden een kleine som geld zodat ze zich konden aanpassen. Anderen echter waren aangewezen op de armenzorg en kenden geen Frans zodat ze geïsoleerd raakten. Op deze manier, schreven de priesters, werden deze arbeiders verwijderd van de economische en sociale werken die hen moesten bijstaan. Het waren deze Vlamingen die aansluiting zochten bij de socialisten.
Volgens de statistieken bedroeg de Vlaamse bevolking in Luik in die tijd 70.000. De meesten hadden hun thuisadres in Luik waar ze bleven logeren en op zaterdagavond of zondagmorgen keerden ze terug naar huis.
Ten voordele nu van de Vlamingen in Luik werden verschillende werken gecreëerd; blijkbaar waren de rapporteurs hiermee belast. Naast de religieuze werken, dus een zielzorg in het Nederlands, werden er ook ekonomische, morele en politieke werken opgericht voor de Vlamingen in Wallonië. Er waren verschillende werkmanskringen met een Vlaamse afdeling met spaarkas, pensioenkas en ziekenkas, er was een Vlaamse bibliotheek, verspreiding van de verkiezingsbrochures van de UC in het Nederlands, e.d.m. Ondanks al deze werken bleef het overgrote deel van de Vlaamse bevolking in Luik arm. Er was dan ook vraag naar liefdadigheid, kristianisme en solidariteit. De Walen interesseerden zich echter maar weinig voor de problemen van hun Vlaamse buren, zodat in Leuven een vergadering werd gehouden van sociale werkers die geleid werd door Schollaert en onder het toezicht stond van de Boerenbond. Hier werden middelen gezocht om de Vlaamse emigranten te helpen. In een brief bij het rapport, spraken de priesters echter de wens uit dat subsidies voor de Vlaamse werken in Luik zouden tot stand komen door de tussenkomst van de bisschop, die zich zou baseren op een jaarlukse onkostennota zodat men niet afhankelijk werd van de Boerenbond. Als besluit van het rapport gaven De Gruyter en Croonenberghs een overzicht van de voorziene uitgaven voor de werken t.v.v. de Vlamingen.
Het taalregime in het onderwijs142
In 1901 laaide de belangstelling voor de positie van het Nederlands in het middelbaar onderwijs weer op n.a.v. het wetsvoorstel van Coremans dat ertoe bijdroeg dat in het Vlaamse land niemand nog toegang zou krijgen tot de universiteit zonder ernstige kennis van het Nederlands. Dit voorstel stuitte echter op verzet van de bisschoppen, die geen inmenging duldden in „hun” middelbaar onderwijs en van de antiklerikale partijen die zich verzetten tegen de feitelijke afschaffing van de Waalse afdelingen in „hun” officiële scholen.
Rutten echter werd door de flamingantische drukking aangespoord maatregelen te treffen die gemakkelijker toelieten een wettelijke regeling als overbodig af te wijzen. Op 15 april 1905 werden de kollegedirekteurs uitgenodigd op een vergadering die op 3 mei zou plaatsvinden onder leiding van de bisschop. Het eerste agendapunt was de vooruitgang die nog geboekt kon worden in het onderwijs in en door het Nederlands. Als voorbereiding hierop had inspekteur Tombeur143 een synoptisch overzicht opgesteld dat een beeld gaf van de toestand in de diverse bisschoppelijke instellingen en in het kruisherencollege te Maaseik, dat aan de geïnteresseerden werd toegestuurd. Ter vergadering werd beslist dat het aantal lesuren Nederlands in alle klassen zou opgevoerd worden. Tevens zouden bepaalde vakken, zoals geschiedenis en aardrijkskunde. tweetalig moeten gegeven worden. Ook buiten de lessen werd het gebruik van het Nederlands in de kolleges waar de grote meerderheid van de leerlingen Vlamingen waren, aangemoedigd door afwisselend een Franse en Nederlandse zondagspreek en meditatie. Er moest echter op gelet worden dat de Vlaamse leerlingen onder elkaar altijd „le flamand littéraire” spraken. De slotopmerking: „Toutefois chaque Directeur jugera de l’opportunité de ces mesures dans son établissement”, betekende wel dat er geen uniformiteit inzake het onderwijs in en door het Nederlands bestond tussen de verschillende instellingen. Alleen het aantal uren dat aan het vak Nederlands werd besteed, was nagenoeg in alle kolleges hetzelfde.
Om de bezwaren van de bisschoppen, die gerezen waren n.a.v. het wetsvoorstel Coremans, te omzeilen, werden er vóór eind 1905 nog twee andere voorstellen in de vorm van amendementen door Schollaert en door Helleputte ingediend. Rutten bleef, evenals zijn kollega’s, echter een hevig tegenstander van een wettelijke regeling, en bleef zich verzetten tegen elk voorstel dat een staatsinmenging inhield in de bisschoppelijke kolleges. Vooral het voorstel Helleputte, dat stelde dat de toegang tot de universiteit afhankelijk moest gemaakt worden van een Nederlandstalig examen over de leerstof van de retorika, dat moest afgelegd worden voor een jury bestaande uit een gelijk aantal leraren van het officieel en vrij middelbaar onderwijs, verwekte heel wat onrust in de hoogste kringen van het bisdom Luik. Men had schrik dat de Waalse leerlingen zouden afgeschrikt worden om in het Vlaamse landsgedeelte te komen studeren en zo zouden de toekomstige priesters uit Wallonië minder goed Nederlands leren, wat inging tegen Ruttens wens van tweetalige priesters in zijn bisdom. Tevens was dit voorstel in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de toegang tot de universiteit alleen maar voor een deel van de Belgen moeilijker werd gemaakt. Rutten opteerde voor een examen over beide landstalen zodat alle ontwikkelde burgers verplicht zouden zijn zowel het Frans als het Nederlands te beheersen. Een laatste punt van kritiek op het voorstel was dat het examen bepaalde vakken vaststelde waarover zou ondervraagd worden wat ertoe zou leiden dat een aantal vakken verwaarloosd zouden worden.
Om nu een wettelijke regeling en dus staatsinmenging in hun onderwijs overbodig te maken, publiceerden de Belgische bisschoppen in september 1906 „Instructions aux Directeurs et aux Professeurs des collèges libres d’humanités.” De tekst ervan was door kardinaal Mercier144 zelf geredigeerd en sloeg zowel op het middelbaar onderwijs als op de universitaire opleiding. Zij kwam erop neer dat aangezien beide takken van onderwijs een algemene, universalistische vorming boden, de voertaal ervan een internationale taal moest zijn, in België dus het Frans. Toch kon aan het Nederlands als voertaal in het middelbaar onderwijs een plaatsje worden ingeruimd omwille van „l’intérêt national du citoyen belge” en omdat de leerling via het Nederlands vlotter in kontakt zou komen met de wetenschappelijke en literaire produkties in Duitsland en de Engelstalige landen. De voorschriften gingen echter niet verder dan het verruimen van tweetaligheid voor enkele vakken. In september had Mercier zijn eindredaktie nog eens laten nalezen door de bisschoppen. Rutten had slechts enkele opmerkingen over detailpunten of over sommige bewoordingen. Aan de aartsbisschop om ze over te nemen of te verwerpen.
De konkrete voorstellen bepaalden dat er twee lesuren Nederlands moesten gegeven worden in alle klassen van de humaniora en er werd een uitbreiding van de tweetaligheid voor bijna alle vakken in het vooruitzicht gesteld; ook buiten de lesuren werd de tweetaligheid aanbevolen. De flaminganten gingen echter niet akkoord, zij vroegen geen veralgemeende tweetaligheid met sterk Frans overwicht, maar een minimum aantal uren dat uitsluitend in het Nederlands zou onderwezen worden.
De „Instructions” brachten nauwelijks verbetering in de bestaande toestand. Het aantal lessen Nederlands bleef erg beperkt en de ontoereikende vorming van de meeste leraren was één van de grote hinderpalen om de bisschoppelijke richtlijnen naar behoren in de praktijk te brengen. Het initiatief tot inrichting van de Vlaamse vakantieleergangen aan de Leuvense universiteit, dat in de direkteursvergadering van 29 april 1908 o.l.v. bisschop Rutten positief werd onthaald, was dan ook een gelukkig initiatief.
De toepassing van de „Instructions” kwam ter sprake op de direkteursvergadering van 20 april 1909. Inspekteur Tombeur had opgemerkt dat de Vlaamse leerlingen zwakker waren geworden in de Franse taal, hij schreef dit toe aan de vernederlandsingsmaatregelen van 1906 en de onbezonnen ijver van enkele flamingantische leraars, die verder gingen dan de bisschoppelijke maatregelen. Rutten zwakte de kritiek op de „Instructions” echter af en spoorde zijn direkteurs aan streng toezicht te houden op hun leraars.
Ondanks de publicatie van de „Instructions” werd de strijd om een wettelijke taalregeling voor het vrij middelbaar onderwijs door de katolieke flaminganten met kracht voortgezet. Nadat Mercier in november 1909 zijn verzet opgaf werd in februari 1910 het wetsvoorstel Franck-Segers ingediend. Het voorstel werd door de Kamer aangenomen op 22 april en op 5 mei 1910 door de Senaat. Op 12 mei werd het wetsontwerp een wet die gold voor beide netten145. Vóór het begin van het schooljaar 1910-1911 werden de konkrete maatregelen die vastgelegd waren in de „Instructions” aangepast aan de nieuwe wet.
Op de jaarlijkse synodale vergadering te Luik, op 20 april 1910, had Rutten voor de dekens en kanunniken een opmerkelijke toespraak gehouden, waarin de plaats van het Nederlands in het middelbaar onderwijs uitvoerig aan de orde was gekomen[^572]. Uitgaande van de veronderstelling dat de ontginning van het Limburgse steenkolenbekken vele franstaligen zou aantrekken en dit zou leiden tot een uitbreiding van ongodsdienstigheid en een toevlucht tot het socialisme, omdat de leidende kringen de taal van het volk niet machtig waren, kwam hij vanzelf tot het tema van de Vlaamse eisen. Dit vraagstuk raakte immers aan het nationaal en het godsdienstig leven. De Vlamingen vroegen immers alleen dat de grondwettelijke taalgelijkheid die van rechtswege erkend was ook metterdaad zou bestaan. Meer niet.
De Vlaamse beweging ging ook, schreef Rutten, volstrekt niet uit van een vijandig gevoel tegenover de Franse taal. De Vlamingen stelden er zelfs prijs op Frans te kennen omdat ze er de noodzaak en de grote letterkundige waarde van aanvoelden. De verwijten aan het adres van de Vlamingen kwamen alleen maar voort uit vooroordelen.
Wat was immers de juiste betekenis, het ware doel van de Vlaamse beweging? In haar diepste wezen was het uitsluitend een streven om het Vlaamse volk te heffen uit die toestand van verval waarin het verkeerde om het deelachtig te laten worden aan de vorderingen en voordelen van de hedendaagse beschaving. Maar ook was de beweging bedoeld om het Vlaamse volk in staat te stellen zich beter in zijn algemeenheid de wetenschappelijke, sociale en godsdienstige kennis die de geleerde standen hadden aangeworven, tot nut te maken. Met dit doel voor ogen richtte de Vlaamse beweging al haar krachten op het onderwijs van het Nederlands, opdat het verstandelijk gedeelte van het volk zijn Vlaamse aard zou bewaren en opdat er tussen de hogere en lagere standen geen diepere kloof zou komen.
De vraag of het onderwijs van het Nederlands te wensen overliet, liet Rutten volgen door een lange, lichtjes bijgewerkte passus uit zijn vroegere rapport aan zijn toenmalige bisschop Mgr. Doutreloux146. Volgens Rutten was de toestand sinds het opstellen van het rapport gedeeltelijk verzacht maar niet helemaal verdwenen. Daarna herinnerde hij aan de bisschoppelijke maatregelen van 1906. Volgens hem zou het wijzer geweest zijn de resultaten ervan af te wachten alvorens naar een wet te grijpen, maar er moest in elk geval een eind gemaakt worden aan een onderwijsorganisatie die ertoe leidde het grootste deel van het Belgische volk te vervreemden van zijn intellektuele leidende klasse. De bisschop eindigde met een dringende oproep om alle krachten te bundelen, zodat het Vlaamse volk, dat gelukkig in overgrote meerderheid nog katoliek was, ook zijn taal zou bewaren, die een essentieel bestanddeel was van zijn leven en een kostelijke waarborg voor zijn geloof en zijn zedelijkheid. Tevens was de taal een onmisbaar middel om deel te nemen aan de voordelen van de vooruitgang en beschaving, daarnaast ook een voorwaarde van waardigheid en vrijheid en een noodzakelijke band om het volk in gemeenschap van gedachten en gevoelens te houden met de ontwikkelde standen van de maatschappij. Het einde van de rede was een belofte dat de geestelijkheid voor de zielzorg zou instaan van de Waalse kolonies in Vlaanderen maar ook in Wallonië voor die van de Vlamingen. Zo zouden Vlamingen en Walen uiteindelijk broeders van een gemeenschappelijk vaderland worden. In vlaamsgezinde kringen waren de reakties op deze rede bijzonder positief. Begrijpelijk, deze toespraak stak immers een hart onder de riem voor de flaminganten, vooral na de ontgoochelende en grievende passages uit de „Instructions”, die Rutten enkele jaren tevoren nog mee had ondertekend Hier klonken woorden van verzoenrng en tegemoetkoming147.
Kardinaal Mercier was heel wat minder gelukkig met de synodale rede van zijn suffragaan Eind april immers had Het Handelsblad van Antwerpen het bericht gepubliceerd dat de bisschop van Luik zich in een toespraak tot de dekens van zijn bisdom zou gedistancieerd hebben van het standpunt dat het gezamenlijk episkopaat aangaande het gebruik van het Nederlands als onderwijstaal had ingenomen. Mercier wou de bisschoppen samenroepen, maar zag er van af toen Mgr. Stillemans, bisschop van Gent, zei dat men de bisschoppen niet moest samenroepen vooraleer men er zeker van was dat de Luikse bisschop in die zin had gesproken. Mercier richtte zich dan tot Rutten zelf, die zei dat de kranten de zaken nogal eens simplistisch voorstelden, maar dat hij toch van plan was zijn toespraak na de verkiezingen te publiceren omdat zijn rede unaniem voldoening schonk aan de Vlaamse en Waalse toehoorders. Zijn stellingen waren immers zo evident en vanzelfsprekend dat ze moeilijk opspraak konden verwekken. Mercier vroeg dan in een schrijven aan Pius X dat de paus een brief zou schrijven waarin de eenheid van de katolieken o.l.v. het episkopaat aanbevolen werd148.
Op de keper beschouwd bestond er nochtans geen kontradiktie tussen de toespraak van Rutten en de „Instructions”. Wel is het zo dat er in de tekst van 1910 geen spoor te bemerken valt van een minderwaardigheidsgevoel tegenover het Nederlands als kultuurtaal. Integendeel, zijn woorden waren een krachtig pleidooi voor de eerbiediging en gelijkberechtiging van de moedertaal der Vlamingen en een oproep tot begrip voor de rechtmatige eisen van de vlaamsgezinden. Dat pleidooi kon ook toegepast worden op de voertaal van de universiteiten.
Niet alleen in de pers, ook elders gaf men een misschien overtrokken interpretatie van Ruttens woorden. Zo rapporteerde Ossenblok, propagandist van het Davidsfonds op 22 april 1910 bij zijn thuiskomst van een rondreis in Limburg, waar hij de deken van Bilzen bezocht had: „Ik verneem uit de beste bron dat Mgr. Rutten, bisschop van Luik, voor zijn geestelijkheid een zo radikale vlaamsgezinde redevoering heeft gehouden dat de aanhoorders hun oren niet konden geloven. Ze was geschreven en zal gedrukt worden.- Is dat een oorlogsverklaring aan Mechelen? O.a. ging ’t niet minder dan over de hoogste noodzakelijkheid ener Vlaamse Hogeschool. Wat nu!!!”149 Ook uit enkele brieven die de Luikse bisschop ontving na de publikatie van zijn rede, mocht blijken dat de feiten overtrokken werden. De Katholieke-Vlaamse arrondissementsbond Gent-Eeklo, de Katholieke Vlaamse studentenkring „de Jonge Klauwaart”, de Antwerpse tak van het Algemeen Nederlands Verbond en de Katholieke Vlaamse Gilde, afdeling Zottegem spraken vol lof over de toespraak van 20 april 1910. Maar in alle vier de brieven werd geschreven dat Rutten zich had uitgesproken voor een vervlaamsing van zowel het middelbaar als het hoger onderwijs150. De bisschop had echter in zijn hele toespraak met geen woord gerept over de universitaire problematiek; of was het zo dat hij daar wel op gezinspeeld had, maar het na Merciers optreden had weggelaten uit de tekst voor de druk?
Wat Mercier dwars zat was dat Rutten gezien werd als „l’Evêque des flamands”, een imago dat door deze rede nog werd versterkt. Men kreeg de indruk dat de andere bisschoppen niets voor de Vlamingen deden, wat Rutten automatisch in een oppositie-positie drong tegenover hen. Bovendien goten de woorden van Rutten, hoe gematigd en wel overwogen ze altijd ook waren, telkens olie op het vuur van de flaminganten. Dit effekt werd dan klaarblijkelijk nog in de hand gewerkt en versterkt door de niet altijd even genuanceerde of zelfs verdraaide weergave ervan in pers in tijdschriften op meetings enz.151.
Inderdaad, de enige bisschop die het invoeren van Nederlandstalige leergangen in Leuven gewenst achtte, was de Luikse bisschop. In voorbereiding op de bisschoppenkonferentie van juli 1910 drong hij er bij Mercier op aan dat overleg gepleegd zou worden met de rektor om na te gaan in hoever aan de wensen van de Vlamingen kon worden tegemoetgekomen. Hij suggereerde zelfs dat de kardinaal er het initiatief toe zou nemen. Het Vlaamse land zou hem er dankbaar voor zijn. Er moest immers een evenwicht hersteld worden, 4 Franstalige universiteiten voor 3 miljoen Walen en niet één enkele Vlaamse universiteit voor 4 miljoen Vlamingen. Het zou een rechtvaardige zaak zijn dat tenminste enkele leergangen gesplitst zouden worden. Er werd dan besloten een kommissie op te richten wier werking onbekend bleef152.
Op het einde van 1910 besliste het hoofdbestuur van het Davidsfonds, wellicht beïnvloed door Ruttens houding, aan de afdelingen te vragen dat hun bestuursleden twee petities zouden ondertekenen, één aan de minister voor de volledige en onmiddellijke vernederlandsing van de Gentse universiteit en één aan de rektor van de Leuvense universiteit om „de nodige vernederlandsing” door te voeren. 75 van de bijna 90 afdelingen verstuurden het verzoekschrift aan rektor Ladeuze. Vanaf oktober 1911 werden op diens voorstel in de faculteiten Letteren en Wijsbegeerte. geneeskunde, rechtsgeleerdheid en natuurwetenschappen en in de polytechnische scholen telkens twee kursussen in het Nederlands gedoceerd: de bisschoppen hadden dit voorstel bekrachtigd dat lag in de lijn van wat Rutten gevraagd had. Het hoofdbestuur en al de gouwbonden bedankten de bisschoppen voor deze „aanvankelijke voldoening …” aan het indrukwekkend petitionnement onzer afdelingen. Daarop antwoordde Rutten aan Vliebergh dat de Vlaamse zaak een goede stap had gedaan naar de volkomen inrichting van het hoger onderwijs die zou volgen naarmate de noodwendigheden en de omstandigheden en dat hij steeds zijn best zou doen om gelijkheid der taalrechten en heropbeuring van zijn stamgenoten te bewerken153. Die hoop werd ook uitdrukkelijk geformuleerd door Rutten in een antwoord op de heildronk van Ladeuze op een feestmaal dat hun in het H.Geestcollege, na een doctoraat, werd aangeboden. „Wel is het waar,” zei hij, „de Vlaamsche lessen zijn tot hiertoe onbeduidend. Maar’t is enkel een begin. Wij hopen stellig dat men trapsgewijze de ingeslagen weg zal opgaan. Onze wensch is dat weldra al de lessen in de twee talen gegeven worden. Er is geen kwestie, hoegenaamd niet, het recht der Walen te krenken. Maar de katholieke hoogeschool moet een hoogeschool zijn voor gansch het land. Onze Vlaamsche jongens moeten ook hier in Leuven in hun moedertaal de hoogere kennissen opdoen, de hoogere wetenschap kunnen genieten”154.
HIER VERDER
Hoofdstuk 5: WO I en het aktivisme155
Op 4 augustus 1914 viel het Duitse leger België binnen. Luik was de eerste stad die ervan te lijden had. Op 6 augustus wilde de bisschop op het stadhuis gaan onderhandelen met de overheden om de bombardementen te laten stoppen. Er was echter slechts één schepen aanwezig die ’s anderendaags aan Rutten berichtte dat de Duitsers de stad waren binnengedrongen, de citadel bezetten en aan de autoriteiten hadden laten weten dat de stad zou vernietigd worden als de forten zich niet overgaven vóór 6 uur ’s avonds.
Naar aanleiding hiervan werd er een afvaardiging samengesteld waar Rutten deel van uitmaakte, om de Duitsers te weerhouden hun plan uit te voeren. De Duitse stafchef von Lansdorf toonde zich aanvankelijk voor geen rede vatbaar, alle redenen om de stad te sparen werden afgedaan met „Krieg ist Krieg.” Door de tussenkomst van Rutten kwam men tot een schikking en er werd besloten dat burgemeester Kleyer naar de koning zou gaan om te verkrijgen dat Luik gespaard zou blijven. De overige leden van de afvaardiging werden gearresteerd en als gijzelaar gehouden. Rond 5 uur werd de 72-jarige bisschop vrijgelaten, hij vroeg dat de anderen samen met hem mochten vertrekken, maar dat werd niet toegestaan. Toen de burgemeester terug was van Brussel bracht hij bij Rutten verslag uit van zijn reis - de forten werden niet overgegeven - en schreven ze samen een brief naar von Lansdorf om de in vrijheid stelling van de onderhandelaars te bekomen. Dit werd echter geweigerd. Enkele dagen later verscheen dan een lijst van de gijzelaars die zich ter beschikking moesten houden van de Duitse autoriteiten. De bisschop stond op zijn eigen verzoek op de eerste plaats.
Intussen was een groot deel van het land in handen van de vijand. Hele dorpen en stadscentra werden vernietigd en onschuldigen werden in groep gefusilleerd onder voorwendsel dat burgers op Duitse troepen hadden geschoten. De bisschop van Luik protesteerde in naam van de mensheid bij de legerleiding, bij zijn kollega’s bisschoppen in Duitsland en bij de Heilige Stoel.
In een brief van 18 augustus 1914 aan commandant Bayer, gouverneur van Luik, vroeg Rutten een einde te maken aan de executies en vergeldingsmaatregelen. Zijn schrijven was een aanklacht van de moord op vele onschuldigen, zelfs priesters. De Luikse bisschop vroeg zich af of een heel volk moest boeten voor de daden van enkelingen156. Deze brief bleef onbeantwoord. Dezelfde protesten werden hernomen op 21 augustus naar generaal Kolewe, militair gouverneur van Luik, op 29 augustus aan von der Goltz-Pacha, gouverneur-generaal van bezet België. In een herderlijke brief van 22 augustus 1914 wees de bisschop zijn diocesanen erop dat elke uiting van vijandelijke gevoelens t.o.v. het Duitse leger zou leiden tot vergeldingen, maar dat de Duitse autoriteiten geen kwaad zouden bedrijven als het volk kalm en vreedzaam bleef157.
In december 1914 werd von Bissing de opvolger van von der Goltz-Pacha als gouverneur-generaal. De annexionistische politiek van de bezettende mogendheid werd tijdens zijn beleid duidelijk. Het belangrijkste instrument om de bevolking te winnen voor een latere aansluiting bij Duitsland was volgens hem - naast de Flamenpolitik - de Kerk. Von Bissing had persoonlijk kardinaal von Hartmann bezocht in Keulen om met hem tot in detail de kerkpolitiek te bespreken en later vroeg hij in een brief aan de kardinaal een aanbevelingsbrief aan Mercier. In dit schrijven aan Hartmann, dat eigenlijk aan Mercier gericht was, toonde von Bissing zijn waardering voor het katolicisme als een belangrijke sociale macht in België en sprak hij de hoop op samenwerking uit, niet alleen vanuit Duits belang maar vanuit het belang van het Belgische volk en de katolieke Kerk. Het doel van zijn „Verwaltungstätigkeit” was het waarnemen van de Duitse militaire belangen met „soulagement des misères que Ies circonstances actuelles ont créés en Belgique.” Zijn plan betekende de opeeen oproep aan de Belgische clerus om met de Duitse regering samen te werken en het Belgisch katolicisme te gebruiken om de verzoening tussen de Belgische en Duitse regering te bewerkstelligen en de aansluiting bij Duitsland voor te bereiden. Mercier doorzag echter de ogenschijnlijk zonder gevaar klinkende uitnodiging, en ook de door von Bissing beloofde tegenprestatie, nl. de geprivilegieerde behandeling van de katolieke Kerk, kon de Mechelse aartsbisschop niet bewegen het nationaal-Belgisch standpunt op te geven.
In december 1914 werden er nog brieven uitgewisseld tussen Mercier en de gouverneur-generaal die getuigden van wederzijds respect. Voor de aartsbisschop van Keulen, die nogmaals een aanbevelingsbrief naar zijn Mechelse collega had gestuurd, was von Bissing geen vreemde omdat ze samen in Münster geleefd hadden en hij verheugde zich dan ook over de plaats die de generaal innam in België158.
Een brief van Rutten aan de aartsbisschop van Keulen waarin hij uitleg vroeg over de houding van de Duitsers in België werd op 23 december beantwoord vanuit Keulen. De aartsbisschop schreef dat hij geschokt was door de trieste situatie, maar dat hij er toch van overtuigd was dat misverstanden en overdrijvingen van het moment in grote mate hadden bijgedragen tot het fatale lot van de armzalige slachtoffers. De publieke opinie in Duitsland was vooral in het begin van de oorlog gekant tegen de Belgische clerus omdat men allerlei alarmerende geruchten opving. De katolieke pers echter wees op het gevaar wanneer men lichtgelovig de weinig of niet gefundeerde geruchten aannam zodat men kwaad deed aan de clerus of aan de Kerk. Daarom zou volgens von Hartmann de clerus het object worden van speciale achting. De keizer had immers op zijn aanvraag toegestaan de gevangen priesters als officieren te behandelen. Tevens poogde hij van de regering in Berlijn te verkrijgen dat het Belgisch episkopaat de encycliek van Benedictus XV mocht publiceren en dat het zonder moeilijkheden in relatie kon treden met de Heilige Stoel en met elkaar. Ook trachtte hij de in vrijheid stelling van de Belgische clerici, die krijgsgevangen genomen waren, te bekomen159.
Met Kerstmis 1914 verscheen de herderlijke brief „Patriotisme et Endurance” van kardinaal Mercier. Deze brief had tot doel de bevolking moed in te spreken bij haar afwijzing van de bezetter, en het buitenland voor te lichten over de gebeurtenissen van augustus 1914, tegenover de Duitse propagandavoorstelling inzake een vrijschuttersoorlog.Von Bissing was ver van verheugd over de brief omdat Mercier in het openbaar was getreden toen het volk naar zijn zeggen gerust gesteld en aan de samenwerking begonnen was. In Duitsland konden de katolieken o.w.v. de censuur geen kennis nemen van Merciers document. De belangrijkste vertegenwoordigers van de katolieke Kerk waren echter wel geïnformeerd en deden hun beklag over de houding van de aartsbisschop van Mechelen. Heel katoliek Duitsland was beïnvloed door propagandaleugens160.
De wreedheden begaan door het Duitse leger waren ook in de neutrale landen algemeen gekend; om zich wit te wassen was door de keizerlijke regering de legende van de vrijschutters in het leven geroepen. Deze stelde dat de Belgische burgerbevolking, met goedkeuring van de regering, geniepige aanvallen pleegde en zich had overgegeven aan een guerilla die door de internationale verdragen verboden was. De Duitse wreedheden werden dan voorgesteld als een repressie van de oorlog van de vrijschutters. Vooral de bisschoppen van Luik en Namen reageerden omdat vooral hier, volgens de Duitsers, de vrijschutters zich hadden getoond. In een brief van 29 april 1915 schreef Rutten dat er geen vrijschutters, noch burgerbendes waren om oorlog te voeren tegen de Duitsers. Tevens stelde hij dat geen enkele priester had deelgenomen aan een of andere aanval, desondanks waren er toch zes geestelijken, zonder vorm van proces, gefusilleerd, terwijl anderen slecht werden behandeld en in de cel werden geworpen. Tevens werden er een 70-tal parochies vernield zonder een bewijs dat ze de Duitsers hadden aangevallen. Alle feiten waren echter gebaseerd op een uniforme metode van de zijde van de Duitsers: een soldaat loste een schot, vervolgens begonnen de anderen in het wilde weg te schieten waarbij ze schreeuwden dat de burgers op hen hadden geschoten. Vervolgens roofde, verbrandde en doodde men161. Een brief met dezelfde inhoud stuurde Rutten op 15 mei 1915 naar Rome. Hij wees nogmaals op de Duitse lastercampagne tegen België en zette de misdaden van het Duitse leger in de verf. De bisschop stelde vast dat het Duitse leger vond dat raken aan één van hen een misdaad was die moest beteugeld worden zonder medelijden, maar als een Duitser een vreemde vermoordde zonder motief was dit slechts een klein vergrijp162.
In een brief aan generaal von Bissing, die aan de paus en aan de vertegenwoordigers van de neutrale gebieden in België werd overgemaakt, wees Rutten erop dat het Duitse Witboek veel beschuldigingen en leugens bevatte tegenover het Belgische volk en de clerus. Dit Witboek, dat een verzameling was van ambtelijke stukken, was immers gebaseerd op feiten gegeven door Duitse soldaten en officieren en dus helemaal niet onpartijdig. De verklaringen van vele Belgische burgers en priesters, afgelegd voor het Belgisch gerecht, werden niet opgenomen. Ook werd er niets vermeld over de executies. In het Witboek verscheen dat enkele Duitse soldaten Belgische burgers wreedheden hadden zien begaan, zonder vermelding evenwel van de plaats van het gebeuren, van de naam van het slachtoffer of van de dader. Alles bleef vaag en maakte elke verificatie onmogelijk. Rutten verklaarde dat men zich moest schamen zulke dokumenten te publiceren. Men kwam immers tot onrechtvaardige conclusies163.
Vervolgens werd een kollektieve brief van de Belgische bisschoppen naar hun Duitse collega’s gestuurd met de vraag een scheidsgerecht in te stellen voor het onderzoek van het Witboek. Zij eisten een Duits-Belgische commissie o.I.v. een neutraal persoon om de propaganda tegen België te weerleggen. De bisschoppen hadden immers als taak te waken over de eer van de clerus en de kristelijke bevolking die aan hun pastorale zorg was toevertrouwd. Daarom moesten ze protesteren zolang de lastertaal aanhield. De Duitse katolieken werden openlijk op het Belgisch probleem geduwd en opgeroepen in naam van hun geloof zich tegen het schenden van de neutraliteit te verzetten. Deze oproep bracht echter geen verandering in hun gedrag. Zij zagen in een aansluiting van België bij Duitsland een versterking van de katolieke macht. De teorie van de vrijschutters werd door sommigen geloofd, de meesten zwegen echter o.w.v. het staatsbelang. Volgens von Hartmann was de kollektieve brief zelfs een door Frankrijk gesteunde aktie tegen de Duitse katolieken. Het voorstel van een scheidsgerecht werd door hem afgewezen, maar toch riep hij op tot samenwerking164.
Begin 1915 hadden de Duitsers de kathedraal van Luik opgeëist om haar ter beschikking te stellen van de katolieke Duitse officieren en soldaten‚ Rutten weigerde echter de toelating. wat meteen een stil protest was tegenover de Duitse bezetting165.
Het Duitse leger had een aantal Belgische burgers gedeporteerd. Rutten die op rondreis door zijn diocees kennis had gemaakt met een aantal vrouwen wier man was afgevoerd, spande zich in om de vrijlating van de burgerlijke krijgsgevangenen te bekomen. Welk belang had de Duitse regering er immers bij mannen gevangen te houden die nodig waren bij hun families!166 Von Bissing vroeg de namenlijst van de mannen met vernoeming van hun beroep, nationaliteit (Vlaming of Waal) en leeftijd. Rutten diende een lijst in met 100-den namen zonder indicatie echter van Vlaming of Waal, want allen waren zijn diocesanen en hij kon geen onderscheid tussen hen maken. Deze tussenkomst van de bisschop bleef niet zonder resultaat, bijna alle gedeporteerden keerden terug naar hun woonplaats.
Die eerste deportaties waren echter niets vergeleken bij die van eind 1916. Alle Belgische werklozen „die een gevaar betekenden voor de kalmte en de orde”, werden naar Duitsland afgevoerd om er te gaan werken. In oktober 1916 kreeg Rutten een schriftelijke oproep van de kristelijke arbeidersverenigingen om hun vrijheid en hun waardigheid, die ze bedreigd zagen door het voorstel van de bezettende autoriteit, te verdedigen. Werken in Duitsland betekende immers de militaire macht van Duitsland versterken en een afbreuk van de loyauteit van de arbeiders tegenover hun vaderland. Tegen die schending van de rechten van de mens werd de hulp van de bisschop ingeroepen167. Deze brief werd gevolgd door een schrijven van Rutten aan von Bissing van 19 oktober 1916, waarin hij een oproep deed tot rechtvaardigheid van de Duitse generaal en protesteerde tegen de slavernij waartoe men een deel van de Belgische bevolking wou brengen. De aangekondigde maatregel werd toch uitgevoerd. Op 28 december 1916 richtte Rutten een schrijven aan zijn priesters waarin hij hen opriep troost te bieden aan de slachtoffers van de toestand en in een brief van 22 januari 1917 aan de aartsbisschop van Keulen schreef hij dat de Duitse clerus moest waken over het moreel lot van de arbeiders. Hij bood zelfs aan Belgische priesters te sturen bij een tekort aan Duitse religieuzen168. De religieuze gevoelens moesten immers in leven gehouden worden zodat de Belgen troost zouden vinden in hun geloof.
In 1917 wilden de Duitse autoriteiten overgaan tot het opeisen van de klokken in de kerken. Op 9 september 1917 kwam er protest tegen de gevreesde maatregel vanwege de aartsbisschop van Mechelen en de bisschoppen van Luik en Namen, een protest dat op 9 maart 1918 nogmaals door Rutten werd herhaald omdat de klokken een belangrijk element van de kristelijke traditie uitmaakten. Hen weghalen, zonder goedkeuring van de kerkelijke overheid, beschouwde hij als een ontheiliging.
Profiterend van de taaltwist in België, brachten de Duitsers een aantal Vlamingen ertoe hulp te bieden aan de vijandelijke regering; men noemde hen „aktivisten”. De aktivisten die Vlaanderen als hun vaderland beschouwden en niet België werden door Rutten niet aanvaard. Verklarend dat hij steeds de verdediger van de gewettigde Vlaamse eisen was geweest, toonde hij zich verontwaardigd over het feit dat men eerst Vlaming kon zijn alvorens Belg te zijn. Zijn hevig patriottisme werd gealarmeerd door de nieuwe pogingen van de vijanden. En omdat deze kriminele pogingen het grootste gevaar boden binnen de katolieke Vlaamse milieu’s wees Rutten zijn seminaristen in een toespraak op 15 augustus 1917 en de dekens van zijn diocees, verenigd in synode in april 1918, op de noodzaak om te waken over het behoud van de vaderlandse unie van de Belgen en trouw te blijven aan het enige gewettigde gezag169.
In zijn synodale rede wees Rutten erop dat de Duitsers een grote voorliefde toonden voor de Vlamingen, ze noemden hen „broeders naar de oorsprong”170. De bezetters wilden aan de rechtvaardige en langmiskende eisen van de Vlamingen voldoen. Dit werd goed onthaald bij enkele ontevreden en dwepende geesten die stelden dat het dwaas zou zijn uit de handen van de Duitsers hervormingen te weigeren wier noodzakelijkheid genoeg werd vastgesteld maar die tot dan toe vruchteloos aan het Belgisch landsbestuur werden gevraagd. De Duitse maatregelen voor de Vlamingen hielden o.a. het volgende in: oprichting van een Vlaamse Hogeschool te Gent in 1916, het Nederlands als administratieve taal in de Vlaamse provincies en een wet op het lager en middelbaar onderwijs in het Vlaams landsgedeelte. Deze hervormingen, zei Rutten, waren goed op zichzelf, maar ze moesten niet van de vijand komen. Ze waren een taak van de wettelijke en grondwettelijke machten na het herstel van de vrede. Immers vele van die hervormingen waren reeds ontworpen vóór de oorlog en het Staatsbestuur deed beloften voor de toekomst.
De aktivistische beweging nu, besloot tot een bestuurlijke scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië die trapsgewijs zou uitgevoerd worden. Zij ging zelfs verder, aangemoedigd door de Duitsers, en riep de zelfstandigheid en staatkundige onafhankelijkheid van Vlaanderen uit. Haar houding was een samenzwenng met de vijand om België te verbrokkelen en zijn onafhankelijkheid te slachtofferen. Maar, zei Rutten, het Vlaamse volk begreep instinctief de anti-vaderlandse strekking van het aktivisme dat misprijzend werd verstoten.Toch was het gevaar duidelijk en indien de beloften door het wettig gezag gegeven, niet werden vervuld, zouden de ergste gevolgen te vrezen zijn.
Ook in Wallonië trachtten de Duitsers een aktivistische beweging op te wekken. Reeds een aantal jaren vóór de oorlog hadden enkele Walen een bestuurlijke scheiding aangevraagd, tegen het katoliek bewind in. Hun ideaal was Frankrijk. Deze anti-nationalistische en anti-godsdienstige beweging had echter bij het Waalse volk weinig weerklank gevonden. De aktivisten, zowel Walen als Vlamingen, bedreigden echter het land. Het Vlaams aktivisme deed het grootste nadeel aan de zaak die het wou dienen en het was een dankbaar wapen in de handen van de tegenstrevers. Men moest volgens Rutten de buitensporigheid van het aktivisme afkeuren en bestrijden maar de rechtvaardige eisen van het Vlaamse volk goedkeuren en ondersteunen. Tevens zou een splitsing van het land, met Vlaanderen onder het juk van protestants Duitsland en Wallonië bij rationalistisch Frankrijk, een afbreuk doen aan het katoliek geloof.
Elke priester en elke katoliek moest zich verzetten tegen de aktivistische beweging o.w.v. de belangen van het vaderland. Gods wet legde immers op dat men aan de wettige macht moest gehoorzamen. Een gedrag zoals dat van de aktivisten was verraad, zij maakten zich zwaar schuldig tegenover God en deze schuld werd nog verzwaard in een priester omdat hij beter op de hoogte was van de voorschriften van de kristelijke wet en omdat het zijn plicht was het goede voorbeeld te geven aan de gelovigen. Een priester die meeheulde met de vijand was een schandalig voorbeeld met gevolgen die niet enkel het vaderland maar ook de religie waarvan hij bedienaar was, zouden schaden.
Vervolgens weerlegde Rutten het voorwendsel van de aktivisten dat om te bekomen dat voldaan zou worden aan de rechtvaardige eisen van het Vlaamse volk, er geen ander middel was dan met de hulp van de Duitsers de scheiding van Vlaanderen en Wallonië te bewerken. zodat twee zelfstandige, maar onder de scepter van de koning, verbonden staten zouden ontstaan. De bisschop noemde dit voorwendsel ongegrond en de voorgestelde omwenteling ronduit slecht. „Wie de macht wederstreeft, wederstreeft Gods ordening, en zij die deze weerstaan. behalen zelf hun verdoemenis.”
Tot besluit voegde de Luikse bisschop nog een vermaning aan de priesters en de lerende jeugd toe aan zijn rede. Hij deed een beroep op de ijver van de geestelijken om het groot gevaar van het aktivisme van het vaderland af te keren en hij wees erop dat een priester die zich zou laten verleiden met de nodige strengheid moest vermaand worden. Ook zei Rutten dat de jeugd die gemakkelijker opgehitst werd reeds gedeeltelijk was verleid maar dat men met hen eerder geduldig dan streng moest zijn. Men moest bij hen beroep doen op de gevoelens van eer, moed en ware vaderlandsliefde. De priesters moesten aantonen hoe schandelijk en hoe dwaas het was zijn toevlucht te nemen tot vijanden die zo onmeedogenloos te werk waren gegaan. De enige houding die de Belgische jeugd paste, was de vijand weerstaan en de koning trouw blijven totterdood.
Hoofdstuk 6: In de stroomversnelling 1918-1927
Kort na de bevrijding werd in december 1918 een publieke oproep gedaan tot alle vlaamsgezinde verenigingen om op basis van het „minimumprogramma van de Vlaamse beweging” een onpartijdig front Vlaams verbond te vormen. Het programma hield in: a. Vervlaamsing van het onderwijs voor het Vlaamse volk in al zijn takken en graden; b. Vervlaamsmg in Vlaanderen van het gerecht en van alle openbare besturen; c. Indeling van het leger in Vlaamse en Waalse eenheden, resp. met het Nederlands en het Frans als taal voor opleiding en aanvoering; d. De herinrichting van de centrale besturen171.
De flaminganten in Limburg waren bij de eersten om gehoor te geven aan het manifest. In januari 1919 werd er te Hasselt een Vlaams Verbond ingericht. Dit Vlaams Verbond was echter neutraal, Limburg daarentegen was een uiterst katolieke provincie en de vlaamsgezinde leiders wilden daarom de Vlaamse aktie katoliek houden. Er werd een akkoord bereikt tussen de katolieke flaminganten voor de oprichting van een eigen Katolieke Vlaamse Bond (K.V.B.v L.) die zich zou aansluiten bij het Vlaams Verbond. Op 22 februari 1919 werd de K.V.B.v L. officieel opgericht. Deze sloot zich volgens de statuten aan bij het onpartijdige Vlaams Verbond waarvan het minimumprogramma werd overgenomen172.
Vooral dankzij de geestelijkheid nam de K.V.B.v L. snel uitbreiding en het initiatief werd op een enthousiaste goedkeuring van Rutten onthaald. Zij die niet meewerkten met het Vlaams Verbond werden door hem zelfs verraders genoemd173. De politici van de verfranste of tweetalige bovenlaag waren echter verontrust en oefenden druk uit op het bisdom. Hun bezwaren waren: een aansluiting van de Katholieke Bond bij een neutraal organisme, het minimumprogramma, de dwang die er van de Bond uitging op de mandatarissen, en de bijzondere nadruk op de legerbepaling. Zij stelden dat de meerderheid uit vaderlandsliefde niet kon instemmen met een splitsing van het leger, zodat dit een scheuring zou verwekken bij de verkiezingen. Na een lang onderhoud, waarvan de juiste datum nnet gekend is, gaf Rutten toe op het punt van de legerbepaling maar hij bleef openlijk partij kiezen voor het minimumprogramma174.
Op 11 maart 1919 schreef Rutten een open brief aan priester Broekx, sekretaris van de Maatschappelijke Werken te Hasselt, die begon als een aanklacht van het aktivisme175. De Luikse bisschop schreef dat een aantal Vlamingen tijdens de oorlog een grote misstap hadden begaan door met de vijand samen te werken om zo aan de rechtmatige eisen van het Vlaamse volk voldoening te geven. Zij waren echter een werktuig geworden in handen van de Duitsers die België wilden verdelen om het beter te kunnen onderwerpen. Ze gingen zo ver de zelfstandigheid van Vlaanderen uit te roepen en o.w.v. hun daden mochten ze terecht als landverraders beschouwd worden. Het Vlaamse volk echter en de overgrote meerderheid der vlaamsgezinden weigerden de aktivisten te volgen en verfoeiden hun werking omdat ze rekenden op de uitvoering van de beloften van de Belgische overheid. Uiteindelijk maakte de wapenstilstand een einde aan de misdadige en anti-vaderlandse ondernemingen. De flaminganten echter werden wegens het aktivisme in een slecht daglicht gesteld. De vlaamsgezinden werden teleurgesteld in hun vertrouwen in de regering die geen van haar beloften in daden omzette terwijl ze ook nog de belediging moesten verkroppen als landverraders te worden behandeld, terwijl ze tijdens de oorlog op de slagvelden hadden laten zien hoe zeer zij hun vaderland liefhadden. De toestand van wantrouwen werd ondraaglijk en de flaminganten besloten samen te werken om zich te verzetten tegen de aanvallen van de fransgezinden.
- Ons Vaderland, 1 april 1919.
- De Standaard. 2 april en 17 juli 1919.
- N.N., Mgr. Rutten en de Vlaamsche Beweging.
In het eerste deel van zijn brief schreef Rutten dat hij het Vlaams Verbond een goed initiatief vond alhoewel hij vreesde voor het neutraal karakter ervan en opteerde voor een Katoliek Vlaamse Bond. De bisschop wees erop dat de geestelijken het als een plicht moesten beschouwen deze Bond met hun invloed en bezadigde medewerking te ondersteunen. Zij waren het die de Bond in de goede richting moesten leiden en alle overdreven en onrechtmatige eisen van de hand moesten wijzen en vooral nooit de godsdienstige belangen uit het oog mochten verliezen. Tevens moesten ze de goede verstandhouding tussen al de Limburgers en de eenheid van het vaderland handhaven, en altijd liever door overtuiging dan door dwang de Vlaamse zaak voorop stellen.
In het tweede deel van de brief werden een aantal opwerpingen weerlegd. Volgens sommigen ging het programma van de Bond te ver inzake onderwijs en leger. Rutten wees erop dat deze punten van het programma vatbaar waren voor een min of meer strenge uitleg. Zij wezen echter ook alleen maar het doel aan waarnaar gestreefd moest worden, dat dan ook niet ineens, maar trapsgewijze moest bereikt worden. De bisschop stelde vast dat de vernederlandsing van het onderwijs een degelijk aanleren van de Franse taal niet uitsloot. De humaniora moest als volgt ingericht worden: de Franse taal moest in alle klassen van de 6de tot de retorica degelijk onderwezen worden. In de 6de zou de voertaal het Vlaams zijn. Ook in de 5de zou de Vlaamse taal de voertaal blijven, behalve voor het Frans en gedeeltelijk of beurtelings voor één of twee vakken. In de 4de zou het Frans meer plaats innemen en vanaf de 3de zouden de Vlaamse en de Franse taal beurtelings voertaal worden voor de voornaamste vakken. Door de ervaring zouden er wellicht in de loop der tijden enige veranderingen worden aangebracht, maar het was Ruttens overtuiging dat de middelmatige en goede leerlingen die een dergelijke opleiding hadden genoten hun moedertaal machtig waren en tevens een grondige kennis hadden opgedaan van de Franse taal. Rutten was echter tegen een volledige uitsluiting van het Frans als voertaal want dan zouden de leerlingen deze taal niet behoorlijk kennen wat voor hen een groot nadeel zou zijn. In een open brief wees Frans Van Cauwelaert erop dat Ruttens reaktie een eerste tegemoetkoming was van hogerhand. Hij hoopte echter dat de Luikse bisschop zou inzien dat het behoud van Frans als voertaal in het middelbaar onderwijs voor enkele vakken niet nodig was176. Rutten nam wel enige reserves in acht betreffende de indeling van het leger in Vlaamse en Waalse eenheden. De legeroverheden konden die vermijden door op een andere manier een einde te maken aan de minderwaardige behandeling van de Vlamingen.
Een verdere opwerping was de botsing tussen de Katolieke Vlaamse Bond en de Katolieke Associatie. „Wat belet de katholieke associaties het programma van het Katholiek Vlaamsch Verbond in hun eigen programma op te nemen?” vroeg Rutten. Moesten ook zij niet strijden voor de rechtmatige eisen van de Vlamingen evenals voor de andere belangen van het volk dat zij vertegenwoordigden? In plaats van een botsing hoopte hij op een oprechte samenwerking. De bisschop stelde de katolieke kiesverenigingen voor de keuze om ofwel met het Katoliek Vlaams Verbond samen te werken en één macht uit te maken, of om rekening te moeten houden met een onzijdig verbond dat in de toekomst voor de katolieke zaak zeer gevaarlijk kon worden. De nationalistische historicus Elias zag in de tussenkomst van Rutten een botsing tussen de bisschop en de flaminganten, hij weerhield echter alleen wat mogelijke stof kon leveren voor een conflict. Ruttens brief was geen afkeuring van het Vlaams Verbond maar een goedkeuring van de Katolieke Bond. Hij wees de neutraliteit af en bleef in volledige eenklank met de Limburgse flaminganten. De Katoliek Vlaamse Bond mocht het neutrale verbond wel in al zijn rechtmatige eisen ondersteunen177.
De bisschoppelijke brief stimuleerde de toetreding van verschillende katolieke en vlaamsgezinde verenigingen tot de K.V.B.v L. Eind 1919 telde de Bond al 117 afdelingen. Vooral in de Kempen was het entoesiasme groot. Vlaamse verenigingen, zoals Davidsfondsafdelingen, sloten zich aan, alhoewel dit vaak op tegenstand stuitte zoals in Peer en Maaseik, wat echter kaderde in de anti-Vlaamse campagne die Rutten aanklaagde. Tevens was het een reaktie op zijn mobilisatie van de geestelijkheid en zijn diocesanen voor het programma van het Vlaams Verbond. Er werden echter ook talrijke specifieke afdelingen gesticht. De plaatselijke bonden werden gegroepeerd in kantonnale bonden. Al vanaf maart 1919 organiseerden ze propagandavergaderingen om de Bond bekendheid te geven178.
Op 28 maart kondigde de militaire gouverneur van Limburg als reaktie een besluit af waarbij elke vergadering aan een voorafgaandelijke toelating moest onderworpen worden en viseerde hij zo het flamingantisme. Eind april - begin mei kreeg Helleputte uit drie dekanaten van zijn kiesarrondissement het verzoek vanwege de gezamenlijke geestelijkheid het programma van het Vlaams Verbond te ondertekenen. Tegenstanders en halfovertuigden echter trachtten voordeel te halen uit de brief van Rutten, schreef Gerard. Het voorbehoud van de Luikse bisschop inzake de legerbepaling noemden ze een afwijzing van de Vlaamse eenheden. De flaminganten bestreden dit echter en spraken over het loyauteitskarakter van het minimumprogramma. De tweetalige politieke elite kon het programma van het Vlaams Verbond enkel bijtreden binnen de grenzen door Rutten aangegeven179.
Ook de Boerenbond was op 20 mei het minimumprogramma bijgetreden met verwijzing naar de brief van Rutten. De nog zwakke middenstandsorganisatie in Vlaanderen echter wilde zich buiten de politiek houden. Bisschop Rutten stelde dat de rechtsmiskenning door de regering de voor Belgë bedenkelijke toestand nog gevaarlijker gemaakt had en dat de katolieke partij des te meer de Vlaamse eisen moest opnemen in haar programma en in haar werking om een noodlothge scheunng in het land te vermijden180.
N.a.v. het schrijven van Rutten aan Broekx werd gereageerd van twee zijden. Zowel aktivisten als kardmaal Mercner ergerden zich aan de houding van de Luikse bisschop. In een open brief van 5 april 1919 schreven een aantal aktivisten dat zij niet begrepen dat de laster- en leugentocht die gevoerd werd tegen hun beweging ook het oordeel van Rutten had beïnvloed181.
De aktivisten beaamden dat de samenwerking met de bezettende macht, ter toepassing van de bestaande Belgische taalwetten, tot de vervlaamsing van de Gentse Hogeschool en tot de uitvoering van bestuurlijke maatregelen die het Vlaamse volk zijn rechtmatige plaats in de Belgisch staat moesten verschaffen, door hen openlijk gepleegd en nooit ontkend werden. Zij verklaarden echter dat de morele waarde van die samenwerking enkel bepaald werd door hun doel. Immers de uiteenzetting van hun doel bevatte de volledige rechtvaardiging van hun handelwijze. Hun politieke werking was er steeds op gericht geweest de Vlaams-nationale verzuchtingen met de plichten van hun Belgische staatsburgerschap te verzoenen.
De schrijvers van de open brief vonden het heel begrijpelijk dat talrijke oprechte Vlamingen, moe gesard onder het Belgisch centralistisch regime, het heil voor Vlaanderen trachtten te zoeken in een soevereine Vlaamse staat, volledig los van Wallonië. Zij waren er immers van overtuigd dat België na verloop van tijd onbestaanbaar zou blijken tenzij het van een gecentraliseerde eenheidsstaat zou omgevormd worden tot een Vlaams-Waalse federatie waarin beide volksgroepen die België bewonen, ieder voor zich zou beschikken over wetgevende macht, met eigen bestuur en eigen gerecht. Zelfstandigheid voor Vlaanderen was en bleef het hoofdpunt van het aktivistisch programma.
De aartsbisschop, kardinaal Mercier, die na de bevrijding als een nationale held gevierd werd in binnen- en buitenland, ergerde zich aan de „onverzoenlijke” flamingantische opstelling van zijn suffraganen Rutten en de Gentse bisschop Seghers. Hun houding had immers een weerslag op zijn presters in de provincies Antwerpen en Brabant. De Vlaamse kwestie werd op de agenda geplaatst van de bisschoppenvergadering van 28-29 juli 1919, waar echter geen besluit werd geformuleerd. Op 30 augustus stuurde Mercier een circulaire aan zijn priesters waarin hij opriep tot gehoorzaamheid en waarschuwde dat „la tentative de faire prédominer chez nous la race sur l’unité de la patrie est contraire à un devoir moral et chrétien, la piété patriotique. Ceux qui veulent me comprendre me comprendront.” De gewettigde liefde voor de eigen taal mocht nooit de vrijheid van de anderen in de weg staan182.
Rutten antwoordde door in brochurevorm, in beide landstalen, een toespraak uit te geven die hij op retraites gehouden had183. De reden van het verschijnen van de toespraak was dat de Vlaamse kwestie, die aan de orde van de dag was, zo goed mogelijk moest gekend zijn, terwijl men zich ook een oordeel moest kunnen vormen over de positie die door Rutten werd ingenomen en die hij aan zijn geestelijkheid wenste aan te raden. Zijn rede had hij uitdrukkelijk zowel voor zijn Waalse priesters in de provincie Luik als voor de Vlaamse van Limburg bestemd want: „Allen hebben er belang bij dat de vrede, de eendracht en de liefde onder hen gehandhaafd wordt. Allen moeten wensen dat de Waalse en Vlaamse bevolkingen broederlijk vereend blijven voor ’t heil en de welvaart van de grote Belgische familie, om de persoon van Z.M de Koning geschaard.”
Nadat Rutten enkele dwalingen omtrent het wezen van de Vlaamse zaak, zoals het toeschrijven van een egoïstisch doel aan de Vlaamse beweging, de stelling dat de Vlaamse beweging tegen de Walen en Franse taal zou zijn en dat de Vlamingen overdreven eisen vooruit stelden, had weerlegd, zette hij het programma van de Vlaamse beweging uiteen. De Luikse bisschop somde nogmaals de vier punten van het volgens hem inschikkelijke programma van de Vlaamse Bond op. Volgens hem bevatte het niets wat niet rechtvaardig was, niets wat niet kon worden uitgevoerd. Tevens zou er geen afbreuk worden gedaan aan de rechten van de Walen, noch aan de nationale belangen, alles zou ten goede komen aan het gehele Belgische volk.
De gevraagde hervormingen waren van bijzonder belang om het Vlaamse volk te genezen van een ernstige wonde waaraan het al meer dan een eeuw leed, nl. dat de hogere standen in het Vlaamse land de taal van het volk dikwijls niet kenden en zich afzonderden in hun sociale middens De verwezenlukmg van het Vlaams programma zou deze wonde genezen, maar dit duldde geen uitstel, want een machtig vijand stond voor de deur en dreigde alles overhoop te werpen, nl. het socialisme. De socialisten trokken geen partij voor de taalgrieven omdat zij de wonden van het volk wilden laten bloeden om er zich van te bedienen tegen de maatschappij der bourgeois. Het was nu de taak van de priesters de wettige eisen van de Vlamingen te verdedigen om het volk af te houden van het socialisme.
Tot besluit zei Rutten dat het een misdaad tegen het vaderland zou zijn een rassenstrijd uit te lokken waartoe geen reden bestond. Om de ongelukkige taaltwist te doen ophouden moest men echter de Vlamingen en Walen in rechte en in feite gelijkstellen. De dag waarop de hogere standen in het Vlaamse land dezelfde taal zouden spreken als de lagere standen, zou de eendracht tussen hen steeds inniger worden en zou men weerstand kunnen bieden tegen de vijanden van de maatschappelijke orde, van het vaderland en van de godsdienst. Tevens moesten de geestelijken verder de belangen van het hen toevertrouwde volk verdedigen, eerst en vooral echter moesten ze waken over de eenheid van het vaderland, het welzijn van de Kerk en het heil van de zielen. En boven alles werd een gematigdheid in de eisen en geduld voorop gesteld.
De Gentse vikaris-generaal De Baets stuurde de dokumenten van Mercier en Rutten via de Curiekardinaal Billot aan de paus met de klacht dat de onenigheid in het episkopaat meer en meer publiek werd, dat de kranten beide teksten confronteerden. Hij citeerde de Luikse vikaris-generaal Bovens volgens wie Ruttens toespraak algemene instemming had gevonden bij zijn clerus, niet alleen in de Kempen maar ook in Luik en in het Waalse gebied. De Baets trachtte in een reeks brieven de paus te bewegen om Rutten te steunen in zijn stellingname voor de Vlaamse rechten184.
Bij de parlementsverkiezingen van 16 november 1919 was Limburg de enige provincie waar de katolieken, die globaal genomen een zware nederlaag leden, met vijf kamerleden op zeven hun posities handhaafden. Rutten schreef dat aan Mercier en kende dit succes toe aan het Katoliek Vlaams Verbond. In deze brief van 13 december 1919 verklaarde Rutten hoe dit Verbond de rechtmatige eisen van de Vlamingen opgevangen had en zo de Vlaamse beweging onder de invloed en onder de leiding van katolieken had geplaatst. Als de katolieke partij niet inzag dat ze de Vlamingen de hand moest reiken dan zou ze in Vlaanderen onherroepelijk haar ondergang tegemoet gaan. De bewustwording van de Vlaamse waarden was een zo normale evolutie dat het een illusie was te denken dat de oppositie van de verfranste gezagsdragers haar kon neutraliseren of zelfs maar afremmen. Integendeel, men zou er de harten alleen nog bitterder door maken, het anti-Belgisch gevoelen doen toenemen en men zou de mensen daarenboven afkerig maken van de religieuze leiders. De oplossing lag voor de hand, zowel in de politiek als in de Kerk moest men metterdaad bewijzen dat er geen tegenstelling bestond tussen de liefde voor het vaderland, voor de Kerk en voor de moedertaal. Kardinaal Mercier was met dit schrijven helemaal niet opgetogen. Zijn antwoord, dat nog net binnen de perken van de hoffelijkheid bleef, liet in elk geval zijn geprikkeldheid blijken. Dat de katolieke partij zo een aanzienlijk stemmenverlies had geleden was volgens de primaat op de eerst plaats te wijten aan de scheuring in de partij. Men had zich aan het oude katolieke partijprogramma moeten houden en alle verdeeldheid zaaiende kwesties, zoals de Vlaamse kwestie, op de achtergrond moeten laten. Aan dit laatste vraagstuk had men zoveel aandacht geschonken, dat vitaler problemen als onbelangrijk voorkwamen. De flaminganten hadden verdeeldheid gezaaid, terwijl de linkse tegenstrevers er goed zorg voor hadden gedragen de eenheid te bewaren. Bovendien had de geestelijkheid veel van haar prestige ingeboet door de taaldisputen boven de belangen van het vaderland en zelfs boven die van de godsdienst te plaatsen. Mercier verweet zijn collega van Luik dat deze door de Vlaamse eisen te steunen, eenzijdig en zonder zijn medebisschoppen te consulteren, afbreuk had gedaan aan de „Instructions” van 1906, die hij nochtans medeondertekend had en dat hij daarenboven nog uit het oog scheen te verliezen dat 2/3 van zijn diocesanen uit Walen bestond. Een losse nota, in het handschrift van Mercier, illustreerde nog concreet wat hij over het Katoliek Vlaams Verbond dacht. Men moest betreuren dat het verdeeldheid had gezaaid en zich had laten leiden door de overtuiging dat de Vlaamse belangen de katolieke belangen in de weg mochten staan185.
Enkele weken later werd Rutten ernstig ziek en hij vreesde onvoldoende hersteld te zullen zijn om op de volgende bisschoppenconferentie, die voor maart gepland was, te kunnen aanwezig zijn. Daar hij wist dat de bisschoppen de houding zouden bespreken die ze tegenover de Vlaamse Beweging dienden aan te nemen stuurde hij hun over deze aangelegenheid een memorandum op 28 februari 1920, waarin hij zijn standpunt nog eens toelichtte. Hij schreef dat het een betreurenswaardig feit zou zijn dat men het Vlaamse volk de rechten zou blijven ontzeggen waar de Walen reeds van genoten. „On ’s exposerait ainsi à lui faire perdre son attachement traditionnel et même sa confiance à l’égard des évêques et du clergé. I! importe d’ailleurs que Ie clergé et surtout les chefs du clergé ne prennent pas une attitude hostile à l’égard des revendications Iégitimes des flamands …” Opnieuw wees hij op het rampspoedige resultaat van de verkiezingen en op wat volgens hem één van de voornaamste oorzaken hiervan geweest was, het verwaarlozen van de Vlaamse belangen door de katolieke leiders. De Vlaamse eisen waren gerechtvaardigd en de Kerk moest daar durven voor uitkomen omdat het traditioneel in de lijn van haar zending lag aan de rechtvaardige zaken haar steun te verlenen. De bisschop schreef zijn medebisschoppen nog dat hij in volle ernst -na met de dood geconfronteerd te zijn geweest- mocht verklaren geen spijt te hebben van het standpunt dat hij op Vlaams gebied steeds had ingenomen. Hij had zich hierbij niet laten leiden door de zucht naar populariteit of door een gemis aan zin voor samenhorigheid met zijn medebisschoppen. Hij kon zijn visie verantwoorden en zei dat hij in vrede zou sterven als hij de verzekering kon hebben dat de Vlaamse kwestie niet langer een bron zou zijn van verdeeldheid in het episkopaat Het sterke gestel van Rutten haalde echter voolalsnog de bovenhand186.
Tijdens een audiëntie bij paus Beneditus XV op 18-12-1920 bekwam de aartsbisschop dat deze de Belgische priesters zou aansporen om het land niet te verdelen om zich tot hun religieuze taak te beperken en volgzaam te zijn tegenover hun bisschop. Tevens vroeg Mercier van de paus een konfidentieel schrijven aan de bisschoppen om hun te vragen geen openbare verklaringen over de Vlaamse kwestie af te leggen zonder eerst onder elkaar overeenstemming te hebben bereikt en vooral niet zonder accoord te gaan met hun aartsbisschop. Met dit laatste verzoek wilde de kardinaal duidelijk een wapen in de hand hebben dat hij, zo nodig, tegen Rutten zou kunnen hanteren187. De pauselijke brief zou voor Mercier op het juiste moment komen omdat de Katoliek Vlaamse Bond begin januari in het aarsbisdom en de bisdommen Brugge en Gent een petitionnement had op gang gebracht onder de ouders en de bevolking in het algemeen opdat de kolleges zouden vernederlandst worden zoals dat in Limburg gedaan was door Rutten. De brief vanuit Rome was gedateerd op 10.02.1921, maar kwam pas in maart uit. Mercier zorgde voor een zo ruim mogelijke verspreiding bij zijn clerus, seminaries en kolleges. Seghers en Waffelaert publiceerden hem eveneens, Rutten niet188.
Op het tweede Katoliek Vlaams Kongres in Hasselt op 15 en 16 mei 1921 zou Rutten gehuldigd worden en men zou hem een borstkruis overhandigen. Na de pauselijke brief was het voor de bisschop echter een delikate aangelegenheid geworden op een politieke vergadering aanwezig te zijn en er het woord te voeren. Hij was nochtans van plan er naartoe te gaan, toen hij een schrijven van de nuntius ontving die het hem sterk „afraadde”. Uit de hele kontekst bleek dat Mercier in Rome zijn ongenoegen had uitgesproken. Daarop had de pauselijke staatssekretaris, via de nuntius te Brussel aan de bisschop van Luik laten vragen niet naar Hasselt te gaan. Toen Rutten de motieven uiteenzette waarom hij wel wenste te gaan, werd hem gevraagd dat hij zich „par esprit de soumission” bij het verlangen van Rome zou neerleggen. Toen minister Van de Vijvere kort daarop de nuntius hierover om uitleg vroeg, antwoordde deze ontwijkend dat de tijd ontbroken had om de bezwaren van Mgr. Rutten naar Rome door te sturen. Kardinaal Mercier liet niet na er de paus op te wijzen dat de bisschop van Luik, die men, zo zei hij „l’évêque des Flamands” begon te noemen, zich onwillig bij het pauselijk verbod had neergelegd. Hij had de nuntius beloofd dat hij op het kongres zou laten aankondigen dat hij „om persoonlijke redenen” niet aanwezig kon zijn, maar zijn afgevaardigde had gesproken over „persoonlijke en andere redenen” en eraan toegevoegd dat de bisschop, hoewel persoonlijk afwezig, toch tegenwoordig zou zijn in hart en geest. Mgr. Rutten, zo schreef Mercier aan de paus, was altijd degene die in het bisschoppenkollege een afwijkend standpunt innam. Toen de aartsbisschop aan zijn medebisschoppen het ontwerp van een brief had voorgelegd waarin men de paus zou danken voor zijn richtlijnen in verband met de Vlaamse beweging en de algehele onderwerping van het episkopaat zou uitspreken, had Rutten niet alleen, zoals ook Mgr. Heylen, een nuancering van de uiterlijke vorm gevraagd, hij had ook bezwaren geopperd tegen de inhoud van het dokument189.
Intussen waren Ruttens moeilijkheden met de kardinaal echter niet van de baan. Op de bijeenkomst van de bisschoppen van 11 september 1921 weigerde hij een kollektieve brief te ondertekenen waarin de Vlaamse kwestie werd behandeld. Uit het projekt van de brief bleek dat Mercier enkele konkrete elementen van oplossing wilde voorstellen, maar het gaf ook de indruk dat deze oplossing alleen op toegevingen van de kant van de Vlamingen gebaseerd moest zijn. Toen Mercier het projekt naar de nuntius stuurde en hem zei hoe verveeld hij zat met de eigengereidheid van Rutten stelde de vertegenwoordiger van het Vaticaan voor dat het episkopaat zich tevreden zou stellen met een algemeen blijvende verklaring die de goedkeuring van alle bisschoppen zou kunnen wegdragen. Liever een gemilderde verklaring die door allen was ondertekend dan een sterkere waarop de handtekening van één van de bisschoppen ontbrak190.
De oprichting van een zogenaamde Vlaamse universiteit in 1916 vertraagde na de oorlog de realisatie van een Nederlandse universiteit in de Belgische staat. Nadat, op voorstel van Mercier, de bisschoppen unaniem beslisten tot de oprichting van een Nederlandstalige katolieke universiteit in Antwerpen in 1920 en ze vervolgens, na de afwijzende houding van de Vlaamse leiders, besloten in Leuven zelf enkele colleges te splitsen, vond er een radikalizering plaats in het Leuvens studentenmilieu. De politieke visie evolueerde in Vlaams-nationalistische zin. Naar aanleiding van deze evolutie ondertekenden Mercier en de Belgische bisschoppen de rektorale beslissing die een verbod van manifestaties van Vlaams-nationalisme oplegde191.
Op 12 juli 1924 schreef Rutten een brief aan de dekens en pastoors van Limburg om hen te wijzen op het groeiende nationalisme en hen te waarschuwen voor overdrijvingen192. Hij schreef dat de gelijkheid die beloofd was aan de Vlamingen er nog niet was en dat enkele heethoofden de schuld ervan wierpen op het Belgisch vaderland. Als reaktie namen ze geen deel meer aan de feesten waar het Belgisch volkslied werd gespeeld en wilden ze dat de aanvoerders van de Vlaamse beweging, zoals Van Cauwelaert, Van de Vijvere, Helleputte en Poullet, werden terzijde geschoven om plaats te maken voor krachtdadiger mannen. Door hun noodlottige overdrijvingen die onrechtvaardig en onverstandig waren, schreef Rutten, werden het vaderland en de Vlaamse belangen benadeeld.
Het was nu de taak van de geestelijken er zorgvuldig over te waken dat de rechtvaardige zaak van de Vlamingen niet bedorven zou worden door roekeloze aanvoerders. De dag naderde waarop de Vlaamse eisen door het Belgisch bestuur zouden ingewilligd worden. Het was immers onbetwistbaar dat de toestand sinds enige jaren veel veranderd en verbeterd was.
Ruttens schrijven werd gevolgd door een brief van enkele Vlaams-nationalisten uit Limburg. Zij trachtten de overdrijvingen die de bisschop hen verweet te weerleggen. Zij voelden niets voor België maar zouden Vlaanderen als vaderland liefhebben en trouw dienen. De Vlaams-nationalisten onderwierpen zich aan het bestaande gezag, maar niets belette hen met wettige middelen de vorm van dat gezag te veranderen. Zij vonden Rutten een onverwoestbaar optimist en voorbeeldig lankmoedig en ze waren bedroefd door zijn herderlijk schrijven omdat ze dachten dat de bisschop welwillend stond tegenover hun werking. Ze voelden zich nu op dezelfde voet geplaatst als hun katolieke Vlaamse vrienden uit de andere bisdommen en ze besloten de weg te volgen die zou leiden naar de algehele ontvoogding van het Vlaamse volk en de zelfstandigheid van Vlaanderen.
In april 1925 deed Rutten de Limburgse studentenbeweging officieel van Leuven afscheuren en plaatste ze onder leiding van seminaristen die in naam van de geestelijke overheid de beweging verder zoiden leiden. Zijn ingrijpen was gericht tegen het Vlaams-nationalisme in het AKVS, niet tegen de studentenbeweging zelf die hij trouwens steeds had aangemoedigd193.
Op 11 oktober 1925 kwam er een brief van de Belgische bisschoppen die een kerkelijke veroordeling van het nationalisme inhield. De Vlaamse eisen moesten in overeenstemming gebracht worden met het hogere goed van de godsdienst en met de eenheid van het vaderland. Het episkopaat vreesde het Vlaams-nationalisme maar werkte dit anderzijds door zijn remmende en argwanende houding in de hand. Wel was Rutten bereid de studenten in hun eis tot vernederlandsing van Leuven te steunen en zijn priesters een leidende rol te laten spelen in de studentenbeweging met de kennelijke bedoeling de extremistische elementen te weren194.
Hieruit mag niet besloten worden dat helemaal niets tot stand was gekomen. In Leuven werden er in 1924 voordat de vereniging „Vlaamsche leergangen” opgericht werd, reeds een zestigtal Nederlandstalige colleges gegeven. Ze werden gedoceerd door vlaamsgezinde professoren die hiervoor geen honorarium kregen. Het financieel probleem was reëel, maar het werd als argument ook te pas en te onpas gehanteerd, en, zoals Rutten het op 23 augustus 1923 schreef aan Mercier, men slaagde erin geld te vinden voor Koekelberg, „Temple luxueux, ornement de la capitale, plutôt que maison de prière”, terwijl er zoveel andere en dringender noden waren195.
Kardinaal Mercier bleef echter gekant tegen de vernederlandsing van Gent en plaatste zich dus op het standpunt van de konservatieven. Dat de bisschoppen van Luik en Namen het standpunt van de kristen-demokraten verkozen boven dat van de konservatieven was iets dat hem zonder meer bitter stemde. Door de onenigheid onder de bisschoppen, aldus Mercier, werd ook de eenheid van het vaderland in gevaar gebracht196.
Wel werd er inzake Gent in 1923, na eindeloze debatten het kompromisvoorstel van minister Nolf aangenomen. Dit hield in dat de administratieve taal van de Gentse universiteit het Nederlands was en de universiteit zou voortaan twee afdelingen bevatten: in de Vlaamse afdeling zouden 2/3 van de cursussen in het Nederlands en 1/3 in het Frans gegeven worden; in de Franse afdeling 2/3 van de cursussen in het Frans en 1/3 in het Nederlands. Noch de Vlamingen. noch de konservatieven waren tevreden. Mercier was eveneens ontgoocheld want de Vlaamse studenten zouden nog maar wat woordjes Frans leren maar geen Franse kultuur meer. De regering scheen bereid om enkele priesters tot hoogleraar in Gent te benoemen. Toen echter de toestemming hiertoe werd gevraagd aan Mercier, kreeg men na enige tijd als antwoord dat de Belgische bisschoppen unaniem besloten hadden aan de priesters geen toelating te verlenen om in Gent te doceren. Ook Rutten had zich dus bij de zienswijze van de andere bisschoppen aangesloten, maar het staat vast dat hij over de juistheid van deze beslissing spoedig is gaan twijfelen. De bedenkingen die hij in dit verband aan Mercier stuurde, tonen aan dat hij zich in geweten afvroeg of het ingenomen standpunt voor de religieuze toekomst van de Gentse studenten wel het beste was en of het belang van Leuven waarlijk eiste dat men het Vlaamse land aan het gevaar van ongodsdienstigheid blootstelde. De aartsbisschop is op deze bedenkingen niet ingegaan. Integendeel toen De Standaard liet doorschemeren dat de bisschoppen eigenlijk toch niet eensgezind over deze aangelegenheid dachten, schreef hij aan de bisschop van Luik dat deze wel de aangewezen man was om de verkeerde inlichting in de krant te laten rechtzetten197.
Of de inspanningen van Rutten om het middelbaar onderwijs te vernederlandsen enige resultaten had opgeleverd mag afgeleid worden uit een brief van direkteur Thomissen van het O.-L. Vrouwcollege te Tongeren aan de hulpbisschop van Luik Mgr. Laminne198.
Tijdens het schooljaar 1921-22 werd het integraal Vlaams regime, volledig Vlaams onderwijs met 8 uren Frans, voor de 7de Latijnse als proef ingesteld in de athenea van Antwerpen, Brugge en Tongeren en in 1922-23 uitgebreid tot de 6de Latijnse. En zoals mocht blijken uit het getuigenis van de prefekt van het atheneum van Tongeren waren de resultaten erg tevreden stellend.
In de kolleges van Limburg (met uitzondering van het kleinseminarie van Sint-Truiden waar er twee afdelingen waren) bestond er in de 6de en de 5de Latijnse slechts één Vlaamse afdeling waarin alle lessen in het Vlaams gegeven werden met zeven uren Frans in de 6de Latijnse en 5 uren in de 5de Latijnse (dus niet de vereiste acht uren). Vanaf de 4de Latijnse werden Latijn en wiskunde in het Frans gegeven alle andere lessen in het Vlaams (behalve twee uren apologetica die in de 2de en 1ste Latijnse in het Frans werden gegeven). In de 4de Latijnse kreeg men vier uren Frans, vanaf de 3de nog drie uren.
Thomissen kwam echter tot de vaststelling dat de klassieke studies niet het verwachte resultaat opleverden. Volgens hem kwam de tweetaligheid het aantal oorzaken van de dalende trend vermeerderen. Door het overladen programma en een te grote mengeling van verschillende sociale klassen in de scholen verloor de studie aan waarde. De tweetaligheid was duidelijk de situatie komen verergeren.
De resultaten van de vervlaamsing waren echter vanuit het gezichtspunt van de kennis van het Vlaams uitstekend en, schreef Thomissen, inspekteur Géradin was zeer tevreden over de jaarlijks verkregen resultaten voor Frans in de 5de Latijnse. Op het einde van de retorica echter kenden alleen zij die thuis vanaf hun jeugd Frans gesproken hadden en er erg mee vertrouwd waren de taal voldoende, de anderen kenden de Franse taal niet zo zuiver en genuanceerd. Thomissen vroeg zich af of men geen betere resultaten zou boeken als men in alle klassen het integraal Vlaams regime zou aannemen met een verdubbeling van het aantal uren Frans vanaf de 4de Latijnse, met vakleraren voor de Franse taal vanaf de 5de en met de eis van de helft van de punten voor Frans in plaats van slechts 2/5. Tevens moest men de leerlingen proberen te overtuigen van de noodzaak van de kennis van het Frans.
Besluit
In januari en april 1927 vierde de 86-jarige bisschop de 25ste verjaardag van zijn bisschopswijding en zijn diamanten priesterjubileum. Nauwelijks een paar maanden na deze feestelijkheden overleed Rutten, na een zeer korte ziekte te Luik op 17 juli 1927. De plechtige uitvaart werd gehouden te Luik op 22 juli. ’s Anderendaags werd zijn stoffelijk overschot bijgezet te Geistingen, in de grafkelder die hij zich in 1905 had laten voorbehouden in het koor van de eeuwenoude parochiekerk van zijn geboorteplaats. Een grafsteen links voor de kapel en een borstbeeld in de Kerk te Geistingen houden de herinnering levend aan de Luikse bisschop Rutten199.
De eerste stappen in de richting van de vlaamsgezindheid werden door Rutten reeds gezet tijdens zijn opleiding. Bij de kruisheren te Maaseik, waar ook buitenlanders, vooral Nederlanders die de Franse taal niet zo goed kenden, les volgden, werd het Nederlands, meer dan elders beoefend. Dit hield verband met het feit dat de paters-leraren allemaal Nederlanders waren. Tijdens zijn verdere opleiding zou Rutten steeds veel belang hechten aan zijn moedertaal, zoals mocht blijken uit zijn aktieve deelname aan het genootschap „Utile Dulci” in het kleinseminarie te Sint-Truiden. Ook in het seminarie te Luik werd aan de kennis en het gebruik van het Nederlands door de toekomstige priesters veel belang gehecht. Rutten mocht zelfs verzaken aan „un discours francais pour le concours”, omdat hij al zoveel tijd besteed had aan een Nederlandse toespraak.
Zoals mocht blijken uit Ruttens houding tegen de kristen-demokraten, was zijn vlaamsgezindheid allerminst demokratisch. Hij had zich geplaatst op het standpunt van de paternalistische sociaal-katolieken en hij zou slechts na een terechtwijzing van Rome, zijn zienswijze enigszins afzwakken. Rutten zag in een verbinding tussen Vlaams en katoliek, die in het grootseminarie te Luik werd erkend en bevorderd en die hij gedurende zijn loopbaan steeds zou blijven benadrukken. Het Vlaamse volk, dat katoliek was, bezat nog geloof en wiiskracht genoeg om paal en perk te stellen aan de nefaste invloeden uit het buitenland. Het moest, samen met die Walen, die nog niet beïnvloed waren door het rationalisme, het Vaderland redden van de ondergang. Naast Vlaams en katoliek, zou Rutten ook steeds de verbinding Vlaams en Belgisch in stand houden. Hij klaagde de aktivisten aan die in naam van de Vlaamse zaak Vlaanderen als hun vaderland beschouwden, hij toonde zich verontwaardigd over het feit dat men eerst Vlaming kon zijn alvorens Belg te zijn.
Kort voor en na de oorlog radikalizeerde Rutten zijn houding op Vlaams gebied. De Luikse bisschop begon als enige binnen het episkopaat reeds voor de oorlog te ijveren voor een vernederlandsing van de Leuvense universiteit en kwam zo in wrijving met aartsbisschop Mercier. Na de oorlog, toen hij zijn steun verleende aan het Katoliek Vlaams Verbond en hij een vernederlandsing van het hoger onderwijs verder nastreefde stond hij in open konflikt met Mercier. Deze riep zelfs de hulp van Rome in om het terecht te wijzen.
Om zijn ideeën binnen het episkopaat te laten gelden, moest Rutten waarschijnlijk over een zekere autoriteit beschikt hebben. Hij was de oudste binnen het bisschoppenkollege, maar ook de enige zonder universitaire opleiding. Toch wist hij zich te laten opmerken en kon hij rekenen op een zekere navolging van andere bisschoppen, zoals Heylen en Seghers, die hem steunden in zijn pogingen om de vernederlandsing in het universitair onderwijs door te drijven en die samen met hem optraden tegen de konservatieve stellingname van Mercier. Het was dank zij deze opmerkelijke houding op Vlaams gebied dat Rutten de geschiedenis inging als „l’Evêque des Flamands”.
-
Familiegegevens uit: M. RUTTEN, De Ruttenstam in het Maasland. (z.p). (z.d.), 117p. ↩︎
-
Brief van Martinus aan Renier, 27 aug. 1865. R.C. RUTTEN., Lettres d’un zouave pontifical(de 1863 à 1870). Paris, 1949, p.71-73. ↩︎
-
Brief van Jaak aan Renier, 2 sept. 1865; FAR. ↩︎
-
Brief van Martinus aan Renier, 3 okt. 1865; FAR. ↩︎
-
M. RUTTEN, o.c., p.74-81. ↩︎
-
D. SNIJDERS en H.J. GEERKENS, Ophoven en Geistingen door de eeuwen heen. 1966. p.287. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 15 april en 12 mei 1864: FAR. ↩︎
-
M. HANSON, Taalsituatie en moedertaalonderricht in het Middelbaar Onderwijs in Limburg 1830-1914, doktoraatsverhandeling, Leuven, 1984, p.229-234. M. HANSON, Het Kruisherencollege te Maaseik. Het eerste vernederlandste college in Vlaams-België, 1985. ↩︎
-
Signum: het bestond uit een strookje om een stokje gerold papier, waarop de betrapte zijn naam moest noteren. Totdat hij een ander slachtoffer gevonden had, was de drager ervan verplicht elke dag straf te schrijven. ↩︎
-
J. DAVID, Nederduitsche Spraekkunst voor Middelbare Scholen en Collegien, Leuven. 1853. ↩︎
-
Schrijfboek der penningmeester 1862-1863 PAD. ↩︎
-
Gebaseerd op: M. HANSON, o.c., p.108-112. P. BELLEFROID, Onze hedendaagsche Limburgsche dichters, Gent, 1906, p.56. ↩︎
-
Jaarboek 1857-58-59, Archief Utile Dulei; PAD. ↩︎
-
Schrijfboek der penningmeester 1862-1863, Archief Utile Dulci: PAD. ↩︎
-
James Macpherson: Schots letterkundige, °27.10.1736, Ruthven +17.02.1796, Inverness. Onderwijzer in zijn geboorteplaats, 1764 gouvernementssekretaris in Florida. 1780-90 parlementslid. ↩︎
-
Oosthoeks encyclopedie. Utrecht, d.9 p.527, dl.11 p.351. ↩︎
-
W. ZAAL , De vuist van de paus. De Nederlandse zouaven en het einde van de Kerkelijke Staat, 1860-1870, Amsterdam, 1980. ↩︎
-
Charles Cartuyvels: 1835-1907. Doctor in de teologie. onderwees in het seminarie te Luik. later werd hij professor aan de Leuvense universiteit waar hij lange tijd vice-rektor was. Mer. Cartuyvels overleed te Luik. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 12 nov. 1863; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 7 febr. 1864; FAR. ↩︎
-
Renier aan Martinus, 6 mei 1864; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 7 nov. 1863; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 7 nov. en 19 dec. 1863; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 9 nov. 1863; FAR. ↩︎
-
Zouaven: eigenlijk de leden van een Kabylenstam uit een bergachtige streek tussen Algerije en Tunesië waaruit de Franse bezetters in 1830 enkele compagnieën formeerden. ↩︎
-
Renier aan Martinus, 30 nov. 1863; R.C. RUTTEN, o.c.. p.20-24. ↩︎
-
Zo op 12 november 1863 (orig. Frans): „Dat ik niet in uw gezelschap ben! … Maar God roept mij elders, ik zal het kruis moeten dragen, gij zult het zwaard moeten dragen en beiden zullen we stijden voor dezelfde zaak. voor het geloof en voor de Kerk.”
En op 19 december 1863:
„Beste broeder, ook ik zou gelukkig zijn de wapens op te nemen in dienst van de H. Vader. te strijden voor de heilige zaak. Maar God roept mij elders en ook daar zijn er gevaren tc trotseren.”; FAR. ↩︎ -
Renier aan Martinus, 6 mei 1864; R.C. RUTTEN, o.c., p.48-55. ↩︎
-
R.C. RUTTEN, o.c., p.48-55. ↩︎
-
Renier aan Martinus, 21 okt. 1864; R.C. RUTTEN, o.c.. p.61-64. ↩︎
-
Wegwijs in Kinrooi, V.V.V.infodienst Kinrooi. p.26. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 7 nov. 1863; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 21 nov. 1863; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 19 dec. 1863; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 14 mei 1864; FAR. „Ce jour là jespère que Sibille avec Jacques ou Jean viendront me voir, ils viendront voir les ordinations qui seront belles et après nous nous promènerons sur les hauteurs de Liège.” ↩︎
-
Martinus aan Renier. 6 juli 1864; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier. 10 juni 1865; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier. okt. 1864; FAR. ↩︎
-
Fonds de Montpellier, 15: BAL. Twee stichtingen. nl. Corbey en Verschuyl. hielden een beurs in ten voordele van studenten uit Maaseik en buurgemeenten. De eerste was bestemd voor studenten die in één of andere afdeling van het seminarie te Luik gingen studeren. de tweede was specifiek voor de studie van teologic. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 24 okt. 1864: FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 27 okt. 1864: FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 23 nov. 1863; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 19 dec. 1863: FAR. ↩︎
-
Zie over de politieke ontwikkeling in 1863-1864. L.WILS. Het ontstaan van de Meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek. Antwerpen. 1963 p.215-258. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 7 febr. 1864; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 20 okt.1864: FAR. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 19 dec. 1863: FAR. ↩︎
-
C.A. TAMSE, Nederland en België in Europa (1859-1871), Den Haag. 1973, p-125-127. ↩︎
-
A. DUCHESNE, L’expédition des volontaires belges au Mexigue_1864-1867, 2ième partie. 1968. ↩︎
-
Martinus aan Renier, 7 febr. 1864; FAR. ↩︎
-
Victor Joseph Doutreloux: (Chênée 18.05.1837 - Luik 24.01.1901). Was van 1879 tot aan zijn dood bisschop van Luik. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, Cours élémentaire d’apologétigue chrétienne, Saint-Trond. 1879. ↩︎
-
M.H. RUTTEN. o.c.. p.VIII. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, 0.c.. p.332-339. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, 0.c., p.340-343. ↩︎
-
M.H. RUTTEN. 0.c., p.343-346. ↩︎
-
J. LORY. Libéralisme et instruction primaire 1842-1879, Louvain. 1979, p.495. ↩︎
-
Martinus aan zijn ouders, 1 juni 1872; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Hubert, 7 dec. 1876; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Hubert, ongedateerd; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Hubert, niet gedateerd; FAR. ↩︎
-
Martinus aan Hubert, sept. en 7 dec. 1876; FAR. ↩︎
-
Rapport van 13 maart 1877 in het fonds de Montpellier n°19; BAL. ↩︎
-
D. SNIJDERS en H.J. GEERKENS, o.c.. p.288. ↩︎
-
W. LOURDAUX en D. VERHELST., Inleiding tot de kerkelijke instellingen, cursus Leuven, 1978-1979, p. 191. ↩︎
-
L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging, I, Leuven, p.68-72. ↩︎
-
Jaarboek van het Davidsfonds voor 1880, Gent, I880, p.68-69. ↩︎
-
Jaarboek van Utile Dulci voor 1878, archief Utile Dulci: PAD. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, De Nero van het Noorden - Jaarboek voor 1883 van het Davidsfonds. Gent, 1884. p.3. ↩︎
-
Fonds de Montpellier, n°19; BAL. ↩︎
-
Fonds de Montpellier, n°19; BAL. Branches spéciales.Flamand et Allemand. L’enseignement de ces langues a gagné, mais le flamand surtout n’est pas suffisamment cultivé par ceux qui un jour cependant devront le parler et annoncer dans cette langue la parole de Dieu.”* ↩︎
-
M. DE VROEDE, Onderwijs 1878-1914, - AGN 13. p.328-351. L. WILS. De regering Frère in het teken van de schoolstrijd. - AGN 13. p.178-185. ↩︎
-
Synodale rede van Mgr. Rutten, 20.04.1910. Fonds Rutten, n°32; BAL. ↩︎
-
Rede van Z.D.H. Megr. Rutten, Bisschop van Luik tot de geestelijkheid van zijn Bisdom, uitg. N.V. De Standaard, Brussel, 1919. ↩︎
-
W. LOURDAUKX en D. VERHELST, o.c.. p.126. ↩︎
-
P. GERIN, Catholigues Liégeois et question sociale (1833-1914), Bruxelles, 1959. ↩︎
-
Correspondentie Rutten-Helleputte, Sch.-H..100; ARA. ↩︎
-
Antoine Pottier: °22.02.1849 Spa - + 24.11.1923 Rome. 1879: hoogleraar moraalteologic te Luik. Hij werd de teoreticus van de kristen-demokratische „Luikse school” en bracht in het Luikse diverse sociale organisaties op de been. ↩︎
-
Rerum Novarum: encycliek van Leo XII] uit 1891. De encycliek was het begin van cen algemene katolieke arbeidersbeweging die de bestaande maatschappij wilde hervormen door syndikale aktie en door de wetgeving. ↩︎
-
P. GERIN. o.c., p.112. ↩︎
-
P. GERIN, o.c. p.245. ↩︎
-
Joris Helleputte: °31.08.1852 Gent - + 22.02.1925 Leuven. Hoogleraar te Leuven, volksvertegenwoordiger voor Maaseik. Stichter van de Belgische Boerenbond (1890) en de Belgische Volksbond (1891). ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 20 juli 1892, Sch.-H., 100; ARA. ↩︎
-
In 1891 door o.a. Helleputte, Arhtur Verhaegen en priester Pottier gesticht. De Belgische Volksbond wou, naar de besluiten van de Luikse Congressen de arbeiders in beroepsverenigingen organiseren met het oog op een corporatieve herinrichting van de samenleving. ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 20 juli 1892, Sch.-H., 100; ARA. ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 13 okt. 1892, Sch.-H., 100; ARA. ↩︎
-
P. GERIN, o.c.. p.181. ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 29 jan. 1894, Sch.-H.. 100; ARA. ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 13 april 1899, Sch.-H.. 100; ARA. ↩︎
-
Helleputte aan Rutten, 13 april 1899, Sch.-H.. 100; ARA. ↩︎
-
P. GERIN, o.c., p.245. ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 13 juni 1895, Sch.-H.. 100; ARA. ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 14 jan. 1896, Sch.-H., 100; ARA. ↩︎
-
P. GERIN, o.c., p. 248-249. ↩︎
-
L. WILS, 0.c. 1, p.37-44, p.108-148. ↩︎
-
M. HANSON, o.c. p.293-301, p.415-419, p.433-434. ↩︎
-
Jaarboek van het Davidsfonds voor 1890, p.97. ↩︎
-
R. VAN DER HEIJDEN. Het Sint-Jozefscollege van Hasselt, sfeerbeeld van een vernederlandsingsproces, 1882-1932 - De Tijdspiegel, cultureel blad voor Limburp. jg.37. afl.4. dec.1982. ↩︎
-
Jaarboek van het Davidsfonds voor 1890. p.97. ↩︎
-
Deze beloften werden tussen 24.01.1886 en 02.02.1886 algemeen bekend gemaakt. Zie L. GEVERS, Kerk, onderwijs en Vlaamse Beweging, Documenten, p.239-240. ↩︎
-
Rapport. ongedateerd. Fonds Rutten. n°32; BAL. ↩︎
-
L. GEVERS, o.c.. p.364. ↩︎
-
L. GEVERS, o.c., p.374-376. ↩︎
-
L. GEVERS, 06 p.373. ↩︎
-
Brief van 17 aug. 1886, fonds Rutten. n°32; BAL. ↩︎
-
Het plan ging nog iets verder dan hetgeen Rutten hierover begin 1886 had geformuleerd in zijn rapport: „Dans chaque classe il y a au moins deux legons de flamand par semaine. En poésie et en rhétorique la participation aux exercices de l’académie flamande est obligatoire pour les flamands et remplace l’une des legons de flamand.” Zie L. GEVERS, o.c., p.373. ↩︎
-
Nestor Fraipont: Burdinne 09.01.1844 - Thimister 25.01.1917. Direkteur van 1879 tot 1893. ↩︎
-
Jaarboek van het Davidsfonds voor 1897. p.62. ↩︎
-
Jaarboek van het Davidsfonds voor 1886, p170-71 ↩︎
-
J. MUYLDERMANS, Zijne Hoogw. Mart. Hub. Rutten, Bisschop van Luik en Eupen-Malmedy, - Jaarboek van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde, Ledeberg-Gent, 1928, p.108-112. ↩︎
-
J. MUYLDERMANS, o.c., p.112. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, Het Congres der Maatschappelijke werken en de Moedertaal, 1886, 15p. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, o.c., p.7. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, o.c., p.7. ↩︎
-
M.H. RUTTEN. o.c., p.14. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, Het Maatschappelijk vraagstuk. -Het Belfort. Gent 1891 p.5-31. Zie verder ook: Mgr. Rutten bij het Davidsfonds, -Het Belfort. Gent. I890. p.385-387 ↩︎
-
Gaspard Joseph Labis: °02.06.1792 Warcoing +16.11.1872 Doornik. Hoogleraar aan hot seminarie te Doornik. ↩︎
-
De tekst werd niet teruggevonden in de Parlementaire Handelingen. noch in de Moniteur Belge. daarom hebben we ons gebaseerd op de Gentse krant Le Bien Public. 26-II-1881. p.1 kol.5, p.2 kol.1, p.3 kol.3. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, A chacun son droit, Réponse à M. Bara, 1881,-PAD. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, L’ecyclique Immortale Dei, Luik 1887.-PAD. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, De Encychek Libertas Praestantissimum - Het Belfort, 1890, p.21-32 en p.116-127. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, De Goddelijke Beloften der Kerk in den loop der eeuwen, Luik. 1890. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, o.c. p.II. ↩︎
-
J. MUYLDERMANS, o.c. p.119-120. ↩︎
-
D. SNIJDERS en H.J. GEERKENS, o.c. p.292. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, Cours élémentaire d’apologétigue chrétienne. Bruxelles. 1897. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, o.c., p.IX-X. ↩︎
-
T. LUYKX, Politieke geschiedenis van België, p.203. ↩︎
-
M.H. RUTTEN, o.c., p.336-347. ↩︎
-
J.B. Decrolière aan baron de Montpellier. 21 januari 1897, Kabinet Leopold II, 250; Archief Koninlijk Paleis. ↩︎
-
P. GERIN. o.c. p.472. ↩︎
-
J.B. Decrolière aan baron de Montpellier, ongedateerd. Kabinet Leopold II 250; Archief Koninklijk Paleis. ↩︎
-
P. GERIN,. o.c., p.478-479. ↩︎
-
6 januari 1902 vinden we als datum voor zijn bisschopswijding bij N.N., Mgr. Rutten, évêque de Liège. Son intronisation et son sacre, Liège, 1902. En bij D. SNIJDERS en H.J. GEERKENS, o.c., p.288. Terwijl A. SIMON, Evêques de la Belgique indépendante 1830-1940, - IUCHG 21, zijn wijding op 6 juni 1902 plaatst. ↩︎
-
N.N., o.c. p.28-43. ↩︎
-
W. LOURDAUX en D. VERHELST. o.c., p.100 en 104. ↩︎
-
D. SNIJDERS en H.J. GEERKENS, o.c., p.289. ↩︎
-
P. GERIN, o.c., p.250, 442, 446. 482. ↩︎
-
Lettre de Mgr. Rutten, évêque de Liège à son clergé, suivie de quelques documents concernant l’Action Populaire Chrétienne ou la Démocratie Chrétienne, 1904, p.3.; ART. ↩︎
-
Rutten aan Helleputte, 10 augustus 1907; Sch.-H., 100; ARA. ↩︎
-
Rapport van de priesters L. De Gruyter en Croonenberghs, 1907; Fonds Rutten, n°32; BAL. ↩︎
-
M. HANSON. o.c., p.445-473 en p.571-572. ↩︎
-
Felix Tombeur: °Luik 17.05.1852 +Landen 03.08.1912. Volgde middelbaar onderwijs aan het kleinseminarie te Sint-Truiden. 1878: Leraar aan het kleinseminarie. 1880: Dr. in de wijsbegeerte en teologie. Vanaf 1886 eveneens leraar Engels aan het gepatroneerd kollege te Sint-Truiden. ↩︎
-
Désiré J. Mercier: °Eigenbrakel 1851 +Brussel 1926. Teoloog en filosoof. Specialist in de tomistische filosofie. 1882: Hoogleraar te Leuven. 1906: Aartsbisschop van Mechelen. ↩︎
-
De wet bepaalde dat de studenten bij hun inschrijving aan de universiteit in Vlaanderen het bewijs moesten voorleggen dat zij Nederlands kenden. Van dit bewijs werden zij echter vrijgesteld indien zij in het middelbaar onderwijs twee leergangen in het Nederlands hadden gevolgd ofwel acht uren per week les in de Nederlandse taal hadden gehad. ↩︎
-
Rapport van 1886. Cfr. supra p.32-33. ↩︎
-
H.J. ELIAS, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, IV, Antwerpen, 1965, p.195. ↩︎
-
R. BOUDENS, Kardinaal Mercier en de Vlaamse beweging, p.101-102. ↩︎
-
L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging, I, p.228. ↩︎
-
Brieven van 2 mei, 4 juni en 2 juli 1910; fonds Rutten, n°32; BAL. ↩︎
-
M. HANSON, o.c., p.469-470. ↩︎
-
R. BOUDENS. o.c., p.90. ↩︎
-
L. WILS, o.c. I. p.233. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.92. ↩︎
-
Chanoine SIMENON, Un évêque pendant la Grande Guerre, 1914-1918. I. MESEBERG-HAUBOLD, Der Widerstand Kardinal Merciers gegen die deutsche Besetzung Belgiens 1914-1918. ↩︎
-
Rutten aan commandant Bayer, 18 aug. 1914. SIMENON. o.c., p.l2. ↩︎
-
Rutten aan zijn diocesanen, 22 aug. 1914. SIMENON, o.c., p.13. ↩︎
-
I. MESEBERG-HAUBOLD, o.c., p.53-58. ↩︎
-
P.J. Lausberg aan Rutten, 23 dec. 1914, SIMENON, o.c., p.14-15. ↩︎
-
I. MESEBERG-HAUBOLD, o.c., p.62-67. ↩︎
-
Antwoord van Rutten op de Duitse beschuldigingen, 29 april 1915, SIMENON. o.c., p.17-18. ↩︎
-
Rutten aan de paus, 15 mei 1915, SIMENON. o.c., p.20-23. ↩︎
-
Rutten aan von Bissing, 1 nov. 1915, SIMENON. o.c., p.26-4. ↩︎
-
I. MESEBERG-HAUBOLD. o.c., p.98-109. ↩︎
-
SIMENON, o.c., p.46-47. ↩︎
-
Rutten aan von Bissing, 27 mei 1915. SIMENON, o.c., p.55. ↩︎
-
Kristelijke arbeidersverenigingen aan Rutten, SIMENON., o.c., p.58. ↩︎
-
SIMENON, o.c., p.61-84. ↩︎
-
SIMENON, o.c., p.93. ↩︎
-
Activisme en Vlaamsgezindheid. Uit eene aanspraak van Z.D.H. Mer. Rutten, Bisschop van Luik. tot de Z.E.HH. Dekens van zijn bisdom, gedurende de Duitse bezetting; AMVC. n°R87 57. ↩︎
-
E. GERARD., Strijd om het Vlaams minimumprogramma in 1919. Mgr. Rutten en de katholieken van Limburg, - Wetenschappelijke Tijdingen, 2, 1981 kol. 97-98. ↩︎
-
A.M. KNEVELS, De Katholieke Vlaamse Bond van L1mburg (1919-1928), Van de katolieke partij naar de nationalistische, - Wetenschappelijke Tijdingen. 3. 1983. kol.150. ↩︎
-
A. Palmers, voorzitter van de Katholieke Associatie van Hasselt aan oudminister Prosper Poullet: „Les journaux vous auront appris que Monseigneur l’évêque de Liège patronnc vivement le mouvement dans le Limbourg. Cela est absolument exact. Mgr. lui-même me l’a dit, et déclare que ceux qui n’adhèrent pas au programme du Vlaams Verbond sont des traîtres à la patrie”. E. GERARD, o.c., kol.101-102. ↩︎
-
E. GERARD, o.c., kol. 101-102. ↩︎
-
Rutten aan Broekx, fonds Rutten, 32: BAL.
De brief verscheen in: ↩︎ -
F. VAN CAUWELAERT, Open brief aan Mgr. Rutten, - De Standaard, 2 april 1919. ↩︎
-
E. GERARD, o.c., kol. 103-104. ↩︎
-
A.M. KNEVELS, o.c., kol.151. L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging II, Geschiedenis van het Davidsfonds 1914-1936. p.78. ↩︎
-
E. GERARD, o.c., kol.105. ↩︎
-
L. WILS, o.c. II, p.82. ↩︎
-
Open brief aan Zijne Hoogwaardigheid Mgr. Rutten, Bisschop van Luik, 5 april 1919: AMVC n°R87 57. ↩︎
-
L. WILS. o.c., p.83-84. ↩︎
-
Rede van Z.D.H. Mgr. Rutten, Bisschop van Luik tot de geestelijkheid van zijn Bisdom, Uitg. N.V. De Standaard, Brussel 1919, 16p. ↩︎
-
L. WILS, o.c. II, p.84. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.209-210. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.212. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.254. L. WILS, o.c. II, p.124. ↩︎
-
L. WILS, o.c. II, p.124-125. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.259-260. ↩︎
-
R. BOUDENS. 0.c., p.212. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.217. ↩︎
-
Rede voorafgaande aan Open brief aan zijne hoogwaardigheid Mgr. Rutten bisschop van Luik en van Eupen-Malmedy, Uitg. Vlaamsch Front, R.K.V.N., Groep Limburg; ART. ↩︎
-
L. VOS en L. GEVERS, Dat volk moet herleven. Het studententijdschrift „De Vlaamsche Vlagge” 1875-1933, p.222. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.230. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.231. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.233. ↩︎
-
R. BOUDENS, o.c., p.234-235. ↩︎
-
Thomissen aan Laminne, 8 febr.1924, fonds Rutten n°32; BAL. ↩︎
-
D. SNIJDERS en H.J. GEERKENS, o.c., p.291. ↩︎